Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BJ6586

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
27-08-2009
Datum publicatie
03-09-2009
Zaaknummer
08-2161 MPW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Korting op militair invaliditeitspensioen in verband met AOW-uitkering. De staatssecretaris heeft terecht beslist dat op het militair invaliditeitspensioen van appellant een korting moest worden toegepast wegens het ontvangen van een AOW-pensioen na het bereiken van de leeftijd van 65 jaar. De dwingendrechtelijke bepalingen op grond waarvan de inbouw van het AOW-pensioen op het militaire invaliditeitspensioen plaats moet vinden, maken als zodanig geen inbreuk op het levenslange karakter van het toegekende militaire invaliditeitspensioen. Geen bijzondere omstandigheden om af te zien van de korting. Geen sprake van onjuiste informatie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/2161 MPW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant)

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 3 maart 2008, 07/5242 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Staatssecretaris van Defensie, (hierna: staatssecretaris)

Datum uitspraak: 27 augustus 2009

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 juli 2009. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door [Naam C] en de staatssecretaris door P.J. Consten, werkzaam bij de Stichting Pensioenfonds ABP te Heerlen.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

1.1. Appellant, gewezen dienstplichtig militair, is per 14 juli 1961 uit de militaire dienst ter zake van gebreken ontslagen. Bij Koninklijk Besluit van 29 maart 1967 is aan hem met ingang van 14 juli 1966 op grond van de Pensioenwet voor de Landmacht 1922 een levenslang militair invaliditeitspensioen toegekend. Bij beslissing van 26 april 2007 is aan appellant medegedeeld dat vanaf het bereiken van de leeftijd van 65 jaar, met ingang van 1 mei 2007 in verband met het genieten van een ouderdomspensioen volgens de Algemene Ouderdomswet (AOW) een korting op het invaliditeitspensioen zal worden toegepast van € 3.397,92 per jaar, welk besluit na bezwaar is gehandhaafd bij besluit van 6 juli 2007.

2. De rechtbank heeft het door appellant tegen dit besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard.

3. Ook in hoger beroep staat ter beoordeling de vraag of namens de staatssecretaris terecht is beslist dat op het militair invaliditeitspensioen van appellant een korting moest worden toegepast wegens het ontvangen van een AOW-pensioen na het bereiken van de leeftijd van 65 jaar. Evenals de rechtbank beantwoordt de Raad die vraag bevestigend.

3.1. De Raad stelt voorop dat het invaliditeitspensioen van appellant overeenkomstig de hieromtrent gegeven wettelijke voorschriften is omgezet in een pensioen op grond van het Besluit bijzondere militaire pensioenen. In dit besluit is opgenomen dat, indien er sprake is van een militair pensioen en van een AOW-pensioen, er een korting op het militaire pensioen dient plaats te vinden. De Raad heeft reeds in eerdere uitspraken (onder meer CRvB 14 juli 1994, 1994/3) geoordeeld dat de dwingendrechtelijke bepalingen op grond waarvan de inbouw van het AOW-pensioen op het militaire invaliditeitspensioen plaats moet vinden, als zodanig geen inbreuk maken op het levenslange karakter van het toegekende militaire invaliditeitspensioen.

3.2. De Raad merkt hierbij op dat ook reeds ten tijde van de toekenning van het invaliditeitspensioen aan appellant in 1966 in de toen van toepassing zijnde wettelijke bepalingen dwingend was voorgeschreven dat bij samenloop van AOW-pensioen en invaliditeitspensioen een korting (toen nog geheten: inbouw) op het invaliditeitspensioen diende plaats te vinden. Deze toekomstige, te verwachten korting maakte dus vanaf de toekenning in 1966 al deel uit van de omvang van het recht van appellant op invaliditeits-pensioen. Om die reden kan niet worden gezegd dat door de feitelijke toepassing van deze korting in 2007 aan de in 1966 aan appellant toegekende aanspraak op pensioen iets is afgedaan. Ditzelfde, hoewel enigszins anders geformuleerd, heeft de rechtbank blijkens de daarbij gevoegde overwegingen in haar uitspraak kennelijk bedoeld met de opmerking dat: “het pensioen van eiser niet wordt verlaagd”. Deze overweging van de rechtbank is dus op zich niet onjuist te achten, omdat zij gezien de context waarin zij is geplaatst, anders dan appellant meent, niet slaat op het nominale bedrag dat maandelijks aan pensioen wordt uitbetaald; dat bedrag werd immers als gevolg van de korting wel degelijk verlaagd. Het voorgaande geldt evenzeer voor de uitdrukking: “blijvend pensioen”, gebruikt in andere beslissingen en correspondentie, waaraan appellant eveneens de opvatting zegt te ontlenen dat zijn pensioen niet zou mogen worden gekort.

3.3. Vervolgens is de vraag of er in het onderhavige geval van appellant vanwege bijzondere omstandigheden door de staatssecretaris afgezien had moeten worden van de toepassing van de wettelijke kortingsbepalingen. Evenals de rechtbank acht de Raad zulke omstandigheden niet aanwezig.

3.3.1. In dit verband heeft appellant een beroep gedaan op de informatie die hij heeft ontleend aan het Handboek Dienstslachtoffers, en wel met name in onderdeel 4.3.8. hiervan. Aan appellant kan worden toegegeven dat uit de tekst hiervan: “Als het pensioen eenmaal aan u is toegekend, dan kan het niet meer verlaagd worden”, niet duidelijk blijkt dat dit uitsluitend ziet op het invaliditeitspercentage, zoals de staatssecretaris heeft betoogd. De Raad wijst er echter op dat in onderdeel 5.4 van het Handboek meer specifieke informatie is opgenomen over de gevolgen voor het militair invaliditeits-pensioen vanaf de leeftijd van 65 jaar. Daarin wordt uitdrukkelijk gezegd: “Het invaliditeitspensioen wordt opnieuw vastgesteld, waarbij rekening wordt gehouden met de AOW of een (particulier) ouderdomspensioen. De hoogte van uw vóór 65 jaar uitbetaalde invaliditeitspensioen daalt meestal, met name door het wegvallen van bepaalde toeslagen.”

Hieruit volgt dat appellant aan de inhoud van het door hem geraadpleegde Handboek niet het vertrouwen kon ontlenen dat het bedrag van het hem, naast zijn AOW-pensioen, uitbetaalde invaliditeitspensioen na zijn 65e jaar ongewijzigd zou blijven. Ten slotte is hierbij nog van belang dat aan het slot van het Handboek uitdrukkelijk wordt vermeld dat, hoewel het Handboek Dienstslachtoffers met de grootst mogelijke zorgvuldigheid is samengesteld, aan de inhoud ervan geen rechten kunnen worden ontleend.

3.3.2. Met betrekking tot het door appellant gestelde gebrek aan informatie van de zijde van het ABP overweegt de Raad nog het volgende.De Raad kan zich voorstellen dat appellant zich na de toekenning van het invaliditeits-pensioen in 1966, vooral door de daarbij gebruikte term: “levenslang”, niet gerealiseerd heeft dat het pensioen te zijner tijd zou verminderen vanwege de toekenning van de AOW. De Raad kan het echter niet als een tekortkoming van de staatssecretaris zien dat bij die toekenning van het pensioen in 1966 aan appellant nog geen expliciete informatie is gegeven over de gevolgen voor het pensioen van het bereiken door appellant - toen pas over ruim veertig jaar - van de pensioengerechtigde leeftijd. Blijkens de gedingstukken heeft appellant al op 22 maart 2003 aan het ABP inlichtingen gevraagd over het door hem te verwachten pensioen bij het bereiken van de leeftijd van 65 jaar in mei 2007. Appellant heeft daarop bij brief van 10 april 2003 correcte informatie ontvangen, ook over de toe te passen korting. Overigens zou appellant, zoals door hem is gesteld, reeds vanaf 1999 bij diverse instanties om informatie hierover gevraagd hebben, maar concrete gegevens daarover heeft appellant niet overgelegd. Wel kan hieruit worden afgeleid dat appellant al ruim voor zijn 65e jaar, in 2003 of zelfs eerder, meer zekerheid wilde hebben over zijn tegen die tijd te ontvangen pensioeninkomen. Op grond van de hiergenoemde correspondentie moet de Raad een vraagteken plaatsen bij het argument van appellant dat hij in of kort vóór 2003 bij het aangaan van een financiële verplichting (afsluiting van een scheepshypotheek) ervan uitging en er ook van mocht uitgaan dat bij het bereiken van de leeftijd van 65 jaar in 2007 de inkomsten uit zijn invaliditeitspensioen onveranderd zouden blijven.

Al met al kan niet worden gezegd dat aan appellant onjuiste informatie is verstrekt, op grond waarvan hij er redelijkerwijs op mocht vertrouwen dat het bedrag van het door hem te ontvangen invaliditeitspensioen vanaf mei 2007 ongewijzigd zou blijven.

4. Het vorenstaande leidt de Raad tot de slotsom dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake een proceskostenveroordeling in hoger beroep.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en G.L.M.J. Stevens en A.A.M. Mollee als leden, in tegenwoordigheid van I. Mos als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 augustus 2009.

(get.) A. Beuker-Tilstra.

(get.) I. Mos.

HD