Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BJ5943

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-08-2009
Datum publicatie
25-08-2009
Zaaknummer
08-1166 WWB + 08-1168 WWB + 08-1917 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening bijstandsuitkering. Terugvordering. Voorlopige teruggave Inkomstenbelasting en Premie volksverzekeringen. Dubbel hoger beroep. De rechtbank is buiten de omvang van het geding getreden. Namens betrokkene is uitsluitend de terugvordering van gemaakte kosten van bijstand over 2003 tot een bedrag van € 1.740,-- en over december 2004 tot een bedrag van € 115,08 bestreden. In hoger beroep heeft het College aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat betrokkene het bedrag van € 2.371,--, dat zij van de Belastingdienst over het jaar 2003 heeft ontvangen, aan het College dient terug te betalen. Met partijen stelt de Raad vast dat de rechtbank op basis van een onjuiste lezing tot dit bedrag is gekomen. Voorts heeft het College in hoger beroep nader toegelicht dat betrokkene in 2003 in totaal een bedrag van € 1.740,-- aan heffingskortingen heeft ontvangen, dat op de bijstandsuitkering in mindering moet worden gebracht. Betrokkene heeft op zichzelf erkend dat zij in 2003 € 1.740,-- teveel aan bijstanduitkering heeft ontvangen. De Raad is derhalve van oordeel dat de door het College in hoger beroep aangevoerde grond slaagt. Volstaan met terugvordering van het nettobedrag. Geen dringende redenen om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien. Zesmaanden-jurisprudentie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2009, 218
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/1166 WWB + 08/1168 WWB + 08/1917 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op de hoger beroepen van:

[Betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene),

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Bergen op Zoom (hierna: College)

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 8 januari 2008, 07/2745 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

betrokkene

en

het College

Datum uitspraak: 11 augustus 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens betrokkene heeft R.G.A.T. van Toor, wonende te Bergen op Zoom, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft eveneens hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene is een verweerschrift ingediend. Ook het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 juli 2009. Namens betrokkene is Van Toor verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.B. Evertz, werkzaam bij de gemeente Bergen op Zoom.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Betrokkene heeft vanaf 10 september 1993 bijstand ontvangen, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB).

1.2. Op basis van een voorlopige teruggaaf Inkomstenbelasting en Premie volksverzekeringen 2003 van de Belastingdienst, gedagtekend 15 september 2003, is aan betrokkene € 2.371,-- uitbetaald. Dit bedrag berust mede op de aan betrokkene verstrekte heffingskortingen, bestaande uit de combinatiekorting, de alleenstaande ouderkorting en de aanvullende alleenstaande ouderkorting. Hoewel betrokkene op de rechtmatigheidsonderzoekformulieren over de maanden september tot en met december 2003 aan het College opgave heeft gedaan van inkomsten uit de voorlopige teruggave, zijn de opgegeven inkomsten niet in mindering gebracht op haar bijstandsuitkering. Op de bijstandsuitkering van betrokkene over de maand december 2004 zijn in mindering gebracht de inkomsten bestaande uit de combinatiekorting en de aanvullende alleenstaande ouderkorting, maar niet de verstrekte alleenstaande ouderkorting. Bij besluit van 27 april 2006 heeft het College de over 2003 en december 2004 gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 1.740,-- netto respectievelijk € 115,08 netto van betrokkene teruggevorderd. Bij besluit van 10 april 2007 heeft het College, met wijziging van de juridische grondslag, het bezwaar tegen het besluit van 27 april 2006 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van betrokkene tegen het besluit van 10 april 2007 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd voor wat betreft de terugvordering van gemaakte kosten van bijstand over 2003 en het College opgedragen met inachtneming van haar uitspraak een nieuw besluit op bezwaar te nemen. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat het College weliswaar op goede gronden de bijstandsuitkering over 2003 heeft ingetrokken (lees: herzien), maar dat het besluit van 10 april 2007 wat betreft het bedrag van terugvordering ten bedrage van € 1.740,-- aan een motiveringsgebrek lijdt. De rechtbank heeft tevens overwogen dat betrokkene door het besluit tot terugvordering geen financieel nadeel heeft geleden, omdat zij het door de Belastingdienst betaalde bedrag van € 2.371,-- dient terug te betalen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het College terecht de bijstand over december 2004 ingetrokken (lees: herzien) en de gemaakte kosten van bijstand over die maand tot een bedrag van € 115,08 teruggevorderd.

3. Betrokkene en het College hebben zich in hoger beroep gemotiveerd gekeerd tegen de aangevallen uitspraak.

4. Ter uitvoering van de aangevallen uitspraak heeft het College bij besluit van 29 januari 2008 het bezwaar van betrokkene tegen het besluit van 27 april 2006 opnieuw ongegrond verklaard.

5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

5.1. De Raad stelt eerst ambtshalve vast dat de rechtbank buiten de omvang van het geding is getreden voor zover zij een oordeel heeft gegeven over de herziening van bijstand over 2003 en december 2004. Namens betrokkene is uitsluitend de terugvordering van gemaakte kosten van bijstand over 2003 tot een bedrag van € 1.740,-- en over december 2004 tot een bedrag van € 115,08 bestreden. Daarmee heeft de rechtbank gehandeld in strijd met artikel 8:69, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Op grond van deze bepaling dient de bestuursrechter immers, behoudens de - in dit geval niet aan de orde zijnde - verplichte ambtshalve toetsing van het in beroep bestreden besluit aan die geschreven en ongeschreven rechtsregels en algemene rechtsbeginselen die geacht moet worden van openbare orde te zijn, de door de indiener van het beroepschrift aangevoerde beroepsgronden als uitgangspunt te nemen. Betrokkene heeft het besluit van het College tot herziening van bijstand over 2003 en december 2004 niet betwist, zodat de rechtbank ten onrechte een oordeel heeft gegeven over dat besluit.

5.2. In hoger beroep heeft het College aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat betrokkene het bedrag van € 2.371,--, dat zij van de Belastingdienst over het jaar 2003 heeft ontvangen, aan het College dient terug te betalen. Met partijen stelt de Raad vast dat de rechtbank op basis van een onjuiste lezing tot dit bedrag is gekomen. Voorts heeft het College in hoger beroep nader toegelicht dat betrokkene in 2003 in totaal een bedrag van € 1.740,-- aan heffingskortingen heeft ontvangen, dat op de bijstandsuitkering in mindering moet worden gebracht. Betrokkene heeft op zichzelf erkend dat zij in 2003 € 1.740,-- teveel aan bijstanduitkering heeft ontvangen. De Raad is derhalve van oordeel dat de door het College in hoger beroep aangevoerde grond slaagt.

5.3. Zoals hiervoor onder 5.2 overwogen, heeft betrokkene het besluit, waarbij het College onder toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a en b, van de WWB de bijstand over het jaar 2003 heeft herzien, niet aangevochten. Dit geldt eveneens voor het besluit tot herziening van de bijstand over de maand december 2004 op grond van artikel 54, derde lid, aanhef en onder b, van de WWB. Daaruit vloeit voort dat aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB is voldaan, zodat het College bevoegd was om de te veel gemaakte kosten van bijstand over 2003 en december 2004 van betrokkene terug te vorderen. De Raad stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat aan betrokkene over 2003 tot een bedrag van € 1.740,-- netto teveel aan bijstand is verleend en over december 2004 tot een bedrag van € 115,08 netto. Het beleid van het College is dat van terugvordering slechts bij hoge uitzondering kan worden afgezien indien sprake is van zeer dringende redenen, bijvoorbeeld acute levensbedreigende noodsituaties. In hetgeen betrokkene heeft aangevoerd acht de Raad geen dringende redenen gelegen om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien. Het besluit tot terugvordering is derhalve in overeenstemming met dit beleid van het College. De Raad merkt nog op dat het College geen gebruik heeft gemaakt van de bevoegdheid ingevolge artikel 58, vierde lid, van de WWB om het bruto bedrag terug te vorderen, maar heeft volstaan met terugvordering van het nettobedrag.

5.4. In hetgeen betrokkene heeft aangevoerd ziet de Raad evenmin grond voor het oordeel dat het College, met overeenkomstige toepassing van artikel 4:84 (slot) van de Awb, in afwijking van dit beleid geheel of gedeeltelijk van terugvordering had moeten aanzien. Op grond van de door de Raad ontwikkelde zesmaanden-jurisprudentie wordt de bevoegdheid van een bestuursorgaan om onverschuldigd betaalde uitkering terug te vorderen in tijd beperkt indien niet adequaat wordt gereageerd op signalen van een betrokkene waaruit kan worden afgeleid dat te veel of ten onrechte uitkering wordt verstrekt. Onder een signaal dient in dit verband te worden verstaan relevante informatie van de belanghebbende, waaruit concreet kan worden afgeleid dat er sprake is van een fout op grond waarvan het bestuursorgaan actie dient te ondernemen. Na een dergelijk signaal heeft het bestuursorgaan nog zes maanden om daarop actie te ondernemen. Over de periode gelegen na die zes maanden kan dan niet meer gebruik worden gemaakt van de bevoegdheid tot terugvordering zonder in strijd te komen met het zorgvuldigheidsbeginsel. De Raad is van oordeel dat het College weliswaar niet adequaat heeft gereageerd op de opgave van betrokkene van inkomsten op de ingeleverde formulieren over de maanden september tot en met december 2003, maar stelt anderzijds ook vast dat appellante niet, zoals in een brief van 19 september 2002 en op de rechtmatigheidsformulieren aan haar is gevraagd, zo spoedig mogelijk de voorlopige teruggaaf over 2003 en de bank- of giroafschriften met betrekking tot de maandelijks ontvangen heffingskortingen aan het College heeft doen toekomen. Voorts heeft zij op de beschikbare inkomstenformulieren over september 2003, november 2003 en december 2003 niet de juiste, in die maanden ontvangen bedragen aan heffingskortingen vermeld. Reeds omdat niet gezegd kan worden dat appellante over 2003 volledig aan haar inlichtingenverplichting heeft voldaan is de Raad van oordeel dat het College appellante niet te kort heeft gedaan door de terugvordering over dat jaar te beperken tot de netto te veel betaalde bijstand. Dat is niet anders voor zover het gaat om de terugvordering van de netto betaalde bijstand over december 2004. Die terugvordering ziet slechts op een periode van één maand.

5.5. Uit hetgeen in 5.3 en 5.4 is overwogen volgt dat de door betrokkene in hoger beroep aangevoerde gronden niet slagen.

5.6. De Raad komt tot de conclusie dat de aangevallen uitspraak, voor zover door het College aangevochten, voor vernietiging in aanmerking komt. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep tegen het besluit van 10 april 2007 ongegrond verklaren. Met de vernietiging van de aangevallen uitspraak is tevens de grondslag komen te ontvallen aan het ter uitvoering van de uitspraak van de rechtbank genomen besluit van 29 januari 2008. Dit betekent dat het besluit van 29 januari 2008 eveneens voor vernietiging in aanmerking komt.

5.7. Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak, voor zover deze door het College is aangevochten;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 10 april 2007 ongegrond;

Vernietigt het besluit van 29 januari 2008.

Deze uitspraak is gedaan door G.A.J. van den Hurk als voorzitter en J.F. Bandringa en O.L.H.W.I. Korte als leden, in tegenwoordigheid van M.C.T.M. Sonderegger als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 augustus 2009.

(get.) G.A.J. van den Hurk.

(get.) M.C.T.M. Sonderegger.

DW