Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BJ5871

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-08-2009
Datum publicatie
25-08-2009
Zaaknummer
08-3075 WUV + 08-4461 WUBO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

1) Afwijzing aanvraag om in aanmerking te worden gebracht voor een periodieke uitkering en voorzieningen op grond van de Wuv. 2) Afwijzing aanvraag om een toeslag ter verbetering van de levensomstandigheden, een periodieke uitkering en voorzieningen op grond van de Wubo. 1) Verweerster 1 heeft de door appellante gestelde gevangschap in eigen huis niet als vervolging in de hiervoor bedoelde zin willen aanmerken, omdat niet is gebleken dat de leden van de familie hun huis in het geheel niet konden verlaten. De Raad heeft in de gedingstukken geen aanknopingspunten gevonden om tot een ander oordeel te komen. Daarmee is niet voldaan aan de in de Wet opgenomen omschrijving van het begrip vervolging. 2) Zoals de Raad eerder heeft overwogen (18 januari 2007, nr. 06/2330 WUBO, LJN AZ7586) acht hij, gelet op het ten tijde van het bestreden besluit 2 nog geldende uitgangspunt van de Wet dat de bijzondere solidariteitsplicht jegens burger-oorlogsslacht-offers een naar woonland en nationaliteit beperkte reikwijdte heeft, de (zeer) restrictieve wijze waarop verweerster 2 hier gebruik maakt van haar bevoegdheid tot toepassing van de anti-hardheidsbepaling niet onaanvaardbaar. Naar het oordeel van de Raad kan de bij bestreden besluit 2 gehandhaafde weigering om toepassing te geven aan de anti-hardheidsbepaling de terughoudende rechterlijke toetsing doorstaan. Van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten is de Raad ten slotte niet gebleken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/3075 WUV + 08/4461 WUBO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

in de gedingen tussen:

[Appellante], wonende te [woonplaats], Canada (hierna: appellante),

en

de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster 1) en

de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster 2)

Datum uitspraak: 13 augustus 2009

I. PROCESVERLOOP

Appellante heeft beroep ingesteld tegen een door verweerster 1 onder dagtekening 31 maart 2008, kenmerk BZ 47470, JZ/F60/2008 ten aanzien van haar genomen besluit ter uitvoering van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (hierna: Wuv), verder: bestreden besluit 1.

Appellante heeft tevens beroep ingesteld tegen een door verweerster 2 onder dagtekening 31 maart 2008, kenmerk BZ 8140, JZ/F60/2008 ten aanzien van haar genomen besluit ter uitvoering van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (hierna: Wubo), verder: bestreden besluit 2.

Verweersters hebben in beide zaken verweerschriften ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 juli 2009. Appellante is, zoals tevoren was gemeld, niet verschenen en verweerster heeft zich laten vertegenwoordigen door A.T.M. Vroom-van Berckel, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante, geboren in 1931 in het voormalig Nederlands-Indië, heeft in februari 2007 bij verweersters een aanvraag ingediend om in aanmerking te worden gebracht voor een periodieke uitkering en voorzieningen op grond van de Wuv of voor een toeslag ter verbetering van de levensomstandigheden, een periodieke uitkering en voorzieningen op grond van de Wubo. In dit verband heeft appellante met name naar voren gebracht dat ze met haar familie is opgesloten in haar eigen huis tijdens de Japanse bezetting in de periode van 1942 tot 1944, dat ze in 1943 getuige is geweest van mishandeling van haar vader door Japanners, dat haar vader is overleden als gevolg van ontberingen tijdens gevangenschap en dat zij tijdens de zogenoemde Bersiap-periode in kampen heeft verbleven, waar zij is geconfronteerd met mishandelingen en een bombardement.

1.2. Verweerster 1 heeft de aanvraag van appellante afgewezen bij besluit van 27 september 2007. Daarbij is overwogen dat verweerster niet heeft kunnen vaststellen dat appellante vervolging heeft ondergaan in de zin van de Wuv en dat de oorlogs-omstandigheden van appellante geen aanleiding hebben gegeven te onderzoeken of appellante met de vervolgde gelijkgesteld kan worden. Een door appellante gemaakt bezwaar is bij bestreden besluit 1 ongegrond verklaard.

1.3. Verweerster 2 heeft de aanvraag van appellante afgewezen bij besluit van 27 september 2007. Daarbij is overwogen dat erkend wordt dat appellante is getroffen door oorlogsgeweld, namelijk internering in kamp Negarawangi te Tasikmalaya en de pupillenschool te Gombang tijdens de Bersiap-periode. De aanvraag is echter afgewezen op de grond dat appellante in Canada woont en de Canadese nationaliteit heeft en er geen sprake is geacht van bijzondere omstandigheden in de zin van artikel 3, zesde lid, (thans oud) van de Wubo, op grond waarvan het een klaarblijkelijke hardheid zou zijn de Wubo niet toe te passen. In verweer heeft verweerster 2 nog aangevoerd dat sinds de wijziging van artikel 3 van de Wubo (Stb. 2008, 150), waarbij de woonplaatseis is vervallen, nog steeds de eis wordt gesteld van het bezitten van de Nederlandse nationaliteit. Nu appellante de Nederlandse nationaliteit niet bezit en er geen dringende redenen waren voor emigratie destijds, ziet verweerster 2 geen reden voor toepassing van de anti-hardheidbepaling.

2. De Raad overweegt met betrekking tot het bestreden besluit 1 als volgt.

2.1. Op grond van artikel 2 van de Wuv wordt, voor zover hier van belang, onder vervolging verstaan: handelingen of maatregelen van de vijandelijke bezettende macht van het voormalig Nederlands-Indië, welke werden gericht tegen personen of groepen van personen op grond van hun ras, geloof, wereldbeschouwing of homoseksualiteit dan wel hun Europese afkomst of Europees georiënteerde of gezinde instelling en welke hebben geleid tot opsluiting in concentratiekampen, gevangenissen of andere verblijf-plaatsen, waar beëindiging van het leven dan wel permanente bewaking van de vervolgde werd beoogd.

2.2. Verweerster 1 heeft de door appellante gestelde gevangschap in eigen huis niet als vervolging in de hiervoor bedoelde zin willen aanmerken, omdat niet is gebleken dat de leden van de familie hun huis in het geheel niet konden verlaten. De Raad heeft in de gedingstukken geen aanknopingspunten gevonden om tot een ander oordeel te komen. Ook uit de zich in het dossier bevindende verklaringen van de broers en zussen van appellante blijkt dat het verlaten van en terugkeren in de woning niet onmogelijk was en er blijkt niet dat sprake was van permanente bewaking door de Japanners. Er werden bijvoorbeeld spullen verkocht om eten te kopen. Daarmee is niet voldaan aan de in de Wet opgenomen en hiervoor onder 2.1 weergegeven omschrijving van het begrip vervolging.

2.3. Met betrekking tot de aard en ernst van de mishandeling van de vader van appellante toen hij in 1943 werd opgepakt nadat er bij hem een radio was gevonden, zijn door de gezinsleden verschillende verklaringen afgelegd. Daarmee is niet komen vast te staan dat appellante getuige is geweest van excessief geweld bij die gelegenheid. Dat de vader van appellante is overleden als gevolg van de vervolging is evenmin komen vast te staan. Hij was al invalide vóór aanvang van de oorlog en is niet tijdens zijn vrijheidsberoving overleden. Verweerster 1 heeft dan ook terecht geen aanleiding gezien om appellante met de vervolgde gelijk te stellen.

2.4. Het voorgaande betekent dat het beroep van appellante tegen bestreden besluit 1 ongegrond moet worden verklaard.

3. Met betrekking tot bestreden besluit 2 overweegt de Raad als volgt.

3.1. Vaststaat dat appellante niet voldoet aan de op grond van artikel 3, eerste lid, onder a, van de Wet, zoals dat artikel luidde ten tijde van het bestreden besluit 2, gestelde eisen dat het burger-oorlogsslachtoffer de Nederlandse nationaliteit bezit en ten tijde van de aanvraag in Nederland is gevestigd.

3.2. Op grond van artikel 3, zesde lid, (oud) van de Wet kan verweerster de Wet tevens van toepassing verklaren op degene die tijdens de oorlogsjaren 1940-1945 of daarna als burger is getroffen door oorlogsgeweld als bedoeld in artikel 2, eerste lid, maar niet aan de onder 3.1 vermelde eisen voldoet, indien het niet toepassen van de Wet zou leiden tot een klaarblijkelijke hardheid. Deze bevoegdheid is discretionair van aard. Dit betekent dat de Raad een weigering van verweerster 2 om van de bevoegdheid gebruik te maken dient te aanvaarden, tenzij moet worden gezegd dat verweerster 2, bij afweging van alle in aanmerking komende belangen, niet in redelijkheid tot haar besluit heeft kunnen komen, dan wel bij haar besluit heeft gehandeld in strijd met enige geschreven of ongeschreven rechtsregel dan wel enig algemeen rechtsbeginsel.

3.3. Verweerster 2 hanteert in die gevallen waarin een betrokkene niet meer beschikt over de Nederlandse nationaliteit - en bovendien buiten Nederland gevestigd is - bij het uitoefenen van de onder 3.2 beschreven bevoegdheid het uitgangspunt dat de oorzaak van het niet (meer) in het bezit zijn van de Nederlandse nationaliteit moet zijn gelegen in zeer bijzondere omstandigheden.

3.4. Zoals de Raad eerder heeft overwogen (18 januari 2007, nr. 06/2330 WUBO, LJN AZ7586) acht hij, gelet op het ten tijde van het bestreden besluit 2 nog geldende uitgangspunt van de Wet dat de bijzondere solidariteitsplicht jegens burger-oorlogsslacht-offers een naar woonland en nationaliteit beperkte reikwijdte heeft, de (zeer) restrictieve wijze waarop verweerster 2 hier gebruik maakt van haar bevoegdheid tot toepassing van de anti-hardheidsbepaling niet onaanvaardbaar.

3.5. Appellante heeft onder meer naar voren gebracht dat ze Nederlandse was tot 16 november 1972, dat haar echtgenoot bij het KNIL voor de Nederlandse staat heeft gevochten, dat ze in Nederland werden gediscrimineerd en dat het gezin voor de toekomst van de kinderen in juni 1967 naar Canada is geëmigreerd. Verweerster 2 heeft in de situatie van appellante geen aanleiding gezien om de anti-hardheidsbepaling toe te passen.

3.6. Naar het oordeel van de Raad kan de bij bestreden besluit 2 gehandhaafde weigering om toepassing te geven aan de anti-hardheidsbepaling de terughoudende rechterlijke toetsing doorstaan. Het aannemen van de Canadese nationaliteit was een eigen keuze van appellante en de redenen voor emigratie maken evenmin dat sprake is van zeer bijzondere omstandigheden in de zin van het onder 3.3 beschreven door verweerster 2 gehanteerde uitgangspunt.

3.7. Uit het voorgaande vloeit voort dat ook het beroep van appellante tegen bestreden besluit 2 ongegrond dient te worden verklaard.

3.8. Ten overvloede overweegt de Raad nog als volgt met betrekking tot het door verweerster 2 in het verweerschrift ingenomen standpunt dat in het geval van appellante ook bij toetsing aan het met ingang van 16 mei 2008 gewijzigde artikel 3 van de Wet tot een afwijzing wordt gekomen. Bij wet van 10 april 2008, Stb. 2008, 150, is artikel 3 van de Wet gewijzigd in verband met het schrappen van de eis dat betrokkene op de datum van aanvraag in Nederland gevestigd moet zijn, welke eis door het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen in zijn arrest van 26 oktober 2006 (C-192/5) in strijd is geacht met artikel 18 van het EG-verdrag.

3.9. De Raad kan verweerster 2 in zoverre volgen dat appellante niet voldoet aan genoemde nationaliteitseis, nu zij sinds 16 november 1972 de Canadese nationaliteit bezit. De Raad is echter van oordeel dat verweerster 2 niet kan volstaan met de vaststelling dat appellante de Nederlandse nationaliteit niet bezit en dat er geen sprake is geweest van dringende redenen voor emigratie naar Canada destijds. In het tweede lid van artikel 3 van de Wet is aan de Pensioen- en Uitkeringsraad de bevoegdheid gegeven de Wet tevens van toepassing te verklaren op degene die is getroffen door oorlogsgeweld in de zin van de Wet en niet voldoet aan die nationaliteitseis, in gevallen waarin het niet toepassen van de Wet een klaarblijkelijke hardheid zou zijn. Door verweerster 2 is ten onrechte niet overwogen of de feiten en omstandigheden waarin appellante heeft verkeerd, zoals bijvoorbeeld de mate van verbondenheid met Nederland, aanleiding vormen voor toepassing van deze anti-hardheidbepaling. Nu na genoemde wetswijziging de daarvóór zeer centraal staande woonplaatseis in het eerste lid van artikel 3 is vervallen, is ten aanzien van de toepassing van de anti-hardheidbepaling in het tweede lid in een geval als het onderhavige sprake van een geheel nieuwe situatie, die om een andere afweging vraagt. De Raad overweegt hierbij dat de anti-hardheidbepaling niet zo beperkt mag worden uitgelegd dat deze in de uitvoering een dode letter wordt.

3.10. Gezien hetgeen onder 3.8 en 3.9 is overwogen, vertrouwt de Raad erop dat verweerster de eventuele aanspraken van appellante na genoemde wetswijziging opnieuw zal bezien.

4. Van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten is de Raad ten slotte niet gebleken.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart de beroepen tegen de bestreden besluiten 1 en 2 ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en G.L.M.J. Stevens en G.F. Walgemoed als leden, in tegenwoordigheid van I. Mos als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 augustus 2009.

(get.) A. Beuker-Tilstra.

(get.) I. Mos.

HD