Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BJ6117

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-08-2009
Datum publicatie
26-08-2009
Zaaknummer
09-496 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAO-uitkering. De Raad stelt vast dat in hoger beroep uitsluitend de vraag voorligt naar de passendheid in medisch opzicht van de aan de schatting ten grondslag gelegde functies, in het bijzonder wat betreft de daaraan verbonden belasting op het aspect tillen. De Raad heeft geen aanknopingspunten gevonden om de bezwaararbeidsdeskundige niet in zijn conclusies te volgen. De Raad heeft daarbij mede acht geslagen op het rapport van 31 maart 2009, waarin de bezwaararbeidsdeskundige, naar aanleiding van hetgeen namens appellant in het aanvullend beroepschrift in hoger beroep is aangevoerd, nog eens nader heeft uiteengezet dat de drie gebruikte functies zeer rugsparend zijn en - ook - op het aspect tillen en dragen geen belasting vragen die uitstijgt boven de belastbaarheid van appellant. Genoegzaam toegelicht dat de geselecteerde functies ook, wat betreft de andere belastingaspecten, voor appellant haalbaar zijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/496 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 10 december 2008, 06/3858 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 21 augustus 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. G. Martin, advocaat te Purmerend, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Als bijlage daarbij was gevoegd een arbeidskundig rapport van 31 maart 2009.

Bij brief van 1 juli 2009 heeft het Uwv een verzekeringsgeneeskundig rapport ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 juli 2009. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Martin. Het Uwv was vertegenwoordigd door C. van Nood.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Bij zijn oordeelsvorming gaat de Raad, voor zover van belang, uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.2. Appellant is in september 2001 wegens rug- en beenklachten uitgevallen voor zijn in voltijdse omvang verrichte werkzaamheden als verhuizer. In aansluiting op de wettelijke wachttijd is hij in aanmerking gebracht voor een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

2.1. Bij besluit van 5 februari 2003 is de WAO-uitkering van appellant met ingang van 31 maart 2003 ingetrokken op de grond dat zijn arbeidsongeschiktheid is afgenomen naar minder dan 15%.

2.2. Het door appellant tegen dat besluit gemaakte bezwaar is gegrond verklaard bij besluit van 31 juli 2003. De datum van intrekking van appellants uitkering is daarbij nader bepaald op 21 augustus 2003.

3.1. Bij een ongedateerde, op 21 maart 2006 verzonden, uitspraak heeft de rechtbank Amsterdam het beroep van appellant tegen het besluit van 31 juli 2003 gegrond verklaard en dat besluit vernietigd.

3.2. De rechtbank heeft zich met de door de verzekeringsartsen voor appellant aangenomen medische beperkingen kunnen verenigen, maar was tevens van oordeel dat, gelet op bij het belastingsaspect “tillen” van de aan de schatting ten grondslag gelegde functies voorkomende signaleringen, onvoldoende was toegelicht waarom die functies voor appellant in medisch opzicht passend waren te achten.

3.3. Beide partijen hebben in deze uitspraak berust.

4.1. De bezwaarverzekeringsarts en de bezwaararbeidsdeskundige hebben vervolgens, daarbij uitgaande van de belastbaarheid zoals die voor appellant was vastgesteld en door de rechtbank was geaccordeerd, een nader onderzoek ingesteld naar de passendheid voor appellant van de geduide functies. In hun rapporten van respectievelijk 9 mei 2006 en

11 mei 2006, hebben zij aangegeven dat en waarom naar hun oordeel de functies voor appellant medisch haalbaar zijn te achten.

4.2. Hierop heeft het Uwv bij besluit van 4 juli 2006, hierna: het bestreden besluit, in gelijke zin beslist als in het besluit van 31 juli 2003.

5.1. In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank in de eerste plaats overwogen dat, gelet op het in haar eerdere uitspraak van 21 maart 2006 ter zake neergelegde expliciete oordeel, de medische grondslag van het bestreden besluit in rechte is komen vast te staan.

5.2. Voorts heeft de rechtbank, onder verwijzing naar de nadere toelichting door de bezwaararbeidsdeskundige op de functiebelasting in zijn rapportage van 11 mei 2006, overwogen dat er geen aanknopingspunten bestaan voor de conclusie dat de geduide functies niet voor appellant geschikt kunnen worden geacht. Naar het oordeel van de rechtbank is - thans - voldoende toegelicht waarom die functies appellants belastbaarheid niet overschrijden. De niet onderbouwde andersluidende eigen mening van appellant slaagt naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet.

5.3. De rechtbank heeft aldus het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard.

6.1. Gelet op hetgeen van de zijde van appellant in hoger beroep naar voren is gebracht en voorts gelet op het verhandelde ter zitting, stelt de Raad vast dat in hoger beroep uitsluitend de vraag voorligt naar de passendheid in medisch opzicht van de aan de schatting ten grondslag gelegde functies, in het bijzonder wat betreft de daaraan verbonden belasting op het aspect tillen.

6.2. Dienaangaande stelt de Raad vast dat appellant, blijkens de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 23 december 2002, op het aspect tillen of dragen sterk beperkt is geacht, aldus dat hij ongeveer 1 kilogram (kg) kan tillen of dragen. Wat betreft het frequent hanteren tijdens het werk van lichte voorwerpen is zijn belastbaarheid normaal geacht, aldus dat hij zo nodig tijdens elk uur van de werkdag ongeveer 600 keer voorwerpen van ruim 1 kg kan hanteren. Wat betreft het frequent hanteren tijdens het werk van zware lasten is appellant in die zin beperkt geacht, dat hij ongeveer een uur per werkdag een last kan hanteren van ca. 1 kg tot incidenteel 5 kg.

6.3. In meergenoemd rapport van 11 mei 2006 is door de bezwaararbeidsdeskundige aangegeven dat in de functies wat betreft de aspecten tillen en dragen geen zwaardere belasting wordt gevraagd dan in overeenstemming is met de belastbaarheid van appellant. Daarbij is in aanmerking genomen dat in de drie gebruikte functies, te weten: de productiemedewerker industrie, de productiemedewerker textiel, geen kleding en de productiemedewerker confectie, kleermaken, op dit aspect achtereenvolgens de volgende belasting voorkomt: dagelijks tijdens 2 werkuren 4 keer 3 kg per uur, dagelijks tijdens 2 werkuren 2 keer 5 kg per uur en dagelijks tijdens 1 werkuur 5 keer 5 kg per uur. Voorts geldt dat appellant blijkens de FML in staat is incidenteel 5 kg te hanteren, wat volgens de bezwaarverzekeringsarts inhoudt dat hij, mits een juiste tiltechniek wordt gebruikt, ca 7 keer per dag 5 kg moet kunnen tillen.

6.4. De Raad acht deze nadere toelichting overtuigend. In navolging van de rechtbank heeft de Raad geen aanknopingspunten om de bezwaararbeidsdeskundige niet in zijn conclusies te volgen. De Raad heeft daarbij mede acht geslagen op het rapport van 31 maart 2009, waarin de bezwaararbeidsdeskundige, naar aanleiding van hetgeen namens appellant in het aanvullend beroepschrift in hoger beroep is aangevoerd, nog eens nader heeft uiteengezet dat de drie gebruikte functies zeer rugsparend zijn en - ook - op het aspect tillen en dragen geen belasting vragen die uitstijgt boven de belastbaarheid van appellant.

6.5. Ten slotte staat in het licht van de door de bezwaararbeidsdeskundige bij rapport van 11 mei 2006 verstrekte nadere toelichting voor de Raad eveneens genoegzaam vast dat de functies ook overigens, wat betreft de andere belastingaspecten, voor appellant haalbaar zijn.

7.1. Het hoger beroep slaagt aldus niet. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

7.2. Er zijn geen termen voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos en J.W. Schuttel en I.M.J. Hilhorst-Hagen als leden, in tegenwoordigheid van A.L. de Gier als griffier.

De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 augustus 2009.

(get.) D.J. van der Vos.

(get.) A.L. de Gier.

EV