Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BJ5888

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-08-2009
Datum publicatie
25-08-2009
Zaaknummer
07-3644 WAO
Rechtsgebieden
Civiel recht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAO-uitkering. Met betrekking tot de medische grondslag. Ziet de Raad, anders dan appellante, in de wijziging van de FML geen gewijzigde mening van het Uwv over de belastbaarheid van appellante. Bij deze wijziging zijn enkele zogenoemde beperkende toelichtingen alsnog vertaald naar een bij het betreffende aspect aangegeven beperking. Naar het oordeel van de Raad heeft het Uwv daarmee in zoverre juist gehandeld. Ten aanzien van de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit is de Raad van oordeel, dat in het bestreden besluit als beslissing van het Uwv is neergelegd dat appellante geschikt is voor de maatgevende arbeid, welk standpunt het Uwv in eerste aanleg heeft verlaten, en subsidiair dat appellante geschikt is voor de haar geduide functies. De stelling van appellante dat in het bestreden besluit uitsluitend zou zijn neergelegd dat appellante geschikt is voor de maatgevende arbeid rust op een onjuiste lezing van het besluit en kan mitsdien niet slagen. De Raad is voorts van oordeel dat het Uwv in hoger beroep tot een deels gewijzigde functieduiding heeft kunnen overgaan door binnen een zelfde sbc-code gebruik te maken van een andere functie. Naar de Raad meermalen heeft geoordeeld is dit in beginsel niet ongeoorloofd. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat de aan de uiteindelijke schatting ten grondslag gelegde functies niet in het verlengde liggen van de oorspronkelijk aan de schatting ten grondslag gelegde functies. Van een overschrijding van de volgens de FML toegestane arbeidsduur per week is geen sprake. Mogelijke overschrijding van de belastbaarheid in verband met eventuele wisselingen in taken en werkplekken ziet de Raad genoegzaam toegelicht in het rapport van de bezwaararbeidsdeskundige van 5 december 2007. Geen termen aanwezig geacht om de geschiktheid van de geduide functies in medisch opzicht in twijfel te trekken. De grief van appellante dat zij niet voldoet aan de ervaringseis die wordt gesteld in de functie van media adviseur (sbc-code 516180) faalt. Schending redelijke termijn zowel in de bestuurlijke als in de rechterlijke fase. De Raad verbindt hieraan de gevolgtrekking dat in deze procedure, voor zover nodig met verdragsconforme toepassing van artikel 8:73 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), moet worden beslist omtrent appellantes verzoek om schadevergoeding met betrekking tot de mogelijke overschrijding van de redelijke termijn zowel in de bestuurlijke als in de rechterlijke fase. Dit geeft aanleiding om het onderzoek te heropenen. Met verdragsconforme toepassing van artikel 8:26 van de Awb merkt de Raad naast het Uwv de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie) aan als partij in die procedure.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/3644 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 10 mei 2007, 05/2278 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 19 augustus 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft R.T. van Baarlen van De Fiscount Adviesgroep B.V. te Zwolle, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 1 februari 2008 heeft het Uwv stukken aan de Raad gezonden, waaronder een door een bezwaarverzekeringsarts aangepaste Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 4 december 2007 en een rapport van een bezwaararbeidsdeskundige van 5 december 2007. Namens appellante is op deze stukken gereageerd bij brief van 18 februari 2008, met als bijlage onder meer brieven van revalidatiearts M.A.P. Klatte van 6 april en 5 oktober 2007. Het Uwv heeft vervolgens rapporten ingezonden van een bezwaarverzekeringsarts en een bezwaararbeidsdeskundige. Namens appellante is hierop gereageerd bij brief van 10 december 2008.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 juli 2009. Voor appellante is R.T. van Baarlen verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.C.P. Veldman.

II. OVERWEGINGEN

1. Bij besluit van 10 januari 2005 heeft het Uwv de uitkering van appellante ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), welke laatstelijk werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, met ingang van 25 januari 2005 ingetrokken, onder de overweging dat de mate van appellantes arbeidsongeschiktheid met ingang van laatstgenoemde datum minder dan 15% was.

2. Appellante heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Bij besluit van 18 november 2005 (het bestreden besluit) heeft het Uwv dit bezwaar ongegrond verklaard.

3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dit besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven. De rechtbank heeft voorts beslissingen gegeven over proceskosten en griffierecht. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat zij de medische en de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit niet onjuist acht, maar dat het Uwv de noodzakelijke onderbouwing van het bestreden besluit eerst in beroep heeft gegeven.

4. In hoger beroep heeft appellante diverse grieven van medische en arbeidskundige aard naar voren gebracht.

5. De Raad overweegt het volgende.

5.1. De Raad stelt vast dat het Uwv in hoger beroep het bestreden besluit van een nadere onderbouwing heeft voorzien door wijzigingen aan te brengen in de FML alsmede in de functies die aan de schatting ten grondslag zijn gelegd.

5.2. Ten aanzien van de medische grondslag van het bestreden besluit heeft de Raad geen termen aanwezig geacht om tot een ander oordeel te komen dan de rechtbank in de aangevallen uitspraak. De door appellante ingezonden brieven van de revalidatiearts hebben de Raad niet tot een ander oordeel kunnen leiden. De Raad kan zich verenigen met hetgeen de bezwaarverzekeringsarts van het Uwv daarover heeft gesteld in zijn rapport van 4 april 2008. Overigens ziet de Raad, anders dan appellante, in de wijziging van de FML geen gewijzigde mening van het Uwv over de belastbaarheid van appellante. Bij deze wijziging zijn enkele zogenoemde beperkende toelichtingen alsnog vertaald naar een bij het betreffende aspect aangegeven beperking. Naar het oordeel van de Raad heeft het Uwv daarmee in zoverre juist gehandeld.

5.3. Ten aanzien van de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit is de Raad van oordeel, dat in het bestreden besluit als beslissing van het Uwv is neergelegd dat appellante geschikt is voor de maatgevende arbeid, welk standpunt het Uwv in eerste aanleg heeft verlaten, en subsidiair dat appellante geschikt is voor de haar geduide functies. De stelling van appellante dat in het bestreden besluit uitsluitend zou zijn neergelegd dat appellante geschikt is voor de maatgevende arbeid rust op een onjuiste lezing van het besluit en kan mitsdien niet slagen.

5.4. De stellingen van appellante dat het Uwv de geduide functies niet alle aan appellante heeft aangezegd en dat het Uwv deze functies ten onrechte in bezwaar en in hoger beroep heeft gewijzigd, kunnen evenmin slagen. Bij brief van 24 november 2004 heeft een arbeidsdeskundige van het Uwv het arbeidskundig rapport van 18 november 2004 aan appellante gezonden. Dit rapport is tot stand gekomen na een gesprek van de arbeidsdeskundige met appellante, waarin de geschiktheid van appellante voor gangbare arbeidsmogelijkheden aan de orde is gekomen. Blijkens het rapport is appellante geschikt geacht voor de volgende functies: bankmedewerker (sbc-code 516190), gastvrouw gemeentelijk museum (sbc-code 342021), verkoper/verkooptelefoniste (sbc-code 317012), acquisiteur/ media adviseur (sbc-code 516180), schadecorrespondent/mutalist zorgverzekeraar (sbc-code 516080), assistente studiezaal en inlichtingen bibliotheek (sbc-code 315130) en telefonist/centralist openbaar nutsbedrijf (sbc-code 315170). Na een eerdere wijziging in bezwaar zijn uiteindelijk in hoger beroep de volgende functies geschikt geacht voor appellante: medewerker service en informatie/mutalist (sbc-code 516080), media adviseur (sbc-code 516180), informatiebeheer medewerker (sbc-code 315130), verkoop telefonist (sbc-code 317012), kas/balie medewerker (sbc-code 516190) en medewerker publieksbalie (sbc-code 342021). Van deze laatste functies zijn de eerste drie gebruikt voor de berekening van de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante. Uit het bovenstaande ziet de Raad niet voortvloeien dat de drie uiteindelijk voor de schatting gebruikte functies niet aan appellante zouden zijn aangezegd. De Raad is voorts van oordeel dat het Uwv in hoger beroep tot een deels gewijzigde functieduiding heeft kunnen overgaan door binnen een zelfde sbc-code gebruik te maken van een andere functie. Naar de Raad meermalen heeft geoordeeld is dit in beginsel niet ongeoorloofd. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat de aan de uiteindelijke schatting ten grondslag gelegde functies niet in het verlengde liggen van de oorspronkelijk aan de schatting ten grondslag gelegde functies.

5.5. De overige grieven van arbeidskundige aard, voor zover deze betrekking hebben op de eerste drie aan de uiteindelijke schatting ten grondslag gelegde functies, kunnen niet slagen.

5.6. Van een overschrijding van de volgens de FML toegestane arbeidsduur per week is geen sprake. Mogelijke overschrijding van de belastbaarheid in verband met eventuele wisselingen in taken en werkplekken ziet de Raad genoegzaam toegelicht in het rapport van de bezwaararbeidsdeskundige van 5 december 2007, terwijl van enige overschrijding op de aspecten 4.6 (werken met toetsenbord en muis) en 5.4 (staan tijdens het werk) geen sprake is. Een mogelijke overschrijding op aspect 4.17 (hoofdbewegingen maken) in de functies onder sbc-code 516180 en sbc-code 516080 ziet de Raad genoegzaam toegelicht in het rapport van de bezwaararbeidsdeskundige van 8 april 2008. De Raad acht hierin de grens naar een ontoelaatbare relativering niet overschreden. Daarbij heeft de Raad laten meewegen dat de door de bezwaararbeidsdeskundige mogelijk geachte voorzieningen om overschrijding van de belastbaarheid te voorkomen, zo al niet algemeen gebruikelijk, zeker niet ongebruikelijk zijn en eenvoudig door de werkgever kunnen worden gerealiseerd. Ook overigens heeft de Raad geen termen aanwezig geacht om de geschiktheid van de geduide functies in medisch opzicht in twijfel te trekken.

5.7. De grief van appellante dat zij niet voldoet aan de ervaringseis die wordt gesteld in de functie van media adviseur (sbc-code 516180) faalt op de gronden weergegeven in de rapporten van de bezwaararbeidsdeskundigen van 27 juli 2006 en 5 december 2007, waarmee de Raad zich kan verenigen.

6. Appellante heeft de Raad verzocht om schadevergoeding in verband met overschrijding van de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), zowel in de bestuurlijke als in de rechterlijk fase.

6.1. De vraag of de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6 van het EVRM is overschreden, moet worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. Daarbij zijn van betekenis de ingewikkeldheid van de zaak, de wijze waarop de zaak door het bestuursorgaan en de rechter is behandeld, het processuele gedrag van appellante gedurende de gehele procesgang en de aard van de maatregel en het daardoor getroffen belang.

6.2. Vanaf de ontvangst door het Uwv van het bezwaarschrift van appellante op 18 februari 2005 tot de datum van deze uitspraak zijn vier jaar en zes maanden verstreken. Van dit tijdsverloop heeft de behandeling van het bezwaar door het Uwv negen maanden geduurd. De behandeling van het beroep bij de rechtbank heeft vanaf de ontvangst van het beroepschrift op 29 december 2005 tot de uitspraak op 10 mei 2007 een jaar en ruim vier maanden geduurd en de behandeling van het hoger beroep door de Raad vanaf de ontvangst van het hoger-beroepschrift op 22 juni 2007 tot deze uitspraak twee jaar en ongeveer twee maanden. Hieraan kan het vermoeden worden ontleend dat de redelijke termijn zowel in de bestuurlijke als in de rechterlijke fase is overschreden.

6.3. De Raad verbindt hieraan de gevolgtrekking dat in deze procedure, voor zover nodig met verdragsconforme toepassing van artikel 8:73 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), moet worden beslist omtrent appellantes verzoek om schadevergoeding met betrekking tot de mogelijke overschrijding van de redelijke termijn zowel in de bestuurlijke als in de rechterlijke fase. Dit geeft aanleiding om het onderzoek te heropenen. Met verdragsconforme toepassing van artikel 8:26 van de Awb merkt de Raad naast het Uwv de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie) aan als partij in die procedure.

7. In hoger beroep heeft het Uwv het bestreden besluit alsnog van de vereiste nadere onderbouwing voorzien. De rechtbank had al beslist tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van het bestreden besluit en instandlating van de rechtsgevolgen ervan, zodat de Raad daartoe niet alsnog behoeft over te gaan. De Raad zal de aangevallen uitspraak, met verbetering van de gronden ervan, bevestigen.

8. De Raad acht op grond van het bovenstaande termen aanwezig om het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,- voor verleende rechtsbijstand. De kosten in verband met de behandeling van het bezwaar komen niet voor vergoeding in aanmerking, omdat van een herroepen als bedoeld in artikel 7:15, tweede lid, van de Awb geen sprake is.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;

Veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante in hoger beroep tot een bedrag groot € 644,-;

Bepaalt dat het onderzoek wordt heropend onder de nummers 09/4481 BESLU en 09/4482 BESLU ter voorbereiding van een nadere uitspraak over de gevraagde schadevergoeding in verband met de mogelijke overschrijding van de redelijke termijn, en merkt tevens de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie) aan als partij in die procedure;

Bepaalt dat het Uwv aan appellante het betaalde griffierecht van € 106,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom als voorzitter en H. Bolt en H. Bedee als leden in tegenwoordigheid van I.R.A. van Raaij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 augustus 2009.

(get.) T. Hoogenboom.

(get.) I.R.A. van Raaij.

KR