Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BJ6401

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-08-2009
Datum publicatie
31-08-2009
Zaaknummer
08-2051 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening WAO-uitkering. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat sprake is van adequaat en voldoende zorgvuldig medisch onderzoek. De omstandigheid dat appellant verwacht dat geen enkel uitzendbureau hem, gelet op zijn beperkingen, zal willen inschrijven als werkzoekende staat aan de geschiktheid van de door de arbeidsdeskundige aan appellant voorgehouden functies niet in de weg. De Raad wijst erop dat het gaat om de vraag of er functies zijn aan te wijzen op de Nederlandse arbeidsmarkt die appellant met inachtneming van zijn medische beperkingen theoretisch zou moeten kunnen vervullen. Of die functies ook daadwerkelijk door appellant verkregen kunnen worden is dan een arbeidsmarktprobleem en staat aan schatting op die functies op zichzelf niet in de weg.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/2051 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 25 februari 2008, 07/2507 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 28 augustus 2009

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft op 27 mei 2008 en 29 mei 2008 hem betreffende medische gegevens ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 juli 2009. Appellant is met schriftelijke kennisgeving niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.S. Winkel.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een overzicht van de voor dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar hetgeen de rechtbank in de aangevallen uitspraak, gelet op de gedingstukken met juistheid, heeft weergegeven. De Raad volstaat hier met de vermelding dat bij besluit op bezwaar van 13 juni 2007 (het bestreden besluit) de eerder naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100% aan appellant ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) verleende uitkering met ingang van 24 april 2007 is herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak als haar oordeel gegeven dat er geen redenen zijn om te twijfelen aan de juistheid van de door het Uwv vastgestelde belastbaarheid van appellant, zoals verwoord in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 8 mei 2007. Het daaraan ten grondslag liggende medisch onderzoek heeft de rechtbank adequaat en voldoende zorgvuldig geacht. Ook de arbeidskundige grondslag heeft de rechtbank voldoende gemotiveerd geacht. Daarop is het beroep tegen het bestreden besluit in stand gelaten.

3. In hoger beroep heeft appellant, onder toezending van gegevens uit het jaar 2000 van zijn toentertijd behandelend fysiotherapeut en een opsomming van de hem overkomen letsels door ongevallen, aangevoerd dat onvoldoende rekening is gehouden met zijn medische beperkingen, dat bij de onderzoeken door de verzekeringsartsen geen gebruik is gemaakt van röntgenonderzoek, dat geen enkel uitzendbureau hem als werkzoekende zal willen inschrijven en dat zijn arbeidsongeschiktheid geheel buiten zijn schuld is ontstaan.

4.1.1. De Raad overweegt dat de in hoger beroep ingezonden medische gegevens betrekking hebben op het jaar 2000 en niet de situatie per de datum in geding (24 april 2007) betreffen zodat daaraan niet die betekenis kan worden gehecht die appellant daaraan toegekend wenst te zien.

4.1.2. Aan de door appellant gemaakte opsomming van ongevallen ontleent de Raad geen gegevens die niet al bekend waren aan de bij de medische oordeelsvorming betrokken (bezwaar)verzekeringsartsen van het Uwv. Daarmee hebben zij derhalve al rekening gehouden.

4.1.3. De omstandigheid dat geen gebruik is gemaakt van röntgenonderzoek door de verzekeringsartsen betekent niet dat daarmee hun onderzoek niet aan de besluitvorming ten grondslag kan worden gelegd. Daarbij wijst de Raad erop dat het in het verzekeringsgeneeskundig onderzoek er om gaat beperkingen vast te stellen. Zowel de verzekeringsarts als de bezwaarverzekeringsarts hebben appellant lichamelijk onderzocht teneinde vast te stellen in hoeverre het hem overkomen letsel van de linker elleboog en van de rechter duim tot (bewegings)beperkingen leidt. Ook anderszins is de Raad niet kunnen blijken dat röntgenonderzoek in het onderhavige geval van meerwaarde zou kunnen zijn voor het doel van het verzekeringsgeneeskundig onderzoek.

4.2. De Raad onderschrijft gelet hierop het oordeel van de rechtbank dat sprake is van adequaat en voldoende zorgvuldig medisch onderzoek.

4.3. De omstandigheid dat appellant verwacht dat geen enkel uitzendbureau hem, gelet op zijn beperkingen, zal willen inschrijven als werkzoekende staat aan de geschiktheid van de door de arbeidsdeskundige aan appellant voorgehouden functies niet in de weg. De Raad wijst erop dat het gaat om de vraag of er functies zijn aan te wijzen op de Nederlandse arbeidsmarkt die appellant met inachtneming van zijn medische beperkingen theoretisch zou moeten kunnen vervullen. Of die functies ook daadwerkelijk door appellant verkregen kunnen worden is dan een arbeidsmarktprobleem en staat aan schatting op die functies op zichzelf niet in de weg.

4.4. Ten slotte overweegt de Raad dat de stelling van appellant dat zijn arbeidsongeschiktheid geheel buiten zijn schuld is ontstaan, in dit geding geen betekenis toekomt. Een verlaging van de WAO-uitkering, zoals hier aan de orde, wordt gebaseerd op medische en arbeidskundige gronden. De oorzaak van het ontstaan van de aan die uitkering ten grondslag liggende arbeidsongeschiktheid speelt daarbij geen rol.

5. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

6. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos, in tegenwoordigheid van A.C.A. Wit als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 augustus 2009.

(get.) D.J. van der Vos.

(get.) A.C.A. Wit.

TM