Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BJ5864

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-08-2009
Datum publicatie
25-08-2009
Zaaknummer
08-5847 WWB + 08-5882 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering omdat appellanten gedurende de betreffende periode het houden en fokken van paarden, en vermogen hebben verzwegen, en dat het recht op bijstand daarom niet kan worden vastgesteld. Appellanten hebben aangaande het bezit, het fokken en de verkoop van paarden hun inlichtingenverplichting geschonden. Immers, van het bezit van de fokmerries is de meeste keren geen opgaaf gedaan, en van de veulens en de verkoop daarvan is iedere mededeling achterwege gebleven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/5847 WWB + 08/5882 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant] (hierna: appellant) en [Appellante] (hierna: appellante), beiden wonende te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Assen van 23 september 2008, 06/1272 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellanten

en

het Dagelijks Bestuur van de Intergemeentelijke Sociale Dienst van de gemeenten Aa en Hunze, Tynaarloo en Assen (hierna: Dagelijks Bestuur)

Datum uitspraak: 4 augustus 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. J.S. Visser, advocaat te Stadskanaal, hoger beroep ingesteld.

Het Dagelijks Bestuur heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 juni 2009. Appellanten zijn verschenen, bijgestaan door mr. Visser. Het Dagelijks Bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. O. Ketel, werkzaam bij de Intergemeentelijke Sociale Dienst van de gemeente Aa en Hunze, Tynaarloo en Assen (hierna: ISD).

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellanten hebben vanaf 1 juni 1985 tot en met 30 april 2005 bijstand ontvangen naar de norm voor gehuwden, laatstelijk op grond van de Wet werk en bijstand (WWB), dit in aanvulling op een arbeidsongeschiktheidsuitkering van appellant.

1.2. Naar aanleiding van een signaal van het Inlichtingenbureau heeft de sociale recherche van de ISD een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellanten verleende bijstand. In dat kader is dossieronderzoek gedaan en is de Postbank en de Koninklijke Vereniging “Het Friesch Paarden-Stamboek” (hierna: FPS) om inlichtingen verzocht. Voorts is appellant verhoord. De bevindingen van dat onderzoek zijn neergelegd in een proces-verbaal van 24 januari 2006.

1.3. Uit dit onderzoek is naar voren gekomen dat appellant een spaarbankboekje had, dat later is omgezet in een girorekening, die op 23 oktober 2003 is opgeheven. Van het bestaan van dit boekje en die rekening (samen hierna: de Postbankrekening) heeft appellant geen mededeling gedaan aan de ISD. Het saldo op deze Postbankrekening was op 1 januari 1998 ƒ 4.920,66. Op 20 maart 2000 is een bedrag van ƒ 20.000 in contanten op deze rekening gestort. Het saldo bedroeg toen ƒ 25.189,44. Op 22 november 2001 is opnieuw een bedrag van ƒ 20.000,-- in contanten op deze rekening gestort. Eind 2001 was het saldo ƒ 45.455,13, dat werd omgezet in € 20.626,64. Tussen 26 september 2003 en 8 oktober 2003 heeft appellant dit hele bedrag in contanten opgenomen. Verder is uit dit onderzoek naar voren gekomen dat bij de FPS 15 paarden zijn geregistreerd, die volgens die registratie eigendom zijn geweest van appellant. Het gaat om zes volbloed hengsten, vier volbloed merries, en vijf overige stamboekpaarden. De oudste registratie is van 18 juni 1981; per 31 december 2003 waren er geen paarden meer geregistreerd op naam van appellant, omdat hij met ingang van die datum zijn lidmaatschap van de FPS heeft opgezegd.

1.4. Van het verhoor van appellant is een proces-verbaal gemaakt, dat ook door hem is ondertekend. Volgens dit proces-verbaal heeft appellant onder meer verklaard dat hij opzettelijk geen opgave had gedaan van de paarden, het spaargeld en de Postbankrekening, uit angst te worden gekort op zijn uitkering. Verder heeft hij verklaard, dat hij de stortingen op de Postbankrekening heeft gedaan in verband met de komst van de Euro, en dat hij na opname in contanten een gedeelte had opgemaakt. Hij wilde geen verklaring geven over de bestemming daarvan. Twee merries hield appellant om mee te fokken; alle daaruit geboren veulens heeft hij verkocht. Voorts staat in dit proces-verbaal: “Het was een hobby van mij. Het kostte ook geld. Ik heb geen sluitende administratie van de afgelopen 20 jaar van mijn fokkerij en handel in paarden. Het geld wat ik in 2002 moest omzetten, was spaargeld en ook wel handelsgeld.”

1.5. De onderzoeksresultaten zijn voor het Dagelijks Bestuur aanleiding geweest om bij besluit van 29 september 2005 de bijstand over de periode van 1 februari 1997 tot 1 mei 2005 in te trekken. De besluitvorming berust op de overweging dat appellanten gedurende de betreffende periode het houden en fokken van paarden, en vermogen hebben verzwegen, en dat het recht op bijstand daarom niet kan worden vastgesteld.

1.6. Bij besluit van 13 februari 2006 heeft het Dagelijks Bestuur de kosten van de over de onder 1.5 genoemde periode verleende bijstand tot een bedrag van € 48.798,12 van appellanten teruggevorderd.

1.7. Appellanten hebben op 31 oktober 2006 beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op bezwaar.

1.8. Bij besluit van 15 november 2006 heeft het College het bezwaar tegen de besluiten van 29 september 2005 en 13 februari 2006 gegrond verklaard, de bijstand ingetrokken vanaf 1 juli 1997 tot 1 mei 2005, de terugvordering beperkt tot € 47.020,92 en de kosten van het bezwaar vergoed.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 15 november 2006 ongegrond verklaard, en het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op bezwaar - met een bepaling omtrent proceskosten - niet-ontvankelijk verklaard.

3. Appellanten hebben zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd voor zover het beroep ongegrond is verklaard. Zij hebben daarbij aangevoerd dat zij hun inlichtingenverplichting niet geschonden hebben, omdat zij wel melding hebben gemaakt van het bezit van paarden en vermogen. Verder hebben zij betoogd dat het recht op bijstand over de periode in geding wel is vast te stellen, gelet op het boekhoudkundig rapport dat door een accountant is opgesteld. Tot slot hebben zij aangevoerd dat zij het oververmogen hebben gespaard in de periode dat aan hen bijstand werd verleend, zodat het buiten beschouwing zou moeten blijven.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Ingevolge artikel 17, eerste lid (tekst tot 1 januari 2008), van de WWB, en het voordien geldende artikel 65, eerste lid, van de Algemene bijstandswet, voor zover van belang, doet de belanghebbende aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand.

4.2. Gelet op het verhandelde ter zitting is tussen partijen niet meer in geschil dat appellanten hun inlichtingenverplichting aangaande hun spaargeld en de Postbankrekening hebben geschonden. Daarom is op dit punt nog slechts aan de orde of appellanten over het bezit, het fokken en verkopen van paarden ten onrechte hebben nagelaten mededelingen te doen aan het Dagelijks Bestuur.

4.3. Niet in geschil is dat appellanten fokmerrie [naam fokmerrie 1] van 1981 tot haar dood in 2002 en fokmerrie [naam fokmerrie 2] van 20 juli 1999 tot haar dood in 2004 in hun bezit hebben gehad en dat appellanten die hebben laten dekken en dat daaruit ten minste dertien veulens zijn geboren, die appellanten verkocht hebben. In de periode in geschil zijn tenminste zes veulens geboren en verkocht, en zijn nog twee andere veulens bij de FPS van de naam van appellant op een andere naam overgeschreven. Voorafgaande aan de periode in geschil hebben appellanten in februari 1997 op een heronderzoeksformulier gemeld dat zij een paard ter waarde van ongeveer ƒ 1.500,-- in bezit hadden. Op de heronderzoeksformulieren van mei 1998, oktober 1999, september 2000 en februari 2003 is geen mededeling gedaan van bezit van paarden. Op het heronderzoeksformulier van september 2001 hebben appellanten gemeld over twee paarden te beschikken ter waarde van ongeveer ƒ 7.500,--.

4.4. Naar het oordeel van de Raad volgt hieruit dat appellanten ook aangaande het bezit, het fokken en de verkoop van paarden hun inlichtingenverplichting hebben geschonden. Immers, van het bezit van de fokmerries is de meeste keren geen opgaaf gedaan, en van de veulens en de verkoop daarvan is iedere mededeling achterwege gebleven. Mede gelet op de waarde van de merries en de veulens, en bijvoorbeeld de kosten van de dekking van de merries tot meer dan € 600,-- per keer, moet het appellanten duidelijk zijn geweest dat het bezit en de verkoop van deze paarden van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand. Uit de verklaring van appellant tijdens het verhoor komt ook naar voren dat en waarom geen opgave is gedaan, namelijk om te voorkomen dat de bijstandsuitkering zou worden verlaagd. Dat de paardenfokkerij en -handel volgens appellant en de door hem ingeroepen dierenarts een hobbymatig karakter hebben, doet daar, gelet op de daarmee gemoeide bedragen in relatie tot de bijstandsnorm, niet aan af.

4.5. Naar vaste rechtspraak van de Raad levert schending van de inlichtingenverplichting een rechtsgrond op voor intrekking van de bijstand, indien als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of, en zo ja in hoeverre, de betrokkene verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden. Het is dan aan de betrokkene feiten te stellen en zo nodig te bewijzen dat in het geval wel aan de inlichtingenverplichting zou zijn voldaan over de betreffende periode recht op (aanvullende) bijstand bestond.

4.6. In het besluit van 15 november 2006 heeft het Dagelijks Bestuur in hoofdzaak het volgende overwogen:

“De door u in een later stadium ingebrachte boekhouding, erkennen wij (…) niet als bewijs dat voldoende is om achteraf alsnog het recht op bijstand te kunnen vaststellen. Ten aanzien van het verzwegen vermogen stellen wij vast dat wij tengevolge hiervan voor een bepaalde periode het recht op bijstand wel kunnen vaststellen. Immers vast is komen te staan dat u op 1 januari 2003 beschikte over een saldo van € 21.206,49. Daarna is dit geld van de rekening afgehaald c.q. opgemaakt. U heeft destijds geen opgave gedaan van het vermogen op deze bankrekening.

Indien u wel melding had gedaan van dit bedrag aan vermogen op 1 januari 2003, dan was vastgesteld dat u hiervan een bedrag van € 9.950,00 mocht behouden (…). Dan resteert nog een bedrag van € 11.256,94 aan oververmogen. Indien de vermogensgrens wordt overschreden, bestaat er geen recht meer op algemene bijstand. Bij de terugvordering hoeft geen rekening gehouden te worden met de interingsnorm (…). Dit betekent dus dat er vanaf 1 januari 2003 tot aan het bedrag van € 11.256,94 (bruto) geen bijstand aan u zou zijn verleend.”

4.7. Naar het oordeel van de Raad is deze motivering ondeugdelijk voor zover deze ziet op de intrekking van bijstand vanaf 1 januari 2003. Uit de onder 1.3 weergegeven feiten volgt immers dat al voor 1 januari 2003, namelijk in elk geval vanaf 20 maart 2000, sprake is geweest van een positief vermogen boven de in 2000 geldende grens van het vrij te laten vermogen voor gehuwden van ƒ 20.000,--. Verder stelt de Raad vast dat het Dagelijks Bestuur voorbij is gegaan aan de schulden van appellanten aan de gemeente en aan de Rabobank, die zij eerder hadden opgegeven (zie bijvoorbeeld de informatie verstrekt bij vraag 6 van het al genoemde heronderzoeksformulier van september 2001). Ten slotte miskent deze motivering dat het door het College veronderstelde bedrag aan oververmogen vanaf 1 januari 2003 niet bepalend kan zijn voor de reikwijdte van de bevoegdheid tot intrekking van bijstand maar dat die bevoegdheid hier afhankelijk is van het antwoord op de vraag of appellanten aannemelijk hebben gemaakt dat het recht op (aanvullende) bijstand over de gehele in geding zijnde periode alsnog kan worden vastgesteld. Appellanten hebben daartoe gesteld dat zij met het bezit, het fokken en verkopen van paarden steeds hogere kosten hebben gehad dan opbrengsten, en dat het vermogen op de Postbankrekening voortgekomen is uit besparingen tijdens de periode van bijstand en daardoor behoren tot het vrij te laten vermogen. Ter onderbouwing hiervan hebben appellanten verwezen naar in beroep overgelegde stukken, waaronder een door de zoon van appellanten uitgewerkte boekhouding en een door een accountant opgestelde boekhoudkundige staat met onderliggende bankafschriften, facturen en betalingsbewijzen.

4.8. Naar het oordeel van de Raad hebben appellanten met deze stukken niet aannemelijk gemaakt dat het recht op bijstand alsnog is vast te stellen. Daartoe is eerst van belang dat de boekhoudkundige staat, ofschoon vervaardigd door een accountant, niet voorzien is van een accountantsverklaring. Verder is deze staat en de onderliggende boekhouding vervaardigd aan de hand van bankafschriften, en in bescheiden mate, facturen en betalingsbewijzen. Volgens die boekhouding is de betaling van verkoop van paarden en kosten van het dekken van de fokmerries vrijwel uitsluitend in contanten geschied. De betalingsbewijzen van deze transacties ontbreken voor het merendeel, en zijn voor een ander deel pas aanzienlijk later vervaardigd. Voorts valt op dat de aanschaf van fokmerrie [naam fokmerrie 2] in 1999 niet in de boekhouding verantwoord is. Ten slotte is als verklaring van de overige uitgaven in contanten een genormeerd bedrag van gezinsuitgaven gebruikt. Dit betekent dat appellanten voor zeer omvangrijke geldstromen in contanten geen bewijs hebben geleverd. Ook hebben zij niet aannemelijk gemaakt dat de gestelde besparingen in contanten en de omvangrijke stortingen van contanten in 2000 en 2001 en de totale opname in contanten en de besteding van deze gestelde besparingen met elkaar samenhangen. Aldus hebben zij ook niet aannemelijk gemaakt, dat het op de Postbankrekening aangetroffen vermogen buiten het in aanmerking te nemen vermogen moet blijven.

4.9. Dit leidt tot de conclusie dat het Dagelijks Bestuur bevoegd is met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB de bijstand over de gehele periode in geding in te trekken, omdat het recht daarop niet meer kan worden vastgesteld. De intrekking en terugvordering van de kosten van bijstand in geding is in overeenstemming met de door het Dagelijks Bestuur daartoe gehanteerde beleidsregels. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd ziet de Raad geen bijzondere omstandigheden op grond waarvan het Dagelijks Bestuur, met toepassing van artikel 4:84 (slot) van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), van die beleidsregels zou moeten afwijken.

4.10. Uit 4.1 tot en met 4.9 volgt dat het hoger beroep gedeeltelijk slaagt en dat de aangevallen uitspraak niet in stand kan blijven voor zover daarbij het beroep tegen het besluit van 15 november 2006 ongegrond is verklaard. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen zal de Raad dat beroep gegrond verklaren, het besluit van 15 november 2006 wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb vernietigen voor zover daarbij de bijstand over de periode van 1 januari 2003 tot 1 mei 2005 is ingetrokken en bepalen dat de rechtsgevolgen van het te vernietigen deel van dat besluit in stand blijven. Aan het besluit van 15 maart 2006 kleeft geen motiveringsgebrek voor zover dat besluit ziet op de intrekking van bijstand over de periode van 1 juli 1997 tot 1 januari 2003 en op de terugvordering.

5. De Raad ziet aanleiding om het Dagelijks Bestuur te veroordelen in de proceskosten van appellanten. Deze kosten worden begroot op € 644,-- in beroep en op € 644,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand en op € 112,40 aan reiskosten van appellanten in beroep en hoger beroep.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak, voor zover daarbij het beroep tegen het besluit van 15 november 2006 ongegrond is verklaard;

Verklaart dat beroep gegrond;

Vernietigt het besluit van 15 november 2006, voor zover daarbij de bijstand over de periode van 1 januari 2003 tot 1 mei 2005 is ingetrokken en bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde deel van dat besluit in stand blijven;

Veroordeelt het Dagelijks Bestuur in de proceskosten van appellanten tot een bedrag van € 1.400,40, te betalen aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat het Dagelijks Bestuur aan appellanten het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 145,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door G.A.J. van den Hurk als voorzitter en J.J.A. Kooijman en O.L.H.W.I. Korte als leden, in tegenwoordigheid van M.C.T.M. Sonderegger als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 augustus 2009.

(get.) G.A.J. van den Hurk.

(get.) M.C.T.M. Sonderegger.

DW