Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BJ6430

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-08-2009
Datum publicatie
01-09-2009
Zaaknummer
08-6410 WSF
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Nieuwe vaststelling studiefinanciering. Geen geschil meer. Geen procesbelang meer. Niet-ontvankelijkverklaring.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/6410 WSF

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de hoofddirectie van de Informatie Beheer Groep (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam van

24 oktober 2008, 08/685 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[Betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene),

en

appellante.

Datum uitspraak: 28 augustus 2009

I. PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. S. Süzen, advocaat te Den Haag, verweer uitgebracht.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 juli 2009.

Voor appellante is verschenen mr. drs. K. Meijer. Betrokkene is niet verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1. Bij Bericht studiefinanciering 2008/1 van 9 november 2007 heeft appellante de studietoelage aan betrokkene voor de maanden januari tot en met juli 2008 vastgesteld (op € 236,22 per maand). Daarbij is de aanvullende beurs gesteld op € 0,-- onder de volgende mededelingen:

- voor de berekening van de hoogte van de aanvullende beurs zijn de

inkomensgegevens van de vader van betrokkene nodig,

- appellante vraagt die gegevens op bij de Belastingdienst en

- betrokkene ontvangt opnieuw een bericht, zodra appellante die

gegevens heeft ontvangen.

2. Bij brief van 7 april 2008 heeft betrokkene bezwaar gemaakt tegen het uitblijven van een besluit op het verzoek om toekenning van een aanvullende beurs, stellende dat de wettelijke termijn voor het nemen daarvan is verstreken.

3. Bij besluit van 19 mei 2008 heeft appellante het bezwaar van betrokkene niet-ontvankelijk verklaard wegens onverschoonbare termijnoverschrijding. Daarbij heeft appellante aangetekend dat bij het besluit van 9 november 2007 reeds is beslist dat een besluit op het verzoek van betrokkene om een aanvullende beurs wordt genomen, zodra de gegevens over het inkomen van haar vader door de Belastingdienst zullen zijn teruggemeld. Een termijn waarbinnen dat besluit zal worden genomen, wordt niet meegedeeld, aangezien appellante afhankelijk is van informatie van derden. Indien betrokkene zich met het besluit van 9 november 2007 niet had kunnen verenigen, had zij binnen de wettelijke bezwaartermijn van zes weken daartegen een bezwaarschrift moeten indienen. Dat heeft zij binnen die termijn niet gedaan, terwijl in het bezwaarschrift van 7 april 2008 niets is aangevoerd om die overschrijding verschoonbaar te achten.

4. Bij Bericht studiefinanciering 2008/6 van 4 oktober 2008 is over de periode van januari tot en met juli 2008 de aanvullende beurs aan betrokkene gesteld op € 314,02 per maand (het maximum).

5.1. Bij de aangevallen uitspraak is het beroep van betrokkene tegen het besluit van 19 mei 2008 gegrond verklaard en dat besluit vernietigd wegens strijd met artikel 6:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), is het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen en zijn beslissingen over proceskosten en griffierecht gegeven. Daartoe heeft de rechtbank het volgende overwogen.

5.2. Aangezien de hoogte van de aanvullende beurs afhankelijk is gesteld van een nader te nemen besluit, was er op 9 november 2007 in zoverre (nog) geen sprake van een besluit. Aangezien voorts niet in geschil is dat appellante ten tijde van het indienen van een bezwaarschrift geen nader besluit over de hoogte van de aanvullende beurs had genomen, kan betrokkene worden gevolgd in haar stelling dat daarover niet binnen de daarvoor geldende termijn een besluit is genomen. Gelet hierop had het bezwaarschrift van betrokkene van 7 april 2007 tegen het niet tijdig nemen van een (nader) besluit als bedoeld in artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Awb ontvankelijk moeten worden geacht.

5.3. Tot afwijzing van het verzoek om voorlopige voorziening is overgegaan, omdat appellante ter zitting van 29 september 2008 heeft aangekondigd dat de gegevens over het inkomen van de vader inmiddels bekend zijn, binnen enkele weken een besluit over de hoogte van de aanvullende beurs zal worden genomen en, gezien de (bij de op 7 januari 2005 ingediende aanvraag om toekenning van een basisbeurs vermelde gegevens) einddatum van de studie van betrokkene (31 juli 2008), de gevraagde voorziening ziet op een in het verleden gelegen periode, zodat betrokkene wat haar inkomensvoorziening betreft op dat moment niet afhankelijk is van die studiebeurs.

6. In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat bij het besluit van 9 november 2007 de vaststelling van de aanvullende beurs afhankelijk is gesteld van een nader besluit dat niet is genomen binnen de daarvoor geldende termijn, zodat er op grond van artikel 6:2, onder b, van de Awb een (fictief) besluit tot stand is gekomen en het bezwaar daartegen ontvankelijk had moeten worden geacht. Immers, de gegevens over het inkomen van de vader van betrokkene waren op 9 november 2007 nog niet bij appellante bekend, de aanvullende beurs kon nog niet worden berekend en de aanvullende beurs is daarom vooralsnog op € 0,-- gesteld. Indien betrokkene zich daarmee niet had kunnen verenigen, had zij binnen zes weken na de datum van bekendmaking van dat besluit een bezwaarschrift moeten indienen.

7.1. De Raad overweegt als volgt.

7.2. Sinds appellante bij Bericht studiefinanciering 2008/6 van 4 oktober 2008 over de periode van januari tot en met juli 2008 de aanvullende beurs aan betrokkene heeft gesteld op € 314,02 per maand is er geen sprake meer van een geschil tussen appellante en betrokkene. Afgaande op de gedingstukken is de rechtbank met het bestaan van dat besluit niet bekend geweest toen zij de aangevallen uitspraak deed. Ter zitting van de Raad gevraagd naar haar procesbelang in hoger beroep, heeft appellante te kennen gegeven van mening te zijn bij het instellen van het hoger beroep nog voldoende (proces)belang te hebben, daar zij de aangevallen uitspraak principiëel onjuist acht en met het oog op mogelijk dezelfde en vergelijkbare zaken een oordeel van de Raad over het door haar ingenomen standpunt wenst. De administratieve rechter is evenwel in het kader van de Awb alleen dan tot het beantwoorden van rechtsvragen geroepen, indien er nog sprake is van een geschil over een besluit van een bestuursorgaan. Het in het verkrijgen van een principiële uitspraak van de Raad gelegen belang kan dan ook - naar vaste rechtspraak van de Raad - niet als voldoende procesbelang worden aangemerkt.

7.3. Gelet op het hiervoor onder 7.2 overwogene is de Raad van oordeel dat het hoger beroep niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.

8. De Raad acht termen aanwezig om appellante te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep tot een bedrag van € 322,-- voor verleende rechtsbijstand. Aangezien betrokkene een bewijs van in hoger beroep verleende toevoeging krachtens de Wet op de rechtsbijstand heeft overgelegd, dient dit bedrag te worden betaald aan de griffier van de Raad.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;

Veroordeelt de hoofddirectie van de Informatie Beheer Groep in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep tot een bedrag van € 322,--, te betalen aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat van de hoofddirectie van de Informatie Beheer Groep een griffierecht van

€ 433,-- wordt geheven.

Deze uitspraak is gedaan door G.J.H. Doornewaard, in tegenwoordigheid van A.L. de Gier als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 augustus 2009.

(get.) G.J.H. Doornewaard.

(get.) A.L. de Gier.

KR