Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BJ5753

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-07-2009
Datum publicatie
21-08-2009
Zaaknummer
09/2350 WW-VV
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek om een voorlopige voorziening. Nu derhalve niet zonder meer vast te stellen is dat verzoeker een (wellicht gedeeltelijk gekorte) WW-uitkering toekomt, betekent dit dat de gevraagde voorziening dient te worden afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

09/2350 WW-VV

Centrale Raad van Beroep

Voorzieningenrechter

U I T S P R A A K

als bedoeld in artikel 8:84, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van de Beroepswet op het verzoek om voorlopige voorziening van:

[Verzoeker], wonende te [woonplaats] (hierna: verzoeker),

in verband met het hoger beroep van:

[Appellante] te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 29 januari 2009, 08/3368 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

verzoeker

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv)

Datum uitspraak: 3 juli 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. S.C. Janssens-Van Drooge, advocaat te Eindhoven, hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.

Namens verzoeker heeft mr. V. Zitman, advocaat te Tilburg, een verzoek om voorlopige voorziening gedaan.

Appellante heeft een verweerschrift ingediend tegen het toewijzen van de gevraagde voorziening.

Het verzoek is behandeld ter zitting van 26 juni 2009. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door mr. Zitman. Namens appellante is verschenen mr. Janssens-Van Drooge, advocaat te Eindhoven. Het Uwv heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. J.H.J. van Gastel.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) en artikel 21 van de Beroepswet kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank of van de voorzieningenrechter van de rechtbank als bedoeld in artikel 18, eerste lid, van de Beroepswet hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

1.2. Voor zover de beoordeling van een verzoek om voorlopige voorziening meebrengt dat het geschil in de hoofdzaak wordt beoordeeld, heeft het oordeel van de voorzieningenrechter een voorlopig karakter en is het niet bindend voor de beslissing in de hoofdzaak.

2.1. Verzoeker was sinds 1 augustus 1979 in dienst van (de rechtsvoorganger van) appellante, laatstelijk als docent [functie] aan de [naam school 1] te [vestigingsplaats]. Sedert 1 september 2006 was hij voor 0,2 fte werkzaam bij de [naam school 2] in [vestigingsplaats]. Appellante heeft geconstateerd dat verzoeker op de computer van de school via het internet pornografie had bekeken. Appellante heeft verzoeker op 4 december 2006 met die bevinding geconfronteerd en heeft daarvan op 5 december 2006 een schriftelijke bevestiging verzonden. Volgens die brief heeft verzoeker erkend dat hij met wisselende regelmaat en sedert een aantal jaren tijdens werktijd pornosites heeft bezocht.

2.2. Nadat partijen er niet in slaagden om door overleg tot een oplossing te komen heeft appellante de kantonrechter op 7 februari 2007 verzocht de arbeidsovereenkomst met verzoeker te ontbinden. Nadat verzoeker daartegen verweer heeft gevoerd en nadat partijen ter zitting hun stellingen hebben toegelicht heeft de kantonrechter bij beschikking van 4 april 2007 de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst ontbonden met ingang van 14 april 2007. Een vergoeding ten laste van appellante heeft de kantonrechter bij die beschikking niet aan verzoeker toegekend aangezien volgens de kantonrechter de grond waarop de arbeidsovereenkomst wordt ontbonden geheel in de risicosfeer van verzoeker is gelegen en in het bijzonder aan hem verwijtbaar is.

2.3. Verzoeker heeft op 9 mei 2007 een aanvraag om een WW-uitkering bij het Uwv gedaan. Bij besluit van 5 juli 2007 heeft het Uwv die uitkering blijvend en geheel geweigerd op de grond dat verzoeker verwijtbaar werkloos is geworden. Verzoeker heeft tegen dat besluit bezwaar gemaakt, welk bezwaar bij het besluit van 16 juni 2008 (bestreden besluit) ongegrond is verklaard. Het Uwv heeft vastgesteld dat verzoeker door het bezoeken van diverse pornosites op 7 november 2006 zich niet heeft gehouden aan de bij appellante geldende gedragscode. Het bezoeken van de pornosites is volgens het Uwv verder niet in overeenstemming met de voorbeeldfunctie die verzoeker als docent heeft. Het Uwv heeft voorts verwezen naar het in de ontbindingsbeschikking neergelegde oordeel dat het handelen in strijd met de gedragscode een niet onbegrijpelijk verlies in vertrouwen heeft veroorzaakt en dat de grond waarop de arbeidsovereenkomst is ontbonden geheel in de risicosfeer van verzoeker is gelegen en hem in het bijzonder is te verwijten. Het Uwv heeft de stelling van verzoeker verworpen dat het Uwv zou hebben nagelaten zelfstandig een onderzoek te verrichten.

3. Verzoeker heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Bij de aangevallen uitspraak is dat beroep gegrond verklaard. De rechtbank heeft overwogen dat het Uwv een zelfstandig onderzoek moet uitvoeren naar de verwijtbaarheid van de werkloosheid waarbij het Uwv mag uitgaan van de door de kantonrechter vastgestelde feiten. In dit geval heeft de kantonrechter de arbeidsovereenkomst ontbonden wegens verandering van omstandigheden en niet wegens dringende redenen. Daarbij heeft de rechtbank er op gewezen dat verzoeker weliswaar heeft erkend dat hij internetsites heeft bezocht, maar dat de processtukken onvoldoende houvast bieden voor die feitelijke vaststelling. Voorts is door verzoeker wel erkend dat hij de pornosites bezocht in het kader van het project ‘Vrijheid en internet’ maar was er volgens hem geen sprake van regelmatige bezoeken. De rechtbank was voorts van oordeel dat door de gedragscode het gedrag van verzoeker niet expliciet werd verboden. De rechtbank stelde verder vast dat appellante had gesteld dat (pornografische) bestanden uit 2001 in de computer van verzoeker zouden zijn aangetroffen, maar dat dit verder niet uit de stukken blijkt, zodat dat niet ten grondslag had mogen worden gelegd aan het bestreden besluit. De rechtbank oordeelde voorts dat het Uwv ten aanzien van de verwijtbaarheid een volledig beeld van de situatie diende te hebben en dat daartoe ook de persoonlijke omstandigheden van verzoeker, waaronder de duur van de dienstbetrekking en de wijze van vervulling daarvan behoorden. Volgens de rechtbank bleek uit de stukken niet hoe de voorbeeldfunctie van verzoeker door de verweten gedraging is gecompromitteerd. Nu verzoeker zich op die omstandigheden had beroepen en het Uwv daarnaar geen onderzoek had gedaan, berustte het bestreden besluit naar het oordeel van de rechtbank niet op een deugdelijke motivering.

4. In hoger beroep heeft appellante -kort gezegd- aangevoerd dat het Uwv zich mocht baseren op de ontbindingsbeschikking van de kantonrechter en dat een verder onderzoek naar de feiten en de persoonlijke omstandigheden van verzoeker achterwege kan blijven, mede vanwege het gegeven dat verzoeker geen nieuwe gegevens heeft aangevoerd dan wel heeft onderbouwd. Wat de feiten zelf betreft wijst appellante er op dat verzoeker heeft erkend dat hij in het verleden vaker pornografische websites heeft bezocht. Ter onderbouwing van haar standpunt heeft appellante nog een aantal stukken ingebracht waaronder de aantekeningen van de griffier van de zitting bij de kantonrechter van 13 maart 2007 en kopieën van een aantal op de computer van verzoeker aangetroffen bestanden.

5. Verzoeker heeft betoogd dat er, gelet op de aangevallen uitspraak, thans geen grond meer is om hem een WW-uitkering te onthouden. Daarbij wijst verzoeker er onder meer op dat het Uwv zich bij de aangevallen uitspraak heeft neergelegd en derhalve een zorgvuldig onderzoek zal dienen te verrichten, waarbij ook alle persoonlijke omstandigheden van verzoeker dienen te worden betrokken. Wat dat betreft dient het Uwv bij de vraag of hier sprake is van een dringende reden in de zin van artikel 7:678 van het Burgerlijk Wetboek (BW), tevens in de afweging te betrekken dat verzoeker 28 jaar bij appellante in dienst is geweest en dat hij een onberispelijke staat van dienst heeft. Bij wijze van voorlopige voorziening vraagt verzoeker thans van het Uwv een voorschot op hem nog toe te kennen definitieve WW-uitkering.

6. Het Uwv heeft ter zitting toegelicht dat het zich, mede gelet op de jurisprudentie van de Raad over artikel 24, tweede lid, aanhef en onder a, van de WW, kan verenigen met het oordeel van de rechtbank dat er destijds onvoldoende onderzoek is verricht. Het Uwv heeft echter tevens toegelicht dat inmiddels is gebleken dat het niet de verwachting is dat nog meer feiten of omstandigheden bekend zullen worden dan thans bekend zijn. Mede gelet op de door appellante ingebrachte aantekeningen van de griffier ter zitting van de kantonrechter van 17 maart 2006 en de gevonden inhoud van de computer op de werkplek van verzoeker, is het Uwv dan ook thans van oordeel dat een nieuw besluit op het bezwaar van verzoeker inhoudelijk geen andere uitkomst zal hebben dan het bestreden besluit.

7. De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

7.1. Ingevolge artikel 24, eerste lid, aanhef en onder a, van de WW voorkomt de werknemer dat hij verwijtbaar werkloos wordt. Ingevolge artikel 24, tweede lid, aanhef en onder a, van de WW is de werknemer verwijtbaar werkloos geworden indien aan de werkloosheid een dringende reden ten grondslag ligt in de zin van artikel 678 van Boek 7 van het BW en de werknemer terzake een verwijt kan worden gemaakt. In artikel 27, eerste lid, van de WW is bepaald dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen de uitkering blijvend geheel weigert indien de werknemer een verplichting, hem op grond van onder meer artikel 24, eerste lid, aanhef en onder a, opgelegd, niet is nagekomen, tenzij het niet nakomen van de verplichting de werknemer niet in overwegende mate kan worden verweten. In dat geval weigert het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen de uitkering gedeeltelijk door het uitkeringspercentage te verlagen naar 35 over de volledige duur van de uitkering, maar ten hoogste over een periode van 26 weken.

7.2. Met betrekking tot het door het Uwv te verrichten onderzoek naar de verwijtbaarheid van de werkloosheid verwijst de voorzieningenrechter allereerst naar de uitspraak van de Raad van 16 februari 2009, LJN BH2387. Onder 5.2 van die uitspraak overwoog de Raad dat ter beantwoording van de vraag of aan de werkloosheid een dringende reden ten grondslag ligt, een materiële beoordeling plaats dient te vinden en dat de wijze waarop het dienstverband is beëindigd niet doorslaggevend is. Daarmee werd ook het standpunt, dat het Uwv en de bestuursrechter geen van het oordeel in ontbindingsprocedure afwijkend standpunt zouden mogen innemen, verworpen. Onder 5.3.2 van die uitspraak overwoog de Raad dat het Uwv ingevolge artikel 3:2 van de Awb bij de voorbereiding van een besluit de nodige kennis omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen vergaart. De voorzieningenrechter verwijst verder naar hetgeen de Raad in die uitspraak onder 5.3.1 heeft overwogen ten aanzien van de toepassing die in het kader van de WW aan de artikelen 7:678 en 7:677 van het BW dient te worden gegeven en welke maatstaf daarbij dient te worden gehanteerd. De voorzieningenrechter komt dan ook tot de conclusie dat de aangevallen uitspraak in overeenstemming met de hiervoor aangehaalde uitspraak is.

7.3. Het feit dat de aangevallen uitspraak in stand zou kunnen worden gelaten, betekent echter nog niet dat de gevraagde voorziening kan worden toegewezen. Uitvoering van de aangevallen uitspraak brengt immers mee dat een nader onderzoek dient te worden verricht naar de feiten en de persoonlijke omstandigheden. Verzoeker erkent dat hij op 7 november 2006 op de werkplek gedurende meer dan een uur pornosites heeft bezocht. Appellante stelt dat verzoeker in een gesprek op 4 december 2006 heeft erkend dat hij dat ook vaker heeft gedaan. Verzoeker heeft ter zitting deze erkenning bestreden, maar heeft op de vraag waarom appellante deze erkenning dan niettemin wel de volgende dag schriftelijk aan hem heeft bevestigd, niet kunnen aangeven waarom appellante in die opstelling volhardde anders dan dat er naar een mogelijkheid werd gezocht om van hem af te komen. Verzoeker heeft evenmin aangegeven waarom hij niet heeft gereageerd op de bedoelde brief van appellante van 5 december 2006. Waar deze brief -in zijn ogen- evidente onjuistheden bevatte, lag het in de rede dat hij dat in ieder geval bij appellante kenbaar zou maken. De voorzieningenrechter heeft voorts kennis genomen van de aantekeningen van de griffier van de zitting van de kantonrechter van 13 maart 2007 waarin de erkenning van verzoeker is opgenomen dat hij eerder een aantal pornosites had onderzocht en dat hij niet meer in detail wist of dit 10 of 12 keer is geweest. In dat verband wijst de voorzieningenrechter er op dat uit het dossier niet is gebleken dat verzoeker toestemming had voor een dergelijk onderzoek. Een projectbeschrijving van een dergelijk onderzoek is door verzoeker niet ingebracht, terwijl ook resultaten of verslaglegging van dat onderzoek ontbreken. Zoals verzoeker ter zitting heeft toegelicht vond er ook geen schriftelijke verantwoording van dat onderzoek plaats maar rapporteerde hij mondeling. De ingebrachte afbeeldingen die zijn gevonden op de computer op de werkplek van verzoeker zijn voldoende expliciet om die als harde pornografie te kenschetsen. Ook de titels van de door verzoeker bezochte websites laten wat dat betreft weinig ruimte voor twijfel. Bij de beantwoording van de vraag of hier sprake is van een dringende reden, zal echter, zoals verzoeker ook heeft benadrukt, eveneens rekening moeten worden gehouden met de overige omstandigheden van het geval, zoals de lengte van het dienstverband, de staat van dienst en de gevolgen die een ontslag op staande voet voor verzoeker zouden hebben. Een inhoudelijke beoordeling zou echter, mede gelet op de ernst van hetgeen de voorzieningenrechter hiervoor heeft vastgesteld en overwogen, desalniettemin tot de conclusie kunnen leiden dat een blijvend gehele weigering van de WW-uitkering in stand zou kunnen blijven. Nu derhalve niet zonder meer vast te stellen is dat verzoeker een (wellicht gedeeltelijk gekorte) WW-uitkering toekomt, betekent dit dat de gevraagde voorziening dient te worden afgewezen.

7.4. Voor een veroordeling van het Uwv in de proceskosten van verzoeker op grond van artikel 8:75 van de Awb bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Wijst het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht af.

Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier in tegenwoordigheid van P.W.J. Hospel als griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 3 juli 2009.

(get.) H.G. Rottier.

(get.) P.W.J. Hospel.

JvS