Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BJ6588

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
27-08-2009
Datum publicatie
02-09-2009
Zaaknummer
08-4994 WUBO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag om te worden erkend als burger-oorlogsslachtoffer in de zin van de Wet en als zodanig in aanmerking te worden gebracht voor, onder meer, een periodieke uitkering en vergoedingen met betrekking tot huishoudelijke hulp, sociaal vervoer en deelname aan het maatschappelijk verkeer. Verweerster heeft in verweer gemotiveerd aangegeven waarom de door appellante naar voren gebrachte gebeurtenissen niet kunnen leiden tot de vaststelling dat appellante getroffen is door oorlogsgeweld in de zin van de Wet. De Raad komt tot de conclusie dat er onvoldoende basis is om het beroep gegrond te verklaren wegens schending van het rechtszekerheids- en het vertrouwensbeginsel. Ten aanzien van de door appellante naar voren gebrachte gebeurtenissen is de Raad van oordeel dat verweerster op goede gronden heeft beslist dat deze, voor zover zij vaststaan, niet kunnen worden gebracht onder de werking van de Wet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/4994 WUBO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellante], (hierna: appellante)

en

de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad, (hierna: verweerster)

Datum uitspraak: 27 augustus 2009

I. PROCESVERLOOP

Appellante heeft beroep ingesteld tegen een door verweerster onder dagtekening van 31 juli 2008, kenmerk BZ 8401, JZ/M60/2008, ten aanzien van haar genomen besluit (verder: het bestreden besluit) ter uitvoering van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers (hierna: de Wet).

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 juli 2009. Appellante is verschenen vergezeld van haar echtgenoot [naam echtgenoot]. Verweerster heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A. den Held, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante, geboren in 1938 te Batavia in het voormalige Nederlands-Indië, heeft in augustus 2007 bij verweerster een aanvraag ingediend om te worden erkend als burger-oorlogsslachtoffer in de zin van de Wet en als zodanig in aanmerking te worden gebracht voor, onder meer, een periodieke uitkering en vergoedingen met betrekking tot huishoudelijke hulp, sociaal vervoer en deelname aan het maatschappelijk verkeer. Appellante heeft de aanvraag gebaseerd op gezondheidsklachten, die zij toeschrijft aan haar oorlogservaringen in het voormalige Nederlands-Indië.

1.2. Verweerster heeft deze aanvraag afgewezen bij besluit van 14 maart 2008, zoals na gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het thans bestreden besluit, op de grond, kort gezegd, dat niet is aangetoond of aannemelijk gemaakt dat appellante getroffen is door oorlogsgeweld als bedoeld in artikel 2 van de Wet.

2. De Raad dient antwoord te geven op de vraag of het bestreden besluit, gelet op hetgeen in beroep is aangevoerd, in rechte kan standhouden en overweegt daartoe als volgt.

2.1. Op grond van artikel 2, eerste lid, onder a, b, d en f van de Wet wordt - voor zover hier van belang en kort samengevat - onder burger-oorlogsslachtoffer verstaan degene die tijdens de oorlogsjaren 1940-1945 of gedurende de daaraan direct aansluitende periode van ongeregeldheden in het voormalige Nederlands-Indië (de Bersiap-periode) lichamelijk of psychisch letsel heeft opgelopen:

- ten gevolge van met de krijgsverrichtingen of ongeregeldheden direct verbonden handelingen of omstandigheden;

- ten gevolge van direct tegen hem gerichte handelingen of maatregelen door de Japanse bezetter of daarmee vergelijkbare omstandigheden tijdens de Bersiap-periode;

- ten gevolge van confrontatie op jeugdige leeftijd met extreem geweld tegen derden door de Japanse bezetter of daarmee vergelijkbare omstandigheden tijdens de Bersiap-periode.

2.2. Appellante heeft in beroep aangevoerd dat de heer Nota, met wie zij gesproken heeft bij de hoorzitting in bezwaar, bij haar het vertrouwen heeft gewekt dat, indien er een bevestiging kon worden gevonden voor het feit dat haar vader in het huis in Batavia ondergedoken heeft gezeten, dit voldoende zou zijn om haar te erkennen als oorlogsslachtoffer in de zin van de Wet.

Als relevante oorlogservaringen heeft appellante naar voren gebracht dat Indonesiërs het huis waarin zij in Buitenzorg woonde hebben gerampokt en daarbij haar zwangere moeder met een bajonet hebben bedreigd. Nadat het gezin was gevlucht naar het huis van haar grootouders in Batavia, waren er voortdurend huiszoekingen door de Japanners, op zoek naar haar vader, die zich aan internering had ontrokken en zich daar schuil hield.

Verder is zij geconfronteerd met de dood van een neef, die na door de Japanners te zijn vermoord in hun huis werd opgebaard en met de afranseling van een Japanse soldaat door andere Japanners, die op bezoek was gekomen bij haar nicht [naam nicht].

3. Verweerster heeft in verweer gemotiveerd aangegeven waarom de door appellante naar voren gebrachte gebeurtenissen niet kunnen leiden tot de vaststelling dat appellante getroffen is door oorlogsgeweld in de zin van de Wet.

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1. Ten aanzien van hetgeen appellante naar voren heeft gebracht omtrent de hoorzitting met de heer Nota is de Raad van oordeel dat, gelet ook op het van dat gesprek gemaakte verslag, sprake moet zijn van een misverstand. Uit het verslag blijkt inderdaad dat is aangegeven dat van de gestelde onderduiksituatie van de vader van appellante nog wel nodig is dat daarvan een bevestiging door anderen wordt gegeven. Dit geldt blijkens het verslag overigens ook voor andere gebeurtenissen. Uit het verslag blijkt niet dat daarbij is gezegd dat als die bevestiging zou worden verkregen er ook erkenning als oorlogsslacht-offer zou volgen. Wellicht dat appellante de mededeling dat een bevestiging door derden tenminste noodzakelijk is voor zo’n erkenning en dat het dus heel belangrijk was die alsnog te verkrijgen, wel zo heeft opgevat. Ten slotte acht de Raad van belang dat appellante de gelegenheid heeft gehad correcties of aanvullingen op het verslag te geven, maar dat zij daar geen gebruik van heeft gemaakt, ondanks het feit dat de uitspraak van de heer Nota, dat voor erkenning slechts bevestiging van de onderduik nodig was, en waarop appellante zich beroept, in het verslag ontbreekt. Voor de Raad is daarom niet vast komen te staan dat er een duidelijke, ondubbelzinnige toezegging door de heer Nota is gedaan omtrent een gegrondverklaring van het bezwaar, voor het geval de onderduik door een verklaring van een derde zou worden bevestigd. Hij was daar ook niet toe bevoegd, omdat, zoals appellante ook wel moet hebben geweten, de beslissing moest worden genomen door de Raadskamer WUBO en niet door de heer Nota alleen. Uit de stukken blijkt dat dit ook zo gebeurd is; op 16 juli 2008 zijn het bezwaar en de nader verkregen verklaringen in de Raadskamer aan de orde gesteld en is de beslissing genomen. Op grond van het voorgaande moet de Raad dus tot de conclusie komen dat er onvoldoende basis is om het beroep gegrond te verklaren wegens schending van het rechtszekerheids- en het vertrouwensbeginsel.

4.2. Ten aanzien van de door appellante naar voren gebrachte gebeurtenissen is de Raad van oordeel dat verweerster op goede gronden heeft beslist dat deze, voor zover zij vaststaan, niet kunnen worden gebracht onder de werking van de Wet. Niet is gebleken dat de huiszoekingen door de Japanners gepaard zijn gegaan met excessief geweld en zij waren ook niet gericht tegen appellante. Het geconfronteerd worden met een vermoorde neef (niet duidelijk is of appellante het mishandelde lijk van haar neef ook heeft gezien) kan niet worden aangemerkt als confrontatie met doodslag, executie of zware mishandeling als bedoeld in de Wet. Hetzelfde geldt - daargelaten dat omtrent tijdstip en omstandigheden waarop dit zou hebben plaatsgevonden de afgelegde verklaringen uiteenlopen - voor het feit dat appellante ervan getuige is geweest dat haar moeder met een bajonet werd bedreigd en van het afranselen van een Japanse soldaat. Zoals de Raad ook reeds in eerdere gevallen heeft beslist (CRvB 25 maart 1999, 97/2980 en LJN ZB8187) moet het hierbij gaan om directe confrontatie met objectief gezien zeer ernstig en uitermate schokkend fysiek optreden tegenover derden dat op één lijn te stellen is met doodslag en executie. Hoewel de gebeurtenissen, vooral de bedreiging van haar moeder, voor appellante als jong kind schokkend zullen zijn geweest, kan toch niet worden gezegd dat vaststaat dat het in deze situaties inderdaad tot zulk ernstig fysiek optreden is gekomen.

4.3. Gezien het voorgaande wordt de onder 2 geformuleerde vraag bevestigend beantwoord en dient het beroep van appellante ongegrond te worden verklaard.

5. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en G.L.M.J. Stevens en A.A.M. Mollee als leden, in tegenwoordigheid van I. Mos als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 augustus 2009.

(get.) A. Beuker-Tilstra.

(get.) I. Mos.

HD