Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BJ5993

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-08-2009
Datum publicatie
26-08-2009
Zaaknummer
08-2064 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering. Hieraan heeft het College ten grondslag gelegd dat appellant de inlichtingenverplichting heeft geschonden door het College geen mededeling te doen van werkzaamheden die hij in de laatstgenoemde maanden heeft verricht in de autohandel, waardoor het recht op bijstand niet is vast te stellen. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat de onderzoeksbevindingen een toereikende grondslag bieden voor het standpunt van het College dat in november 1998, november 1999 en mei 2005 sprake was van autohandel. Dit brengt met zich dat als gevolg van de schending van de inlichtingenverplichting niet kan worden vastgesteld of en zo ja, in welke mate appellant over de maanden hier van belang in bijstandbehoevende omstandigheden heeft verkeerd, zodat het recht op bijstand over deze maanden niet kan worden vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2009, 224
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/2064 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 26 februari 2008, 07/1859 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Delft (hierna: College)

Datum uitspraak: 18 augustus 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. R.M.L. Theelen, advocaat te ’s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 juli 2009. Appellant is verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A. Blok, werkzaam bij de gemeente Delft.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant ontving sedert 1 november 1984 met onderbrekingen bijstand, laatstelijk naar de norm voor een alleenstaande op grond van de Wet werk en bijstand (WWB).

1.2. Uit informatie van de Dienst voor het Wegverkeer (RDW) is gebleken dat appellant geen mededeling aan het College heeft gedaan van dertien auto’s, die in de periode vanaf 1 juli 1997 op zijn naam hebben gestaan. Hierop is een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand. De bevindingen van dat onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 30 maart 2006.

1.3. Naar aanleiding van de onderzoeksresultaten heeft het College bij besluit van 25 april 2006 de bijstand van appellant over september 1997, oktober en november 1998, november en december 1999 en januari en mei 2005 ingetrokken en de gemaakte kosten van bijstand over die maanden tot een bedrag van € 6.879,11 van appellant teruggevorderd.

1.4. Bij besluit van 6 februari 2007 heeft het College, voor zover hier van belang, het bezwaar van appellant tegen het besluit van 25 april 2006 gedeeltelijk gegrond verklaard in die zin dat uitsluitend de bijstand over november 1998, november 1999 en mei 2005 wordt ingetrokken en dat de gemaakte kosten van bijstand over die maanden tot een bedrag van € 2.982,26 worden teruggevorderd. Hieraan heeft het College ten grondslag gelegd dat appellant de inlichtingenverplichting heeft geschonden door het College geen mededeling te doen van werkzaamheden die hij in de laatstgenoemde maanden heeft verricht in de autohandel, waardoor het recht op bijstand niet is vast te stellen.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van

6 februari 2007 ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd. Hij heeft aangevoerd dat geen sprake was van autohandel.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat de onderzoeksbevindingen een toereikende grondslag bieden voor het standpunt van het College dat in november 1998, november 1999 en mei 2005 sprake was van autohandel. In die maanden werd telkens een auto, die gedurende korte tijd - niet langer dan vier maanden - op naam van appellant stond, overgeschreven op naam van een derde. In de maand november 1998 stonden nog twee andere auto’s op naam van appellant en in november 1999 nog drie andere auto’s. De stelling van appellant dat hij de in november 1998 overgeschreven auto naar de sloop heeft gebracht acht de Raad niet geloofwaardig. Uit de gegevens van de RDW volgt dat deze auto voorafgaand aan de sloop op 14 juni 2001 reeds door appellant was overgedragen aan een derde. De Raad volgt appellant niet in zijn stelling dat de in mei 2005 overgeschreven auto bij wijze van vriendendienst op zijn naam stond. Niet gebleken is dat appellant belangeloos heeft gehandeld. De enkele stelling van appellant dat hij € 200,-- heeft verdiend met de verkoop van de in november 1999 overgeschreven auto volgt de Raad evenmin, nu deze stelling niet met concrete, verifieerbare gegevens is onderbouwd. Voorts acht de Raad van betekenis dat appellant bij brief van 6 maart 2006 onder meer heeft verklaard dat hij auto’s heeft verkocht. Deze transacties moeten worden aangemerkt als op geld waardeerbare activiteiten, waarvan het appellant duidelijk moet zijn geweest dat zij van invloed konden zijn op - de omvang van - zijn recht op bijstand. De Raad is dan ook van oordeel dat appellant ten tijde hier van belang de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden. Appellant heeft van de transacties geen administratie bijgehouden. Dit brengt met zich dat als gevolg van de schending van de inlichtingenverplichting niet kan worden vastgesteld of en zo ja, in welke mate appellant over de maanden hier van belang in bijstandbehoevende omstandigheden heeft verkeerd, zodat het recht op bijstand over deze maanden niet kan worden vastgesteld.

4.2. Gelet op het vorenstaande was het College bevoegd om met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB de bijstand over november 1998, november 1999 en mei 2005 in te trekken. In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat het College bij afweging van de hierbij betrokken belangen in redelijkheid geen gebruik heeft kunnen maken van zijn intrekkingsbevoegdheid.

4.3. Met hetgeen in 4.2 is overwogen is tevens gegeven dat het College op grond van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB bevoegd was de gemaakte kosten van bijstand over november 1998, november 1999 en mei 2005 van appellant terug te vorderen. Het College heeft gehandeld in overeenstemming met zijn beleid inzake terugvordering. In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Raad geen bijzondere omstandigheden op grond waarvan het College met overeenkomstige toepassing van artikel 4:84 (slot) van de Algemene wet bestuursrecht geheel of ten dele van dat beleid had moeten afwijken.

4.4. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd voor zover aangevochten.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door J.C.F. Talman als voorzitter en A.B.J. van der Ham en J.F. Bandringa als leden, in tegenwoordigheid van M.C.T.M. Sonderegger als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 augustus 2009.

(get.) J.C.F. Talman.

(get.) M.C.T.M. Sonderegger.

DW