Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BJ6858

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
02-09-2009
Datum publicatie
03-09-2009
Zaaknummer
08-3218 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen recht meer op ziekengeld. De verzekeringsarts heeft, na appellante lichamelijk te hebben onderzocht waarbij weinig beperkingen werden vastgesteld, geconcludeerd dat het werk van receptioniste/telefoniste voor haar geschikt kan worden geacht. Daarbij heeft deze arts overwogen dat dit werk weliswaar zittend wordt uitgevoerd, maar dat daarbij de mogelijkheid bestaat om voldoende te vertreden, nu uit de door appellante ingevulde praktische werkomschrijving blijkt dat sprake is van wisselend lopen, zitten en staan. In hoger beroep geen medische informatie overgelegd die in een andere richting wijst.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/3218 ZW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te H[Appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 24 april 2008, 07/2391

(hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen

(hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 2 september 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M.S. Kerkhof-Pöttger, werkzaam bij DAS Rechtsbijstand te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 juli 2009. Appellante, is met berichtgeving, niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

C. van Nood.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellante, werkzaam als telefoniste/receptioniste voor 25 uur per week, heeft zich per 16 augustus 2006 voor dit werk ziek gemeld in verband met rugklachten. Per 1 november 2006 is de dienstbetrekking met haar werkgever beëindigd. Naar aanleiding van deze ziekmelding heeft appellante het spreekuur van 15 januari 2007 bezocht van de verzekeringsarts M. van der Voort. Deze arts heeft appellante per 22 januari 2007 hersteld verklaard voor haar werk als telefoniste/receptioniste. Bij besluit van 15 januari 2007 is aan appellante meegedeeld dat zij dienovereenkomstig met ingang van 22 januari 2007 geen recht meer heeft op ziekengeld.

1.2. Het tegen het besluit van 15 januari 2007 gerichte bezwaar van appellante is na een heroverweging door de bezwaarverzekeringsarts B.C.M. Admiraal bij besluit van

21 februari 2007 (hierna: het bestreden besluit) ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.1. In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat uit de eerder overgelegde informatie van de behandelend sector blijkt dat wel degelijk sprake is van ernstige rugklachten met een daaruit voortvloeiende beperkte belastbaarheid, waaruit volgt dat zij op 22 januari 2007 niet in staat is haar werk van telefoniste/receptioniste te verrichten.

3.2. De Raad overweegt als volgt.

3.3. Ingevolge artikel 19, eerste en vierde lid, van de Ziektewet (ZW) heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid, als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld.

3.4. De verzekeringsarts Van der Voort heeft, na appellante lichamelijk te hebben onderzocht waarbij weinig beperkingen werden vastgesteld, geconcludeerd dat het werk van receptioniste/telefoniste voor haar geschikt kan worden geacht. Daarbij heeft Van der Voort overwogen dat dit werk weliswaar zittend wordt uitgevoerd, maar dat daarbij de mogelijkheid bestaat om voldoende te vertreden, nu uit de door appellante ingevulde praktische werkomschrijving blijkt dat sprake is van wisselend lopen, zitten en staan. Bij deze beoordeling heeft de verzekeringsarts de informatie van de fysiotherapeut van 14 januari 2007 meegewogen. Ook de bezwaarverzekeringsarts Admiraal heeft appellante, zoals blijkt uit zijn rapportage van 19 februari 2007, lichamelijk onderzocht en heeft geconcludeerd dat functieonderzoek aan de rug en heup geen noemenswaardige afwijkingen opleverde. Bezwaarverzekeringsarts G.K. Hebly heeft, zoals blijkt uit de rapportage van 13 augustus 2008, vervolgens het dossier bestudeerd en daarbij overwogen dat het huisartsenjournaal van 10 december 2007 een goed overzicht geeft van het beloop van de klachten, diagnostiek en de behandelmethoden. Hieruit volgt dat appellante behept is met hyperlaxiteit in gewrichten, bekkenscheefstand en scoliose in de wervelkolom. Dit laatste wordt bevestigd door de informatie van de sportarts Th. C. de Winter van 21 februari 2007. Voor deze klachten is therapie gezocht in activering, stabilisering door houdingsinterventies en training. Het werk van appellante, met afwisseling van houding en een fysiek lichte belasting, past derhalve goed in deze activerende benadering. Dat sprake is van een ernstige rugafwijking kan uit de voorhanden zijnde stukken niet worden opgemaakt, aldus bezwaarverzekeringsarts Hebly. De Raad is, gelet op de omstandigheid dat in hoger beroep geen medische informatie is overgelegd die in een andere richting wijst van oordeel dat geen aanleiding bestaat de bevindingen van de bezwaarverzekeringsartsen Admiraal en Hebly voor onjuist te houden.

4. Hetgeen onder 3.4 is overwogen leidt tot de conclusie dat het Uwv op juiste gronden het recht van appellante op ziekengeld ingevolge de ZW per 22 januari 2007 heeft beëindigd. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

5. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 september 2009.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) M.A. van Amerongen.

GdJ