Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BJ6003

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-08-2009
Datum publicatie
26-08-2009
Zaaknummer
08/2074 ZW + 09/551 ZW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

1) Weigering (verdere) uitkering van ziekengeld. 2) Weigering ZW/uitkering toe te kennen. Met betrekking tot bestreden besluit 1 verenigt de Raad zich met het oordeel van de rechtbank. Ook de Raad ziet geen reden te twijfelen aan de bevindingen en conclusies van de betrokken verzekeringsartsen, die in hun rapportages blijk hebben gegeven van een voldoende zorgvuldig onderzoek. Juiste vaststelling beperkingen. Ten aanzien van bestreden besluit 2 verenigt de Raad zich met het oordeel van de rechtbank. De Raad is van oordeel dat ook bestreden besluit 2 berust op een zorgvuldige medische beoordeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/2074 ZW en 09/551 ZW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op de hoger beroepen van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraken van de rechtbank Amsterdam van 14 februari 2008, 07/1596 (hierna: aangevallen uitspraak 1) en 11 december 2008, 08/312 (hierna: aangevallen uitspraak 2),

in de gedingen tussen

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 19 augustus 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. E. Wolter, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft verweerschriften ingediend.

Het onderzoek ter zitting in de gedingen heeft gevoegd plaatsgevonden op 8 juli 2009. Namens appellant is verschenen mr. Wolter. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.A. Sowka.

II. OVERWEGINGEN

1. Appellant was laatstelijk werkzaam als buurtconciërge toen hij op 12 april 2005 uitviel wegens rugklachten. Nadien was ook sprake van pijnklachten op de linkerborst. Per 14 december 2005 is hij hersteld verklaard in het kader van de Ziektewet (ZW). Vervolgens heeft appellant een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW) ontvangen. Vanuit die uitkeringssituatie heeft appellant zich op 8 november 2006 ziek gemeld wegens dezelfde klachten. Met ingang van 29 januari 2007 is hij weer hersteld verklaard.

08/2074 ZW

2. Appellant heeft zich met ingang van 2 april 2007 in verband met rugklachten en pijnklachten op de borst (wederom) vanuit de situatie dat hij een uitkering ingevolge de WW ontving, ziek gemeld. Ter zake van deze ziekmelding heeft appellant op 19 april 2007 het spreekuur bezocht van de verzekeringsarts A. Meij, die hem na onderzoek met ingang van 27 april 2007 hersteld verklaarde. Bij besluit van 19 april 2007 heeft het Uwv per 27 april 2007 (verdere) uitkering van ziekengeld geweigerd. Het tegen het besluit van 19 april 2007 gemaakte bezwaar van appellant is na een heroverweging door de bezwaarverzekeringsarts R.H.J. van Glabbeek bij besluit van 25 mei 2007 (hierna: bestreden besluit 1) ongegrond verklaard.

3. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak 1 het beroep van appellant tegen bestreden besluit 1 ongegrond verklaard en daarbij met name betekenis toegekend aan de bevindingen van de (bezwaar)verzekeringsartsen.

09/551 ZW

4. Appellant heeft zich op 20 augustus 2007 opnieuw vanuit de situatie dat hij een uitkering ingevolge de WW ontving, ziek gemeld wegens dezelfde klachten. Ter zake van deze ziekmelding heeft appellant op 6 november 2007 het spreekuur bezocht van de verzekeringsarts P.C.M. Schellart-Hokkeling, die hem na onderzoek per datum ziekmelding hersteld verklaarde.

Bij besluit van 6 november 2007 heeft het Uwv geweigerd om een uitkering ingevolge de ZW toe te kennen. Bij besluit van 7 december 2007 (hierna bestreden besluit 2) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 6 november 2007 gegrond verklaard, met dien verstande dat de hersteldverklaring in het kader van de ZW om redenen van zorgvuldigheid eerst per 7 november 2007 is geëffectueerd.

5. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak 2 het beroep van appellant tegen bestreden besluit 2 ongegrond verklaard en daarbij met name betekenis toegekend aan de bevindingen en conclusie van de bezwaarverzekeringsarts P.M. Cramer, vervat in de rapportage van 6 december 2007.

6. In hoger beroep blijft appellant van mening dat hij door zijn pijnklachten het laatstelijk door hem verrichte werk van buurtconciërge op en na de beide data in geding, niet, dan wel slechts tot schade van zijn gezondheid, had kunnen verrichten en daadwerkelijk kunnen blijven volhouden. Appellant voelt zich gesteund door de behandelende artsen en huisarts. Ter onderbouwing van zijn standpunt overlegt appellant informatie van de fysiotherapeut en een afsprakenkaart van de pijnpoli van het Sint Lucas Andreas ziekenhuis.

7.1 De Raad overweegt als volgt.

7.2. Ingevolge artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken recht op ziekengeld. Onder “zijn arbeid” wordt verstaan het laatstelijk voor de aanvang van de ongeschiktheid feitelijke verrichte werk.

7.3. Met betrekking tot bestreden besluit 1 verenigt de Raad zich met het oordeel van de rechtbank en onderschrijft de daaraan in de aangevallen uitspraak 1 ten grondslag gelegde overwegingen. Ook de Raad ziet geen reden te twijfelen aan de bevindingen en conclusies van de betrokken verzekeringsartsen, die in hun rapportages blijk hebben gegeven van een voldoende zorgvuldig onderzoek. Appellant is zowel door de primaire arts als de bezwaarverzekeringsarts onderzocht. De bezwaarverzekeringsarts heeft bij lichamelijk onderzoek dezelfde onderzoeksbevindingen vastgesteld als de primaire arts op 19 april 2007. De bezwaarverzekeringsarts is van oordeel dat appellant zonder meer in staat moet worden geacht de maatgevende arbeid als buurtconciërge te verrichten. Appellant blijft ook in hoger beroep steun zoeken in de door hem in eerste aanleg overgelegde verklaring van de huisarts J. Knap van 29 mei 2007. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat uit deze informatie niet kan worden afgeleid dat er sprake is van verdergaande beperkingen dan door de (bezwaar)verzekeringsarts is aangenomen. Uit het huisartsjournaal van 29 mei 2007 blijkt dat appellant weliswaar melding maakt van pijnklachten, maar dat de huisarts geen afwijkingen kon constateren. De Raad verwijst in dit verband naar het in beroep gegeven commentaar van de bezwaarverzekeringsarts Van Glabbeek, zoals vermeld in zijn rapport van 26 oktober 2007.

7.4. Ten aanzien van bestreden besluit 2 verenigt de Raad zich met het oordeel van de rechtbank en onderschrijft de daaraan in de aangevallen uitspraak 2 ten grondslag gelegde overwegingen. De Raad is van oordeel dat ook bestreden besluit 2 berust op een zorgvuldige medische beoordeling. De verzekeringsarts Schellart-Hokkeling heeft appellant onderzocht en beschikte daarbij over informatie van de huisarts J. Knap van 2 november 2007. De bezwaarverzekeringsarts Cramer heeft appellant eveneens onderzocht en geconcludeerd dat er geen aanwijzingen zijn voor een psychiatrische stoornis, terwijl ook het lichamelijk onderzoek geen afwijkingen liet zien. De bezwaarverzekeringsarts heeft bovendien de informatie van orthopedisch chirurg P.G. Vermes, fysiotherapeut J. Labots en de huisarts meegewogen in zijn oordeel. De Raad is met de bezwaarverzekeringsarts van oordeel dat uit deze gegevens niet blijkt dat de klachten van appellant zijn veranderd, dan wel zijn toegenomen sinds de vorige hersteldmelding, te weten 27 april 2007.

7.5. Hetgeen namens appellant in hoger beroep en ter zitting naar voren is gebracht, heeft de Raad niet tot een ander oordeel kunnen leiden dan de rechtbank in de aangevallen uitspraken 1 en 2. De Raad ziet in de door appellant in hoger beroep ingebrachte nadere informatie van de fysiotherapeut T. Thomsen van 20 januari 2009 en een afsprakenkaart van de pijnpoli van het Sint Lucas Andreas ziekenhuis geen aanknopingspunten om te twijfelen aan de zorgvuldigheid en de volledigheid van de onderzoeken en conclusies van de (bezwaar)verzekeringsartsen. Daarbij merkt de Raad op dat de informatie geen betrekking heeft op de beide data in geding.

7.6. Gelet op hetgeen hiervoor onder 7.3 tot en met 7.5 is overwogen, is de Raad van oordeel dat aan appellant met ingang van 27 april 2007 respectievelijk 7 november 2007 terecht een (verdere) uitkering ingevolge de ZW is geweigerd.

7.7. De Raad komt dan ook tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraken 1 en 2 dienen te worden bevestigd .

8. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake de vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraken 1 en 2.

Deze uitspraak is gedaan door C.P.J. Goorden, in tegenwoordigheid van A.C.A. Wit als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 augustus 2009.

(get.) C.P.J. Goorden.

(get.) A.C.A. Wit.

KR