Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BJ6572

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
27-08-2009
Datum publicatie
02-09-2009
Zaaknummer
08-6232 WUV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag om erkenning als vervolgde in de zin van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 en om toekenning van, onder meer, een periodieke uitkering. Hiertoe is overwogen dat appellante geen vervolging in de zin van artikel 2 van de Wet heeft ondergaan nu zij tijdens de Japanse bezetting van het voormalige Nederlands-Indië niet geïnterneerd is geweest. Voorts is in aanmerking genomen dat de vader van appellante niet tijdens de Japanse bezetting van het voormalige Nederlands-Indië is overleden doch op 8 november 1945 door Indonesische opstandelingen is vermoord, zodat geen grondslag bestaat om appellante met toepassing van de in artikel 3, tweede lid, van de Wet neergelegde anti-hardheidsbepaling met de vervolgde gelijk te stellen. De Raad verenigt zich met deze overwegingen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/6232 WUV

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[Appellante], wonende te [woonplaats], Indonesië (hierna: appellante),

en

de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster)

Datum uitspraak: 27 augustus 2009

I. PROCESVERLOOP

Appellante heeft beroep ingesteld tegen het onder dagtekening 18 juli 2008, kenmerk

BZ 47728, JZ/T60/2008, door verweerster ten aanzien van haar genomen besluit (hierna: bestreden besluit) ter uitvoering van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers

1940-1945 (hierna: de Wet).

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 juli 2009. Appellante is daar niet verschenen, terwijl verweerster zich heeft laten vertegenwoordigen door

mr. T.R.A. Dircke, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. In juli 2007 heeft appellante, geboren in 1938 in het voormalige Nederlands-Indië, bij verweerster een aanvraag ingediend om erkenning als vervolgde in de zin van de Wet en om toekenning van, onder meer, een periodieke uitkering.

1.2. Bij besluit van 18 februari 2008, zoals na gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit, heeft verweerster deze aanvraag afgewezen. Hiertoe is overwogen dat appellante geen vervolging in de zin van artikel 2 van de Wet heeft ondergaan nu zij tijdens de Japanse bezetting van het voormalige Nederlands-Indië niet geïnterneerd is geweest. Voorts is in aanmerking genomen dat de vader van appellante niet tijdens de Japanse bezetting van het voormalige Nederlands-Indië is overleden doch op 8 november 1945 door Indonesische opstandelingen is vermoord, zodat geen grondslag bestaat om appellante met toepassing van de in artikel 3, tweede lid, van de Wet neergelegde anti-hardheidsbepaling met de vervolgde gelijk te stellen.

1.3. In beroep heeft appellante aangevoerd, in de kern, dat al tijdens de Japanse bezetting van het voormalige Nederlands-Indië door de Japanners tegen haar vader is opgetreden en dat zij vanwege de gevolgen daarvan voor het gezin die periode volledig als een periode van vervolging heeft ervaren.

2. De Raad dient de vraag te beantwoorden of het bestreden besluit, gelet op hetgeen in beroep is aangevoerd, in rechte kan standhouden. Hiertoe wordt overwogen als volgt.

3.1. Blijkens artikel 2 van de Wet wordt - samengevat en voor zover hier van belang - onder vervolging verstaan: handelingen of maatregelen door of namens de vijandelijke bezettende macht, gericht tegen personen of groepen van personen op grond van hun ras dan wel hun Europese afkomst of Europees georiënteerde instelling, geloof, wereldbeschouwing of homo-seksualiteit, welke hebben geleid tot vrijheidsberoving door opsluiting in concentratie-kampen, gevangenissen of andere verblijfplaatsen waar beëindiging van het leven dan wel permanente bewaking van de vervolgde werd beoogd.

3.2. Vaststaat dat appellante tijdens de bezettingsjaren geen vrijheidsberoving in voor-melde zin heeft ondergaan. Hiermee valt appellante buiten het toepassingsbereik van artikel 2 van de Wet. Verweerster is, evenmin als de Raad, bevoegd om te treden buiten de grenzen die de wetgever in artikel 2 van de Wet heeft gesteld.

4.1. Op grond van artikel 3, tweede lid, van de Wet is verweerster, onder meer, bevoegd om met de vervolgde gelijk te stellen de persoon die tijdens de oorlogsjaren verkeerde in omstandigheden die overeenkomst vertonen met vervolging, indien het niet toepassen van de Wet een klaarblijkelijke hardheid zou zijn. Deze bevoegdheid is discretionair van aard, hetgeen betekent dat verweerster hierbij een ruime beleidsvrijheid toekomt en de Raad een beslissing van verweerster op dit punt slechts terughoudend kan toetsen.

4.2. In het kader van artikel 3, tweede lid, van de Wet pleegt verweerster tot met de vervolging vergelijkbare omstandigheden te rekenen de aanwezigheid van de betrokkene bij het onder excessief geweld wegvoeren van een ouder tijdens de Japanse bezetting, dan wel het omkomen van een ouder als gevolg van vervolging tijdens de Japanse bezetting.

4.3. Bij het door verweerster ingestelde, zorgvuldig te noemen onderzoek, waarbij archieven en algemene historische documenten alsmede bij verweerster bekende dossiers van familieleden van appellante zijn geraadpleegd, is niet gebleken dat zich tijdens de Japanse bezetting in aanwezigheid van appellante een arrestatie van de vader van appellante met excessief geweld heeft voorgedaan. Verder blijkt uit de gedingstukken dat de vader van appellante op 8 november 1945 door Indonesische opstandelingen is vermoord. Ook anderszins heeft de Raad in hetgeen is aangevoerd, hoezeer ook invoelbaar, geen voor toepassing van de Wet relevante aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat de weigering van verweerster om appellante met de vervolgde gelijk te stellen de terughoudende toetsing niet kan doorstaan.

5. Het vorenstaande leidt de Raad tot de slotsom dat het bestreden besluit in rechte kan standhouden, zodat het ingestelde beroep ongegrond dient te worden verklaard.

6. De Raad acht ten slotte geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.L.M.J. Stevens, in tegenwoordigheid van I. Mos als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 augustus 2009.

(get.) G.L.M.J. Stevens.

(get.) I. Mos.

HD