Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BJ6002

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-08-2009
Datum publicatie
26-08-2009
Zaaknummer
06-4284 WSF + 06-5450 WSF + 09-3490 WSF
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening en terugvordering Studiefinanciering op grond van het bepaalde in artikel 7.1, lid 2, aanhef en onder g, van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000). De Raad heeft in de zaak Förster geoordeeld dat appellante met de Beleidsregel 32 uur in algemene zin geen onjuiste uitleg heeft gegeven aan het begrip werknemer als bedoeld in artikel 39 EG. De Raad ziet in hetgeen van de zijde van betrokkene is aangevoerd geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen.Betrokkene heeft in de aan de orde zijnde maanden in Nederland in het geheel geen werkzaamheden verricht. Appellante kan aan dit beleid reeds hierom geen rechten ontlenen. Met betrekking tot de toepassing van de Beleidsregel van 9 mei 2005 overweegt de Raad dat vast staat dat betrokkene in 2005 niet voldeed aan de voorwaarde van vijf jaar voorafgaand verblijf. Dit betekent dat haar de Beleidsregel van 9 mei 2005 kan worden tegengeworpen. Naar het oordeel van de Raad is geen sprake van bijzondere omstandigheden op grond waarvan appellante van de Beleidsregel van 9 mei 2005 had moeten afwijken. Appellante heeft geen grieven aangevoerd tegen het oordeel van de rechtbank dat een volledige terugvordering als bedoeld in 1 onjuist is, omdat betrokkene recht heeft op een Raulinvergoeding, zodat dit oordeel in hoger beroep niet aan de orde kan komen en vaststaat. De rechtbank heeft bestreden besluit terecht vernietigd, zij het op enigszins andere gronden dan de Raad bezigt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2009/274
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/4284 WSF + 06/5450 WSF + 09/3490 WSF

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de hoofddirectie van de Informatie Beheer Groep (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 23 juni 2006, 05/171 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[Betrokkene], wonende in Duitsland (hierna: betrokkene),

en

appellante.

Datum uitspraak: 21 augustus 2009

I. PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

Appellante heeft gedateerd 11 september 2006 een nieuw besluit op bezwaar (bestreden besluit 2) genomen ter uitvoering van de aangevallen uitspraak.

Bij de Raad is een aantal hoger beroepszaken aanhangig waarin onder meer de vraag aan de orde is of een student die onderdaan is van een lidstaat van de Europese Unie en om studieredenen naar een andere lidstaat is gekomen, een beroep kan doen artikel 12, eerste alinea, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap (EG) ter verkrijging van een beurs om in zijn levensonderhoud te voorzien. De onderhavige zaak maakt deel uit van dit cluster zogenoemde EU-studiefinancieringszaken.

Over de uitleg van genoemd artikel 12 is een aantal vragen gerezen.

De Raad heeft daarom op 16 maart 2007 in de zaak Förster (05/6182) prejudiciële vragen gesteld aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen. Het Hof heeft deze vragen beantwoord bij arrest van 18 november 2008 (C-158/07).

Partijen hebben op dit arrest gereageerd.

Appellante heeft gedateerd 25 juni 2009 een nieuw besluit op bezwaar genomen.

Het onderzoek ter zitting in de onderhavige zaak heeft plaatsgevonden op 26 juni 2009. Appellante was vertegenwoordigd door mr. M. van der Toorn. Betrokkene is niet verschenen.

De Raad heeft op 29 juni 2009 in de zaak Förster uitspraak gedaan (LJN BJ1015).

II. OVERWEGINGEN

1. Betrokkene ontving studiefinanciering in verband met een door haar in september 1998 aangevangen studie politicologie aan de Universiteit van Amsterdam. Bij besluit van 17 december 2004 is de aan haar toegekende studiefinanciering over de maanden januari, februari en maart 2003 herzien en teruggevorderd op grond van het bepaalde in artikel 7.1, lid 2, aanhef en onder g, van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000).

2. Het door betrokkene daartegen gemaakte bezwaar is bij besluit van appellante van 28 januari 2005 ongegrond verklaard. Daarbij heeft appellante erop gewezen dat betrokkene gedurende die periode geen werkzaamheden in Nederland heeft verricht en – in verband met ziekte van haar moeder – woonachtig en werkzaam was in Duitsland. Betrokkene heeft vanuit Duitsland haar studie per april 2003 afgerond en is in Duitsland woonachtig en werkzaam gebleven.

3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van betrokkene tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat appellante een nieuw besluit zal nemen.

Daartoe heeft de rechtbank, kort samengevat, overwogen dat door appellante ten onrechte niet is bezien of betrokkene rechten aan het Europees recht kan ontlenen als gewezen werkneemster. Voorts is de rechtbank tot het oordeel gekomen dat appellante bij het bestreden besluit ten onrechte er geen rekening mee heeft gehouden dat betrokkene recht heeft op een zogenoemde Raulinvergoeding.

4.1.1. Appellante heeft – onder verwijzing naar de destijds vigerende Verordening nr. 1251/70 – tegen deze uitspraak aangevoerd dat betrokkene naar haar mening niet behoort tot de groep van begunstigde personen die als gewezen werknemers in dit geval van belang zijnde rechten hebben.

4.1.2. Appellante heeft voorts gesteld dat betrokkene geen rechten kan ontlenen aan de Beleidsregel controlebeleid migrerend werknemerschap van 4 maart 2005 (Beleidsregel 32 uur), omdat betrokkene in de in geding zijnde periode in het geheel geen werkzaamheden heeft verricht.

4.1.3. In reactie op het arrest in de zaak Förster heeft appellante gesteld dat haar ‘Beleidsregel aanpassing aanvraag studiefinanciering voor studenten uit EU, EER of Zwitserland’ van 9 mei 2005 (Beleidsregel van 9 mei 2005) niet in strijd is met artikel 12 EG en dat betrokkene in 2003 niet aan de voorwaarde van vijf jaar voorafgaand verblijf voldeed.

4.2. Bij besluit van 26 juni 2009 heeft appellante aangegeven dat de terugvordering niet kan steunen op artikel 7.1, lid 2, aanhef en onder g, van de Wsf 2000, doch dient te steunen op artikel 7.1, lid 2, aanhef en onder a, van die wet.

4.3. Betrokkene heeft aangevoerd dat appellante onredelijk handelt door strak vast te houden aan haar Beleidsregel 32 uur.

Voort heeft betrokkene erop gewezen dat zij zich in verband met de gezondheidssituatie van haar moeder gedwongen heeft gevoeld ontslag te nemen bij het architectenbureau waar zij in 2002 werkzaam was. Naar haar opvatting heeft appellante hiermee onvoldoende rekening gehouden.

5.1. De Raad overweegt als volgt.

5.2.1. Appellante voert zoals weergegeven onder 4.1.1 bij het beantwoorden van de vraag of een studerende de status van migrerend werknemer heeft de Beleidsregel 32 uur.

In de Beleidsregel 32 uur is het volgende neergelegd:

“De IB-Groep gaat ervan uit dat iedere studerende, die over de controleperiode 32 uur of meer gemiddeld per maand heeft gewerkt, zonder meer de status van migrerend werknemer heeft en daarmee terecht studiefinanciering heeft ontvangen over het gecontroleerde studiefinancieringstijdvak. Bij het vaststellen van het criterium van 32 uur gemiddeld per maand zal in beginsel eveneens tot een hoogte van één maand rekening worden gehouden met vakanties en eventuele ziekte.”.

5.2.2. De Raad heeft in de zaak Förster geoordeeld dat appellante met de Beleidsregel 32 uur in algemene zin geen onjuiste uitleg heeft gegeven aan het begrip werknemer als bedoeld in artikel 39 EG. De Raad ziet in hetgeen van de zijde van betrokkene is aangevoerd geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen.

5.2.3. Betrokkene heeft in de aan de orde zijnde maanden in Nederland in het geheel geen werkzaamheden verricht. Appellante kan aan dit beleid reeds hierom geen rechten ontlenen.

5.3. Met betrekking tot de toepassing van de Beleidsregel van 9 mei 2005 overweegt de Raad het volgende. Vast staat dat betrokkene in 2005 niet voldeed aan de voorwaarde van vijf jaar voorafgaand verblijf. Dit betekent dat haar de Beleidsregel van 9 mei 2005 kan worden tegengeworpen. Naar het oordeel van de Raad is geen sprake van bijzondere omstandigheden op grond waarvan appellante van de Beleidsregel van 9 mei 2005 had moeten afwijken. Daartoe heeft de Raad van doorslaggevende betekenis geacht dat betrokkene, voorafgaand aan haar verblijf in Nederland, niet anderszins kan wijzen op een reële band met de Nederlandse samenleving.

5.4. De grief van appellante bedoeld in 4.1.1 slaagt. De Raad verwijst kortheidshalve naar de overwegingen 27 en 28 van het arrest van het Hof van 18 november 2008 in de zaak Förster.

Ook betrokkene verkeerde niet in één van de omstandigheden als daar omschreven en zij kan niet worden aangemerkt als een onderdaan van een andere lidstaat die een betrekking heeft vervuld in de zin van artikel 1 van de Verordening nr. 1251/70. De door betrokkene aangegeven redenen voor het nemen van ontslag maken dit niet anders.

5.5. Appellante heeft geen grieven aangevoerd tegen het oordeel van de rechtbank dat een volledige terugvordering als bedoeld in 1 onjuist is, omdat betrokkene recht heeft op een Raulinvergoeding, zodat dit oordeel in hoger beroep niet aan de orde kan komen en vaststaat.

6. Het vorenstaande, gelet ook op hetgeen is overwogen onder 4.2, leidt tot het oordeel dat bestreden besluit 1 niet rechtmatig is. De rechtbank heeft bestreden besluit 1 terecht vernietigd, zij het op enigszins andere gronden dan de Raad bezigt.

7.1. Bij besluit van 25 juni 2009 heeft appellante voorts aangegeven dat bestreden besluit 2 onjuist is, daar dit besluit rust op een onjuiste terugvorderingsgrondslag. Het beroep dat wordt geacht tegen dit besluit te zijn ingediend, dient mitsdien gegrond te worden verklaard en het besluit dient te worden vernietigd.

7.2. Het beroep dat wordt geacht tegen het besluit van 25 juni 2009 te zijn ingediend, dient ongegrond te worden verklaard. Betrokkene heeft tegen dit besluit, waarbij met de terugvordering alsnog rekening is gehouden met het recht op een Raulinvergoeding geen specifieke grieven ingediend. Gelet hierop hoeft appellante geen nieuw besluit op bezwaar te nemen. De aangevallen uitspraak zal in zoverre worden vernietigd.

8. Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak, voor zover daarin opdracht is gegeven tot het nemen van een nieuw besluit;

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

Verklaart het beroep gericht tegen het besluit van 11 september 2006 gegrond en vernietigt dat besluit;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 25 juni 2009 ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door G. van der Wiel als voorzitter en J. Brand en I.M.J. Hilhorst-Hagen als leden, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 augustus 2009.

(get.) G. van der Wiel.

(get.) T.J. van der Torn.

TM