Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BJ6710

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-08-2009
Datum publicatie
03-09-2009
Zaaknummer
08/3847 WIA + 08/3949 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

1) Weigering WIA-uitkering omdat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt is. 2) Geen toegenomen arbeidsongeschiktheid. 1 en 2) Zorgvuldig medisch onderzoek. Door appellant wordt geen medische onderbouwing van zijn bezwaren naar voren gebracht. Beperkingen niet onderschat. Geduide functies medisch geschikt. Slechts beperkte eisen aan mondelinge taalvaardigheid Nederlands. Ook is niet gebleken dat de geduide functies (opleidings)eisen stellen waaraan appellant niet kan voldoen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/3847 en 08/3949 WIA

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op de hoger beroepen van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraken van de rechtbank ’s-Gravenhage van 21 mei 2008, 07/777 en 07/1710 (hierna: aangevallen uitspraken),

in de gedingen tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 28 augustus 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. F. Arslan, advocaat te ’s-Gravenhage, hoger beroepen ingesteld.

Het Uwv heeft verweerschriften ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 juni 2009. Daarbij zijn de zaken gevoegd behandeld. Appellant is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde, mr. Arslan voornoemd. Het Uwv was vertegenwoordigd door mr. M.A.B. Vogt.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in deze gedingen van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant, laatstelijk werkzaam als algemeen medewerker voor 35.85 uur per week, is op 10 mei 2004 uitgevallen wegens rug- en nekklachten en psychische klachten. Appellant was op dat moment werkloos en ontving een uitkering krachtens de Werkloosheidswet.

1.2. In augustus 2006 heeft appellant zich per 10 mei 2006 opnieuw ziek gemeld wegens buik- en nierklachten. Nadien heeft appellant aangegeven dat hij zich per 21 mei 2006, in plaats van per 10 mei 2006, heeft ziek gemeld.

1.3. In het kader van de einde wachttijdbeoordeling per 8 mei 2006 heeft de verzekeringsarts N.J.M. Huizing appellant op 31 januari 2006 onderzocht. De verzekeringsarts, die bij haar onderzoek beschikte over informatie van de neuroloog van 26 november 2004, heeft haar bevindingen weergegeven in een rapport van 6 maart 2006. Appellant is door de verzekeringsarts beperkt geacht ten aanzien van het gebruik van de rug, benen en nek en ten aanzien van psychische belasting. De verzekeringsarts heeft de mogelijkheden van appellant weergegeven in een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 6 maart 2006. In een aanvullende reactie van 12 mei 2006 heeft de verzekeringsarts aangegeven dat zij in de verkregen informatie van de behandelend huisarts van 9 maart 2006 geen aanleiding ziet om de FML aan te passen. Vervolgens zijn door de arbeidsdeskundige J. Zeeman functies geduid en is het verlies aan verdienvermogen vastgesteld op nihil. Bij besluit van 18 juli 2006 heeft het Uwv appellant per 8 mei 2006 een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) geweigerd omdat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt is.

1.4. Naar aanleiding van het bezwaar van appellant tegen de weigering per einde wachttijd van de Wet WIA-uitkering heeft de bezwaarverzekeringsarts J.H.M. de Brouwer appellant gezien tijdens de hoorzitting en tevens kennis genomen van een nader rapport van de verzekeringsarts Huizing dat was opgesteld naar aanleiding van de ziekmelding van appellant per 21 mei 2006. De bezwaarverzekeringsarts heeft vervolgens in zijn rapport van 4 december 2006 geconcludeerd dat de FML de mogelijkheden van appellant juist weergeeft. De bezwaararbeidsdeskundige A.G. Diergaarde heeft na arbeidskundig onderzoek in zijn rapport van 13 december 2006 geconcludeerd dat de geduide functies geschikt zijn en dat appellant per 8 mei 2006 onveranderd voor minder dan 35% arbeidsongeschikt moet worden beschouwd. Bij besluit van 19 december 2006 (hierna: bestreden besluit 1) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 18 juli 2006 ongegrond verklaard.

1.5. Naar aanleiding van de ziekmelding van appellant per 10 mei 2006 heeft verzekeringsarts Huizing dossierstudie verricht en appellant op 21 september 2006 onderzocht tijdens een spreekuurcontact. De verzekeringsarts concludeerde in haar rapport van 3 oktober 2006 dat appellant toegenomen arbeidsongeschikt wordt beschouwd per 1 juli 2006 wegens opname in een ziekenhuis in die maand wegens buikpijnen, maar dat er geen indicatie is om een toename van de arbeidsongeschiktheid aan te nemen voorafgaande aan 1 juli 2006. Bij besluit van 5 oktober 2006 heeft het Uwv appellant een Wet WIA-uitkering geweigerd omdat zijn arbeidsongeschiktheid per

10 mei 2006 niet is toegenomen.

1.6. Naar aanleiding van het bezwaar van appellant tegen deze weigering per 10 mei 2006 heeft de bezwaarverzekeringsarts De Brouwer dossierstudie verricht en in zijn rapport van 26 januari 2007 geconcludeerd dat er per 10 (of 21) mei 2006 geen sprake is van toegenomen arbeidsongeschiktheid. Bij besluit van 1 februari 2007 (hierna: bestreden besluit 2) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 5 oktober 2006 ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraken de beroepen van appellant tegen de bestreden besluiten ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe de medische grondslag van de bestreden besluiten onderschreven. Verder heeft de rechtbank ten aanzien van de arbeidskundige grondslag van bestreden besluit 1 geoordeeld dat appellant per 8 mei 2006 in staat is te achten om de geduide functies te verrichten.

3. Appellant heeft in de hoger beroepen aangevoerd dat de verzekeringsarts onvoldoende onderzoek heeft verricht en dat zijn beperkingen zijn onderschat. Appellant is van mening dat de verzekeringsarts een andere invalshoek heeft omdat hij werkzaam is bij het Uwv en verzoekt de Raad daarom een onderzoek door een onafhankelijke en deskundige arts te gelasten. Voorts heeft appellant aangevoerd dat hij de geduide functies niet kan verrichten, gelet op zijn (opleidings)mogelijkheden en omdat hij beperkt Nederlands spreekt.

4. De Raad overweegt het volgende.

4.1. De Raad overweegt allereerst dat bij appellant op 10 mei 2006 in feite sprake is van eenzelfde klachtenbeeld als op 8 mei 2006. Appellant heeft ter zitting met betrekking tot de reden voor zijn ziekmelding per 10 mei 2006 alleen gesteld dat zijn buik- en nierklachten daarvoor al langer sluimerden. Na de einde wachttijdbeoordeling per 8 mei 2006, heeft appellant het Uwv nog willen attenderen op het feit dat hij ook buik- en nierklachten heeft waarmee in de beoordeling per beide data rekening moet worden gehouden. Gelet hierop zal de Raad de medische grondslag van de bestreden besluiten hieronder gezamenlijk bespreken.

4.2. De Raad heeft geen aanleiding gezien over de medische grondslag van de bestreden besluiten een ander oordeel te geven dan de rechtbank. Ten aanzien van de zorgvuldigheid van de medische onderzoeken heeft de Raad in aanmerking genomen dat de verzekeringsarts appellant zowel in het kader van de einde wachttijdbeoordeling als in het kader van de ziekmelding per 10 mei 2006 lichamelijk heeft onderzocht en dat de (bezwaar)verzekeringsartsen informatie van de behandelend sector in hun onderzoeken hebben meegewogen. Voor de stelling dat de bevindingen van de verzekeringsarts vanwege haar dienstverband met het Uwv anders kunnen zijn dan de bevindingen van een onafhankelijke arts, heeft appellant ook in hoger beroep geen nadere onderbouwing gegeven. De Raad ziet geen enkele grond om appellant in deze stelling te volgen en ziet reeds daarom geen aanleiding om het verzoek van appellant om een onderzoek door een onafhankelijk deskundige te gelasten, in te willigen. Verder is de Raad met de rechtbank van oordeel dat er geen aanknopingspunten zijn om de medische beoordeling van de (bezwaar)verzekeringsartsen onjuist te achten. Appellant heeft de stelling dat zijn beperkingen per de data in geding zijn onderschat, niet onderbouwd met medische gegevens en/of met medische argumenten. Voor zover appellant (ook) heeft bedoeld te stellen dat hij nieuwe gezondheidsklachten heeft per 10 mei 2006 ten opzichte van de klachten die bij de einde wachttijdbeoordeling zijn meegewogen, overweegt de Raad dat hem uit de gedingstukken niet is kunnen blijken dat deze bij appellant per 10 mei 2006 hebben geleid tot een toename van de beperkingen. De grieven van appellant tegen de medische beoordeling per 8 en 10 mei 2006 falen derhalve.

4.3. De Raad onderschrijft voorts het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de arbeidskundige grondslag van bestreden besluit 1. Mede gelet op het rapport van de bezwaararbeidsdeskundige van 13 december 2006 is voldoende komen vast te staan dat de geduide functies in medisch opzicht voor appellant geschikt zijn te achten. Ook faalt de grief van appellant dat de functies ongeschikt zijn omdat hij de Nederlandse taal onvoldoende spreekt. Uit de beschrijving van de geduide functies blijkt dat hierin slechts beperkte eisen worden gesteld aan mondelinge taalvaardigheid in het Nederlands. Overigens is de Raad van oordeel dat appellant voldoende Nederlands spreekt, gelet op hetgeen hij ter zitting heeft toegelicht. Ook overigens is de Raad niet gebleken dat de geduide functies (opleidings)eisen stellen waaraan appellant niet kan voldoen.

4.4. Aangezien bestreden besluit 2 alleen berust op een medische beoordeling, behoeven de arbeidskundige grieven van appellant tegen het oordeel van de rechtbank over bestreden besluit 2 reeds om die reden geen bespreking.

4.5. Uit het vorenstaande volgt dat de hoger beroepen niet slagen, zodat de aangevallen uitspraken dienen te worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de Raad geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraken.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel, in tegenwoordigheid van M. van der Vos als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 augustus 2009.

(get.) J.W. Schuttel.

(get.) M. van der Vos.

JL