Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BJ6544

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-08-2009
Datum publicatie
01-09-2009
Zaaknummer
08-1135 WUV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing hernieuwde aanvraag. Terughoudende toets. In bezwaar geen nieuwe feiten of omstandigheden aangevoerd die aan verweerster bij de besluitvorming over de eerdere aanvragen niet bekend waren en die besluiten in een zodanig nieuw daglicht plaatsen dat verweerster daarin aanleiding had moeten vinden om tot herziening over te gaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/1135 WUV

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[Appellant], wonende te [woonplaats], USA, (hierna: appellant)

en

de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster)

Datum uitspraak: 20 augustus 2009

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft beroep ingesteld tegen een door verweerster onder dagtekening 20 december 2007, kenmerk BZ 47213, JZ/I/60/2007 ten aanzien van hem genomen besluit ter uitvoering van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (hierna: Wet), verder: bestreden besluit.

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 juli 2009. Namens appellant is verschenen [naam zuster], zuster van appellant, en verweerster heeft zich laten vertegenwoordigen door A.T.M. Vroom-van Berckel, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant, geboren in 1936 in het voormalige Nederlands-Indië, heeft in maart 1993, een aanvraag ingediend bij verweerster om te worden erkend als vervolgingsslachtoffer en in aanmerking te worden gebracht voor een periodieke uitkering op grond van de Wet.

1.2. Verweerster heeft die aanvraag afgewezen bij besluit van 9 november 1993, op de grond dat de omstandigheden waaronder appellant de jaren 1940-1945 heeft meegemaakt niet onder het begrip vervolging als bedoeld in artikel 2 van de Wet kunnen worden gebracht. Daartoe is overwogen dat het kamp waar appellant heeft verbleven, een wijk in Soerabaja, moet worden beschouwd als een opvangkamp voor dakloze vrouwen en kinderen en het verblijf in dat kamp niet kan worden beschouwd als vrijheidsberoving in de zin van de Wet. Tegen dit besluit zijn geen rechtsmiddelen aangewend.

1.3. In maart 1994 is door appellant een hernieuwde aanvraag ingediend, waarop bij besluit van 8 juli 1994 afwijzend is beslist. Hierbij is overwogen dat de kampen waarin appellant heeft verbleven niet door de Wet zijn erkend als interneringskampen en dat dit verblijf dus niet onder het begrip vervolging als bedoeld in artikel 2 van de Wet kan worden gebracht. Ook tegen dit besluit heeft appellant geen rechtsmiddelen aangewend.

1.4. In januari 1998 heeft appellant een aanvraag gedaan om aan hem met toepassing van artikel 2 dan wel artikel 3, tweede lid, van de Wet een periodieke uitkering toe te kennen. Hierbij heeft hij verwezen naar de internering en mishandelingen die hij heeft ondergaan tijdens de Japanse bezetting en de wijze waarop zijn vader, na terugkeer uit Japanse gevangenschap en tewerkstelling aan de Birmaspoorlijn, appellant en andere gezinsleden behandelde. Op deze aanvraag is afwijzend beslist bij besluit van 23 september 1998, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 31 augustus 1999. Het tegen dit besluit ingestelde beroep is bij uitspraak van de Raad van 27 juni 2002, nr. 99/4990 WUV, ongegrond verklaard. Met betrekking tot de gestelde internering tijdens de Japanse bezetting is in die uitspraak overwogen dat de gegevens hierover niet objectief zijn bevestigd en dat de verklaringen hierover die verweerster bij haar besluit heeft betrokken niet consistent zijn.

1.5. In oktober 2006 is namens appellant een hernieuwde aanvraag gedaan. Verweerster heeft die aanvraag aangemerkt als een verzoek om herziening en hierop afwijzend beslist bij besluit van 5 juli 2007, welk besluit na bezwaar is gehandhaafd bij het in dit geding bestreden besluit.

2. De Raad moet de vraag beantwoorden of het bestreden besluit, gelet op hetgeen in beroep naar voren is gebracht, in rechte stand kan houden. De Raad beantwoordt die vraag bevestigend en overweegt daartoe als volgt.

2.1. Verweerster heeft de aanvraag van appellant van oktober 2006 terecht aangemerkt als een verzoek om herziening van de onder 1.2, 1.3 en 1.4 beschreven besluiten. Op grond van artikel 61, tweede lid, van de Wet is verweerster bevoegd op een daartoe door belanghebbende gedane aanvraag een door haar gegeven besluit in het voordeel van de bij dat besluit betrokkene te herzien. Deze bevoegdheid is discretionair van aard, hetgeen betekent dat verweerster een ruime beleidsvrijheid toekomt. Dit brengt mee dat de Raad het bestreden besluit slechts terughoudend kan toetsen. Daarbij staat bij een verzoek om herziening als hier aan de orde centraal de vraag of appellant bij zijn verzoek dan wel in bezwaar nieuwe feiten of omstandigheden heeft aangevoerd die aan verweerster bij de besluitvorming over de eerdere aanvragen niet bekend waren en die besluiten in een zodanig nieuw daglicht plaatsen dat verweerster daarin aanleiding had moeten vinden om tot herziening over te gaan.

2.2. Van dergelijke gegevens is de Raad niet gebleken. De in bezwaar ingediende nieuwe getuigenverklaring van [naam getuige], betreft niet een verklaring uit eigen waarneming dat appellant geïnterneerd is geweest in Malang tijdens de Japanse bezetting. Nu ook in de bij verweerster bekende gegevens van de door appellant genoemde lotgenoten geen objectieve gegevens zijn gevonden die het relaas van appellant kunnen bevestigen, heeft verweerster geen aanleiding gevonden om tot herziening van de eerdere besluiten over te gaan. De Raad kan verweerster hierin volgen en is van oordeel dat het bestreden besluit de hier aan de orde zijnde terughoudende toets kan doorstaan. Het beroep van appellant dient dus ongegrond te worden verklaard.

3. De Raad ziet ten slotte geen aanleiding voor toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra, in tegenwoordigheid van K. Moaddine als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 augustus 2009.

(get.) A. Beuker-Tilstra.

(get.) K. Moaddine.

HD