Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BJ6839

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-08-2009
Datum publicatie
03-09-2009
Zaaknummer
08-2303 WIA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WIA-uitkering, omdat betrokkene minder dan 35% arbeidsongeschikt wordt geacht. Rechtbank vernietigt besluit omdat arbeidskundige toelichting op onderdelen ontbreekt. Nu in hoger beroep alsnog een toereikende toelichting is gegeven, kan de aangevallen uitspraak wat betreft de vernietiging van het bestreden besluit in stand worden gelaten. De rechtsgevolgen van het vernietigde besluit kunnen naar het oordeel van de Raad geheel in stand blijven.Terecht heeft de rechtbank overwogen dat er geen sprake is geweest van een herroepen van het primair besluit als vereist voor de toepassing van art. 7:15 Awb, zodat de proceskosten in de bezwaarfase niet voor vergoeding in aanmerking komen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/2303 WIA

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen

(hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 11 maart 2008, 06/3521

(hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[Betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene)

en

appellant.

Datum uitspraak: 28 augustus 2009

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Betrokkene heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 25 juni 2009 heeft betrokkene een afschrift toegezonden van de uitslag van een radiologisch onderzoek dat op 3 april 2009 is verricht.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 juli 2009. Appellant is verschenen bij gemachtigde mr. C. Roele. Betrokkene heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.M. Haverkort, advocaat te Enkhuizen.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Betrokkene heeft zich per 23 april 2004 ziek gemeld. Bij besluit van 15 mei 2006 heeft appellant met ingang van 21 april 2006 betrokkene een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) geweigerd, omdat betrokkene per die datum minder dan 35% arbeidsongeschikt wordt geacht.

1.2. Bij besluit van 25 oktober 2006 (bestreden besluit) is het daartegen ingediende bezwaar van betrokkene ongegrond verklaard en het besluit van 15 mei 2006, onder wijziging van de motivering, gehandhaafd.

2. De rechtbank heeft vervolgens bij de aangevallen uitspraak - met bepalingen over proceskosten en griffierecht - het door betrokkenen ingestelde beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en bepaald dat appellant een nieuw besluit op het bezwaar van betrokkene neemt. Weliswaar is er naar het oordeel van de rechtbank geen reden om te twijfelen aan de juistheid van de door de verzekeringsarts vastgestelde medische beperkingen, neergelegd in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 6 februari 2006, maar een arbeidskundige toelichting op de onderdelen 4.1.1 (dominantie) en 4.2.2 (lokalisatiebeperkingen) in de functies productiemedewerker industrie (Sbc-code 111180), administratief medewerker (Sbc-code 315090) en medewerker bank (Sbc-code 516070) ontbreekt. In deze functies komen echter op genoemde punten signaleringen voor die zijn voorzien van een “*”, een “M” of een “G”.

3.1. De Raad overweegt als volgt.

3.2. Gelet op de aangevallen uitspraak en hetgeen daartegen door appellant naar voren is gebracht, staat thans ter beoordeling de arbeidskundige kant van het bestreden besluit waarbij het geschil zich heeft toegespitst op het punt dat een toelichting bij de items 4.1.1 en 4.2.2 ontbreekt.

3.3. Naar aanleiding van hetgeen betrokkene in hoger beroep heeft aangevoerd met betrekking tot de belastbaarheid van haar in relatie tot de geduide functies, onder andere de functie productiemedewerker industrie (flexoperator elektronica industrie;

Sbc-code 111180), heeft de Raad appellant bij brief van 17 maart 2009 verzocht de cursiveringen bij de aspecten 4.1 en 4.2 van de functies die aan de schatting ten grondslag zijn gelegd - en, zo nodig, van de reservefuncties - van een afzonderlijke toelichting te voorzien waaruit kan blijken dat en waarom van een daadwerkelijke overschrijding (toch) geen sprake is.

3.4. De Raad stelt vast dat appellant bij brief van 9 april 2009 de rapportages van de bezwaararbeidsdeskundige F.M.A. Havermans gedateerd 15 mei 2008 en 8 april 2009 heeft overgelegd, waarin de gevraagde toelichting is gegeven.

3.5. De Raad is van oordeel dat nu appellant eerst in hoger beroep zijn standpunt met betrekking tot de hier aan de orde zijnde signaleringen heeft uiteengezet niet eerder de vereiste duidelijkheid en inzichtelijkheid zijn verschaft. Dit betekent dat het bestreden besluit, zoals ook de rechtbank heeft geoordeeld, geen stand kan houden en voor vernietiging in aanmerking komt. De Raad ziet echter onder de thans gegeven omstandigheden geen reden appellant op te dragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen. Met de rapportages van de bezwaararbeidsdeskundige van 15 mei 2008 en

8 april 2009 is een toereikende toelichting op de in de aangevallen uitspraak gesignaleerde motiveringsgebreken gegeven. De rechtsgevolgen van het bestreden besluit kunnen naar het oordeel van de Raad dan ook geheel in stand blijven.

3.6. Uit hetgeen onder 3.5 is overwogen volgt dat de aangevallen uitspraak wat betreft de vernietiging van het bestreden besluit in stand wordt gelaten.

4.1. Met betrekking tot de proceskosten overweegt de Raad als volgt.

4.2. De Raad acht geen termen aanwezig om op grond van artikel 7:15 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) een proceskostenveroordeling uit te spreken voor de behandeling van het bezwaar van betrokkene. Terecht heeft de rechtbank overwogen dat er geen sprake is geweest van een herroepen van het primair besluit als vereist voor de toepassing van artikel 7:15, zodat de proceskosten in de bezwaarfase niet voor vergoeding in aanmerking komen. Appellant heeft in zijn verweerschrift bij de rechtbank reeds gewezen op de uitspraak van de Raad van 23 augustus 2006, LJN AY8044.

4.3. De Raad ziet wel aanleiding om op grond van artikel 8:75 van de Awb appellant te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,-- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep.

5. Nu de aangevallen uitspraak in stand wordt gelaten wat betreft de vernietiging van het bestreden besluit, ziet de Raad voorts aanleiding van appellant met toepassing van artikel 22, derde lid, van de Beroepswet een griffierecht te heffen van € 428,--.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover aan appellant de opdracht is gegeven een nieuw besluit op het bezwaar van betrokkene te nemen;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven;

Veroordeelt appellant in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep tot een bedrag van € 644,--, te betalen door appellant aan betrokkene;

Bepaalt dat van appellant een griffierecht van € 428,-- wordt geheven.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en C.P.J. Goorden en

A.A.H. Schifferstein als leden, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 augustus 2009.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) M.A. van Amerongen.

KR