Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BJ6886

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
01-09-2009
Datum publicatie
04-09-2009
Zaaknummer
07-6238 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking bijstandsuitkering. Schending inlichtingenverplichting. Vaststaat dat appellant op 8 februari 2007 niet bereid was een gesprek te voeren met twee medewerkers van ISD Midden-Langstraat en derhalve niet de informatie heeft verstrekt die noodzakelijk was voor het beoordelen van het recht op bijstand. Naar het oordeel van de Raad kan het Dagelijks Bestuur gelet op artikel 53a, eerste lid, van de WWB de bevoegdheid niet worden ontzegd om de betrokkene uit te nodigen voor een gesprek met twee medewerkers. In hetgeen appellant heeft aangevoerd heeft de Raad geen aanleiding gevonden voor het oordeel dat hem niet is te verwijten dat hij heeft geweigerd het gesprek te voeren. De omstandigheid dat appellant zich overvallen voelde door de aanwezigheid van twee medewerkers van de ISD Midden-Langstraat en hij, naar gesteld, slechte ervaringen heeft met gesprekken met twee personen waarvan slechts een als gesprekspartner is aangekondigd, kan er niet aan afdoen dat hij de verplichting niet is nagekomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/6238 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 9 oktober 2007, 07/1971 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het Dagelijks Bestuur van de Intergemeentelijke Sociale Dienst Midden-Langstraat (hierna: Dagelijks Bestuur)

Datum uitspraak: 1 september 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A.A.J. Soffers, advocaat te Drunen, hoger beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 juni 2009. Namens appellant is verschenen mr. Soffers. Het College heeft zich, zoals tevoren bericht, niet laten vertegenwoordigen.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.

1.1. Aan appellant is met ingang van 28 september 2005 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) toegekend, berekend naar de norm voor een alleenstaande.

1.2. Bij brief van 1 februari 2007 is appellant uitgenodigd voor een gesprek op 8 februari 2007 bij de Intergemeentelijke Sociale Dienst (ISD) Midden-Langstraat in verband met de beoordeling van zijn recht op bijstand. In deze brief is appellant erop gewezen dat hij verplicht is om alle informatie te verstrekken over feiten en omstandigheden die van invloed kunnen zijn op zijn uitkering. Appellant heeft gehoor gegeven aan deze uitnodiging en is op 8 februari 2007 ontvangen door klantmanager [naam klantmanager] en fraudepreventiemedewerker [naam fraudepreventiemedewerker]. Omdat appellant zich overvallen voelde door de aanwezigheid van twee personen in de spreekkamer heeft hij geweigerd verder mee te werken aan het gesprek, dat vervolgens direct is beëindigd.

1.3. Bij besluit van 12 februari 2007 heeft het Dagelijks Bestuur de bijstand van appellant met ingang van 8 februari 2007 beëindigd (lees: ingetrokken) op de grond dat hij de inlichtingenverplichting ingevolge artikel 17, eerste lid, van de WWB heeft geschonden met als gevolg dat niet kan worden vastgesteld of hij in bijstandbehoevende omstandigheden verkeert. Bij besluit van 2 april 2007 heeft het Dagelijks Bestuur het bezwaar van appellant tegen het besluit van 12 februari 2007 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het besluit van 2 april 2007 ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Ingevolge artikel 17, eerste lid (tekst tot 1 januari 2008), van de WWB doet de belanghebbende aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of het recht op bijstand. Ingevolge artikel 53a, eerste lid (tekst tot 1 januari 2008), van de WWB bepaalt het college, onverminderd artikel 28, tweede, derde en vierde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, welke gegevens ten behoeve van de verlening van bijstand dan wel de voortzetting daarvan door de belanghebbende in ieder geval worden verstrekt en welke bewijsstukken worden overgelegd, alsmede de wijze en het tijdstip waarop de verstrekking van gegevens plaatsvindt. Artikel 53a, tweede lid, van de WWB bepaalt dat het college bevoegd is om onderzoek in te stellen naar de juistheid en volledigheid van de verstrekte gegevens en zonodig naar andere gegevens die noodzakelijk zijn voor de verlening dan wel voortzetting van bijstand.

4.2. Vaststaat dat appellant op 8 februari 2007 niet bereid was een gesprek te voeren met twee medewerkers van ISD Midden-Langstraat en derhalve niet de informatie heeft verstrekt die noodzakelijk was voor het beoordelen van het recht op bijstand. Naar het oordeel van de Raad kan het Dagelijks Bestuur gelet op artikel 53a, eerste lid, van de WWB de bevoegdheid niet worden ontzegd om de betrokkene uit te nodigen voor een gesprek met twee medewerkers. In dit geval heeft het Dagelijks Bestuur voor een dergelijk gesprek aanleiding gevonden omdat na onderzoek op het internet was gebleken dat appellant zich op een website presenteert als kunstenaar en dat op een andere website kunstwerken van appellant te koop worden aangeboden, zonder dat dit bij het Dagelijks Bestuur bekend was. In hetgeen appellant heeft aangevoerd heeft de Raad geen aanleiding gevonden voor het oordeel dat hem niet is te verwijten dat hij heeft geweigerd het gesprek te voeren. In dit verband wijst de Raad erop dat in het bezwaarschrift is aangevoerd dat appellant bereid is alsnog een gesprek aan te gaan met [naam fraudepreventiemedewerker] en/of [naam klantmanager]. Uit de in hoger beroep overgelegde informatie, waaronder de rapportage van verzekeringsarts J.C.C. Duijzers van 16 mei 2008 inzake een belastbaarheidsonderzoek, kan niet worden afgeleid dat de handelwijze van appellant op 8 februari 2007 hem vanwege zijn psychische gesteldheid niet is te verwijten. De omstandigheid dat appellant zich overvallen voelde door de aanwezigheid van twee medewerkers van de ISD Midden-Langstraat en hij, naar gesteld, slechte ervaringen heeft met gesprekken met twee personen waarvan slechts een als gesprekspartner is aangekondigd, kan er niet aan afdoen dat hij de verplichting niet is nagekomen.

Daarbij merkt de Raad nog op dat uit de uitnodigingsbrief van 1 februari 2007, die in de meervoudsvorm is gesteld, niet kan worden afgeleid dat het gesprek slechts met één persoon zou plaatsvinden.

4.3. Uit 4.2 volgt dat de Raad met de rechtbank en het Dagelijks Bestuur van oordeel is dat appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden. Voorts onderschrijft de Raad het standpunt van het Dagelijks Bestuur dat als gevolg van die schending het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. Gelet op de gedingstukken en het verhandelde ter zitting heeft appellant kennelijk ook nadien niet de vereiste informatie verstrekt op grond waarvan het recht op bijstand ten tijde hier van belang alsnog kon worden vastgesteld. Het Dagelijks Bestuur was derhalve bevoegd de bijstand van appellant in te trekken. In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat het Dagelijks Bestuur niet in redelijkheid van zijn bevoegdheid tot intrekking gebruik heeft kunnen maken.

4.4. De Raad is derhalve van oordeel dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.J.A. Kooijman als voorzitter en J.F. Bandringa en A.A.H. Schifferstein als leden, in tegenwoordigheid van J. Waasdorp als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 september 2009.

(get.) J.J.A. Kooijman.

(get.) J. Waasdorp.

DW