Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BJ5936

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-08-2009
Datum publicatie
25-08-2009
Zaaknummer
07-5662 WWB + 07-5663 WWB + 07-5664 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verlaging bijstandsuitkering met ingang van 1) 1 december 2005 gedurende één maand met € 300,--, 2) 1 juni 2006 gedurende één maand met 100%, en 3) 1 augustus 2006 voor de duur van twee maanden met 100%. Rechtsgeldig mandaatbesluit. 1) Niet voldaan aan de op hem rustende (arbeids)verplichting. Niet kan worden gezegd dat elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt. 2) en 3) Een concreet aanbod voor een baan als vuilbelader heeft appellant afgewezen. Schending van de op hem rustende (arbeids)verplichting. Niet kan worden gezegd dat elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt. Gedragingen van appellant terecht gekwalificeerd als gedragingen van de vierde categorie. Geen redenen op grond waarvan een lagere maatregel had moeten worden opgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2009, 217
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/5662 WWB + 07/5663 WWB + 07/5664 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 13 september 2007, 06/1957, 06/3595 en 06/4172 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amersfoort (hierna: College)

Datum uitspraak: 11 augustus 2009

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 mei 2009. Appellant is verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door J.H. de Vos, werkzaam bij de gemeente Amersfoort.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.

1.1. Appellant ontvangt vanaf 1 december 2000 bijstand naar de norm voor een alleenstaande, laatstelijk op grond van de Wet werk en bijstand (WWB).

1.2. Bij besluit van 12 juni 2006 (hierna: besluit I) heeft het College gehandhaafd het primaire besluit van 23 november 2005 waarbij de uitkering van appellant met ingang van 1 december 2005 gedurende één maand is verlaagd met € 300,--.

1.3. Bij besluit van 15 september 2006 (hierna: besluit II) heeft het College, voor zover hier van belang, zijn primaire besluit van 17 mei 2006 gehandhaafd, waarbij de uitkering van appellant met ingang van 1 juni 2006 gedurende één maand is verlaagd met 100%.

1.4. Bij besluit van 13 november 2006 (hierna: besluit III) heeft het College zijn primaire besluit van 26 juli 2006 gehandhaafd, waarbij de uitkering van appellant met ingang van 1 augustus 2006 voor de duur van twee maanden is verlaagd met 100%.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de beroepen tegen de besluiten I, II en III ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd. Hij bestrijdt de rechtmatigheid van (de handhaving van) de opgelegde verlagingen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Uit de gedingstukken alsmede uit de door de gemachtigde van het College, onder verwijzing naar de Gemeentewet en het Reglement van orde van de gemeente Amersfoort, nader gegeven toelichting ter zitting, is de Raad gebleken dat de wethouder sociale zaken en werkgelegenheid bevoegd was te beslissen op de bezwaarschriften van appellant. Uit de vermelding dat het hier een hamerstuk betrof volgt genoegzaam dat het mandaatbesluit op de voet van artikel 7, eerste lid, van het Reglement van orde van de gemeente Amersfoort tot stand is gekomen. De Raad verwijst hierbij tevens naar zijn eerdere uitspraak in een geding tussen appellant en het College van 19 februari 2008, LJN BC4721, waarin hij heeft geoordeeld dat sprake was van een rechtsgeldig mandaatbesluit.

4.2. Aangaande de verlaging van € 300,-- over december 2005 stelt de Raad, evenals de rechtbank, vast dat appellant op 22 september en op 27 september 2005 geen gehoor heeft gegeven aan uitnodigingen van een medewerker van Banenplan. Hiermee heeft appellant niet voldaan aan de op hem rustende (arbeids)verplichting als bedoeld in artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, van de WWB. Van deze gedraging kan niet worden gezegd dat elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt. Hieruit vloeit voort dat het College op grond van artikel 18, tweede lid, van de WWB gehouden was de bijstand te verlagen.

4.3. De hoogte van de verlaging is in overeenstemming met artikel 6, vierde lid, onder b, en artikel 7, eerste lid, aanhef en onder c van de (ten tijde hier van belang geldende) Verordening maatregelen Wet werk en bijstand 2004 (hierna: Verordening 2004) bepaald op € 300,--. De Raad ziet geen grond om aan te nemen dat het College aanleiding had moeten zien om de vastgestelde verlaging te matigen met toepassing van artikel 2, tweede lid, van Verordening 2004 in verbinding met artikel 18, eerste lid, van de WWB. De Raad ziet in hetgeen appellant heeft aangevoerd evenmin dringende redenen als bedoeld in artikel 4, tweede lid, van de Verordening 2004 op grond waarvan van het opleggen van een verlaging kan worden afgezien.

4.4. Wat betreft de verlagingen van 100% gedurende één, respectievelijk twee maanden is de Raad met de rechtbank van oordeel dat uit de gedingstukken genoegzaam naar voren komt dat appellant op 6 april 2006, respectievelijk op 29 juni 2006 een concreet aanbod voor een baan als vuilbelader bij [naam werkgever] is gedaan en dat appellant beide aanbiedingen van de hand heeft gewezen. Aldus heeft appellant de op hem rustende (arbeids)verplichting als bedoeld in artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB geschonden. Voor het oordeel dat het hier geen algemeen geaccepteerde arbeid zou betreffen heeft de Raad geen aanknopingspunten gevonden. In hetgeen door appellant is aangevoerd ziet de Raad onvoldoende rechtvaardiging voor het weigeren van de aangeboden arbeid. Van deze gedragingen kan dan ook niet worden gezegd dat elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt, zodat het College op grond van artikel 18, tweede lid, van de WWB gehouden was de bijstand te verlagen.

4.5. De Raad is van oordeel dat het College de gedragingen van appellant terecht heeft gekwalificeerd als gedragingen van de vierde categorie als bedoeld in artikel 6, vierde lid, onder j, van de (ten tijde hier van belang geldende) Verordening maatregelen Wet werk en bijstand 2006 (hierna: Verordening 2006). De Raad stelt voorts vast dat de opgelegde verlagingen in overeenstemming zijn met artikel 7, eerste lid, aanhef en onder d, van de Verordening 2006 en artikel 10, tweede lid (in verband met recidive), van de Verordening 2006. Onder verwijzing naar het slot van 4.3 geldt dat de Raad ook voor deze verlagingen geen redenen ziet op grond waarvan een lagere maatregel had moeten worden opgelegd.

4.6. Uit hetgeen onder 4.1 tot en met 4.5 is overwogen volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling tot schadevergoeding is bij deze uitkomst van de procedure geen plaats. De Raad ziet voorts geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;

Wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter en R. Kooper en W.F. Claessens als leden, in tegenwoordigheid van N.L.E.M. Bynoe als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 augustus 2009.

(get.) N.J. van Vulpen-Grootjans.

(get.) N.L.E.M. Bynoe.

IJ