Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BJ6581

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-08-2009
Datum publicatie
01-09-2009
Zaaknummer
08-4593 WUBO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Op grond van de zich onder de gedingstukken bevindende en ter zitting verkregen informatie met betrekking tot de aan de orde zijnde InnerGrace-begeleiding is de Raad met verweerster van oordeel dat deze niet op één lijn kan worden gesteld met psychotherapie. Appellant heeft dat ook nooit gesteld. Appellant heeft met zijn aanvraag kennelijk toetsing verzocht aan het gestelde in artikel 33 van de Wet. De Raad is van oordeel dat verweerster daadwerkelijk op de grief van appellant had moeten ingaan. Verweersters tekortschieten op dit punt acht de Raad, gelet op de toelichting die verweerster heeft overgelegd, echter niet van dien aard dat het bestreden besluit om die reden niet in rechte stand zou kunnen houden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/4593 WUBO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellant] (hierna: appellant),

en

de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster)

Datum uitspraak: 20 augustus 2009

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft beroep ingesteld tegen een door verweerster onder dagtekening 23 juli 2008, kenmerk BZ 8455, JZ/F70/2008, ten aanzien van hem genomen besluit ter uitvoering van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet), verder: het bestreden besluit.

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 juli 2009. Appellant is daar in persoon verschenen, bijgestaan door drs. J.C. de Blok als zijn gemachtigde, terwijl verweerster zich ter zitting heeft laten vertegenwoordigen door J.J.G.A. Theelen, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant, geboren op 30 maart 1936 te Velp, heeft in juni 2007 bij verweerster een aanvraag ingediend om krachtens de Wet te worden erkend als burger-oorlogsslachtoffer. Appellant heeft verder gevraagd om in aanmerking te worden gebracht voor de toeslag ter verbetering van de levensomstandigheden en voorzieningen voor huishoudelijke hulp, deelname aan het maatschappelijk verkeer en gesprekskosten van zijn coach, verbonden aan InnerGrace.

1.2. Verweerster heeft bij besluit van 6 mei 2008 erkend dat appellant is getroffen door oorlogsgeweld. Hem is met ingang van 1 juni 2007 toegekend de toeslag ter verbetering van zijn levensomstandigheden als bedoeld in artikel 19 van de Wet, een vergoeding van huishoudelijke hulp voor ten hoogste vier uur per week en een tegemoetkoming in de kosten van deelname aan het maatschappelijk verkeer. Verweerster heeft afwijzend beslist ten aanzien van een voorziening voor gesprekskosten bij InnerGrace, welke afwijzing na bezwaar is gehandhaafd bij het bestreden besluit.

2. Naar aanleiding van hetgeen in beroep naar voren is gebracht overweegt de Raad als volgt.

2.1. Aan de onderhavige weigering ligt ten grondslag het op het advies van de geneeskundig adviseur R.J. Roelofs gebaseerde oordeel dat gesprekskosten, waarvoor appellant vergoeding wenst, wordt gevraagd voor praktische ondersteuning door een mental coach van InnerGrace. Dat betreft niet persoonlijke begeleiding door een psychotherapeut die is ingeschreven in het register van psychotherapeuten krachtens de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (het BIG-register). Hiermee is geen sprake van een medisch noodzakelijke voorziening. Het feit dat de huisarts W.E. Schrader en de psycholoog K. Scholten de begeleiding door de coach ondersteunen en aanraden, maakt dit niet anders.

2.2. Appellant erkent dat de begeleiding geen therapie is. Zijn grief is er op gericht dat verweerster van de begeleiding door een mental coach een therapie heeft gemaakt. Appellant heeft steeds duidelijk, met instemming van zijn behandelend psychiater bij GGZ te Hilversum, mw. A. Davids, gesteld dat voor begeleiding is gekozen en niet voor psychotherapie.

2.3. Verweerster heeft in het voetspoor van haar geneeskundig adviseur, P. Windels, geoordeeld dat de gevraagde gesprekskosten in verband met de verwerking van zijn oorlogsverleden niet kunnen worden vergoed. De aanvraag valt niet te brengen onder het begrip geneeskundige behandeling waarvan sprake is in artikel 32 van de Wet, omdat behandeling van nerveuze klachten alleen dient plaats te vinden binnen het kader van de door de overheid aangegeven criteria op grond waarvan in 1998 het eerder genoemde BIG-register is ingesteld.

2.4. Op grond van de zich onder de gedingstukken bevindende en ter zitting verkregen informatie met betrekking tot de aan de orde zijnde InnerGrace-begeleiding is de Raad met verweerster van oordeel dat deze niet op één lijn kan worden gesteld met psychotherapie. Appellant heeft dat ook nooit gesteld. Appellant heeft met zijn aanvraag kennelijk toetsing verzocht aan het gestelde in artikel 33 van de Wet. De Raad is van oordeel dat verweerster daadwerkelijk op de grief van appellant had moeten ingaan. Verweersters tekortschieten op dit punt acht de Raad, gelet op de toelichting die verweerster heeft overgelegd, echter niet van dien aard dat het bestreden besluit om die reden niet in rechte stand zou kunnen houden.

2.5. In artikel 33 van de Wet wordt de mogelijkheid geopend om, in de vorm van een tegemoetkoming in te maken bijzondere kosten, ook voorzieningen te treffen tot verbetering van levensomstandigheden. Daarbij gaat het om voorzieningen die niet, zoals door artikel 32 van de Wet vereist, strikt medisch zijn geïndiceerd maar ten aanzien waarvan sprake is van een medisch-sociale wenselijkheid. Verweerster heeft toegelicht dat toetsing aan artikel 33 van de Wet bij aanvragen als deze niet aan de orde is. Verweerster stelt zich op het standpunt dat behandeling van nerveuze klachten alleen moet plaatsvinden binnen het kader van de door de overheid aangegeven criteria, op grond van welke criteria in 1998 het BIG-register is ingesteld. Verweersters gemachtigde heeft op de zitting nader toegelicht dat een alternatieve therapie in het kader van een psychotherapietraject kan plaatsvinden en dat in een dergelijk geval vergoeding mogelijk kan zijn, omdat er dan een medische basis is. Dat doet zich in de onderhavige zaak echter niet voor. De Raad acht deze opvattingen van verweerster aanvaardbaar.

3. Gezien het vorenstaande dient het beroep van appellant ongegrond te worden verklaard.

4. De Raad acht ten slotte geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en G.L.M.J. Stevens en A.J. Schaap als leden, in tegenwoordigheid van M. Lammerse als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 augustus 2009.

(get.) A. Beuker-Tilstra.

(get.) M. Lammerse.

HD