Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BJ6770

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
14-08-2009
Datum publicatie
03-09-2009
Zaaknummer
06-1324 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAO-uitkering. De Raad overweegt dat hij geen aanleiding ziet te twijfelen aan de juistheid van de FML. Voldoende medische grondslag. De aan de schatting ten grondslag liggende functies, gelet op de voor appellante geldende beperkingen zoals vastgelegd in de FML zijn geschikt te achten. Vernietiging uitspraak. Vernietiging besluit. Rechtsgevolgen besluit blijven geheel in stand.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/1324 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 17 januari 2006, 05/3634

(hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen

(hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 14 augustus 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. N. Tali, werkzaam bij DAS Rechtsbijstand, hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 maart 2008. Appellante is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. M.J.H. Roebroek, kantoorgenoot van mr. Tali. Het Uwv was vertegenwoordigd door mr. C.F. Sitvast.

De Raad heeft het onderzoek ter zitting geschorst teneinde appellante in de gelegenheid te stellen een psychiatrische expertise te doen uitbrengen.

Appellante heeft vervolgens een op haar verzoek uitgebracht rapport van psychiater dr. S. Russo van 10 mei 2008 overgelegd. Hierop is van de zijde van het Uwv – na met toestemming van appellante nadere vragen aan Russo te hebben gesteld, die in een rapport van Russo van 8 december 2008 zijn beantwoord – gereageerd met een rapportage van bezwaarverzekeringsarts K.T. Tan en een rapportage van bezwaararbeidsdeskundige J. Kijvekamp.

Het geding is opnieuw ter zitting behandeld op 3 juli 2009. Appellante is, zoals tevoren is bericht, niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A.P. Prinsen.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellante is werkzaam geweest als filiaalmanager in een schoenenwinkel. Op 24 februari 2000 is zij voor dit werk uitgevallen met (een verergering van) psychische klachten.

1.2. Na het doorlopen van de wettelijke wachttijd is aan appellante met ingang van 22 februari 2001 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, welke werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

1.3. Bij besluit van 14 januari 2005 heeft het Uwv de WAO-uitkering van appellante met ingang van 13 maart 2005 ingetrokken onder de overweging dat de mate van haar arbeidsongeschiktheid met ingang van laatstgenoemde datum minder dan 15% was.

1.4. Het door appellante tegen het besluit van 14 januari 2005 gemaakte bezwaar is door het Uwv bij besluit van 16 juni 2005 ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het tegen het besluit van 16 juni 2005 (hierna: bestreden besluit) ingestelde beroep ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe – kort samengevat – overwogen dat het bestreden besluit op zowel een toereikende medische als een toereikende arbeidskundige grondslag berust.

3. In hoger beroep heeft appellante herhaald dat zij zich niet kan verenigen met de voor haar vastgestelde belastbaarheid en de op basis daarvan geduide functies. Ter onderbouwing van haar standpunt heeft appellante het in rubriek I genoemde rapport van psychiater Russo overgelegd.

3.1. Russo heeft in zijn rapport van 10 mei 2008 aangegeven dat hij zich niet kan verenigen met de door de verzekeringsarts vastgestelde belastbaarheid van appellante, zoals neergelegd in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 25 november 2004. Naar zijn mening is het zelfstandig handelen ten onrechte als niet beperkt beschouwd evenals het uiten van de eigen gevoelens en het aspect vervoer. Voorts had hij aanvullende opmerkingen over aspect 1.8 (overige beperkingen in het persoonlijk functioneren) en achtte hij het noodzakelijk dat appellante zich tijdens een paniekaanval (die zich destijds voordeden in een frequentie van ongeveer 1 per week) kan terugtrekken uit de arbeidssituatie voor ongeveer 15-60 minuten. In zijn aanvullende rapport van 8 december 2008 heeft Russo, voor zover thans van belang, desgevraagd aangegeven dat het zelfstandig handelen licht beperkt is.

3.2. Het Uwv heeft vervolgens met de rapportage van bezwaarverzekeringsarts Tan van 29 januari 2009 laten weten dat de FML op de aspecten zelfstandig handelen (1.6), eigen gevoelens uiten (2.7) en vervoer (2.10) moet worden aangescherpt. Verder heeft Tan de eerder aangenomen beperking op aspect 1.8 (overige beperkingen in het persoonlijk functioneren) naar aanleiding van de visie van Russo verwijderd en aangegeven dat vanwege de paniekaanvallen al een beperking was aangenomen op het aspect 2.12.3 (aangewezen op werk waarin zo nodig kan worden teruggevallen op directe collega’s of leidinggevenden), zodat geen bijstelling nodig is. Tan heeft een nieuwe FML opgesteld, gedateerd 29 januari 2009, met de aanpassingen daarin verwerkt.

3.3. Bezwaararbeidsdeskundige Kijvekamp heeft in zijn rapportage van 26 maart 2009 aangegeven dat door de aangescherpte FML van de zeven oorspronkelijk geselecteerde functies er weliswaar drie afvallen maar dat de functies in de drie Sbc-codes die aan de schatting ten grondslag zijn gelegd – te weten archiefmedewerker (315130), administratief medewerker afhandelingen (515080) en schoonmaker hotel (111332) – evenals de functie huishoudelijk medewerker (111333) ongewijzigd van toepassing blijven.

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1.1. Met betrekking tot de medische grondslag van het bestreden besluit is de Raad van oordeel dat geconcludeerd moet worden dat deze onjuist was. Hierbij heeft de Raad in aanmerking genomen dat het Uwv in de door psychiater Russo in hoger beroep uitgebrachte rapporten aanleiding heeft gezien de aan het bestreden besluit ten grondslag liggende FML van 25 november 2004 aan te passen. Dit impliceert dat het Uwv bij het nemen van het bestreden besluit, waarbij het Uwv is uitgegaan van laatstgenoemde FML van 25 november 2004, is uitgegaan van onjuist vastgestelde beperkingen.

4.1.2. Hetgeen is overwogen onder 4.1.1 leidt ertoe dat het bestreden besluit alsmede de aangevallen uitspraak, waarbij het tegen bedoeld besluit ingestelde beroep ongegrond is verklaard, dient te worden vernietigd.

4.2. Op grond van het volgende is de Raad van oordeel dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand gelaten kunnen worden.

4.3. De Raad overweegt dat hij geen aanleiding ziet te twijfelen aan de juistheid van de FML van 29 januari 2009. Daarbij heeft de Raad in aanmerking genomen dat appellante het rapport van Russo van 10 mei 2008 heeft ingebracht ter ondersteuning van haar standpunt dat haar beperkingen zijn onderschat door het Uwv en dat het Uwv Russo heeft gevolgd in de door hem wenselijk geachte aanpassingen in de FML. De Raad leidt hieruit af dat partijen het eens zijn over de thans aangenomen medische grondslag.

4.4. Ten aanzien van de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit is de Raad van oordeel dat met de notities functiebelasting van 13 september 2005 in combinatie met de rapportages van bezwaararbeidsdeskundigen M.N.J. Kollaard van 28 februari 2008 en Kijvekamp van 26 maart 2009 voldoende is toegelicht dat de drie – in overweging 3.3 genoemde – aan de schatting ten grondslag liggende functies, gelet op de voor appellante geldende beperkingen zoals vastgelegd in de FML van 29 januari 2009, voor appellante geschikt zijn te achten. Appellantes ongedateerde reactie op de rapportage 26 maart 2009, toegestuurd bij brief van 27 mei 2009, doet daar niet aan af: zij geeft in die reactie een eigen interpretatie van de mogelijkheid zelfstandig te kunnen werken in de geduide functies die niet strookt met de informatie uit de Resultaten Functiebeoordeling en de toelichting van de bezwaararbeidsdeskundige daarop.

5. De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 966,- voor verleende rechtsbijstand. Met betrekking tot de vordering van de kosten van het uitgebrachte rapport van psychiater Russo is de Raad van oordeel dat deze vordering voor toewijzing in aanmerking komt, tot een bedrag van € 1.416,10, waarmee het totaal aan proceskosten op € 2.382,10 komt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven;

Veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep tot een bedrag groot € 2.382,10;

Bepaalt dat het Uwv aan appellante het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 140,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en J.P.M. Zeijen en

R. Kruisdijk als leden, in tegenwoordigheid van J.M. Tason Avila als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 augustus 2009.

(get.) J.W. Schuttel.

(get.) J.M. Tason Avila.

KR