Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BJ5661

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-08-2009
Datum publicatie
21-08-2009
Zaaknummer
08-992 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verlening van eervol ontslag. Toekenning suppletie als bedoeld in artikel 4 onder a, van het sociaal statuut over de periode van 1 maart 2006 tot 9 januari 2007. Het - door de rechtbank onderschreven - standpunt van het college dat de aan appellante toegekende suppletie op 9 januari 2007 moet eindigen, is gebaseerd op de slotbepalingen van het sociaal statuut. Voor zover hier van belang gaat het om de bepaling dat het sociaal statuut geldt gedurende de periode dat met inachtneming van het sociaal statuut besluiten (moeten) worden genomen. Het bestreden besluit is van alle met inachtneming van het sociaal statuut genomen besluiten naar de opvatting van het college het laatste besluit in die zin. Daarmee eindigt volgens het college de werkingsduur van het sociaal statuut en daarmee ook de suppletie. De Raad acht dat standpunt niet juist. Bedoelde slotbepalingen hebben naar zijn oordeel naar hun inhoud en strekking deze betekenis dat, steeds wanneer het college nog gehouden is een besluit met toepassing van het sociaal statuut te nemen, dit statuut geacht wordt nog te gelden. Deze bepalingen zeggen dus niets over de (totale) periode waarop een te nemen besluit betrekking kan hebben. Dat deze periode zich kan uitstrekken tot buiten het tijdstip waarop nog de laatste besluiten met toepassing van het sociaal statuut worden genomen, volgt ook uit de artikelen 3 onder b, 4 onder a en b, 11 onder d, en de Bijlage bij het sociaal statuut dat een reikwijdte heeft van 10 jaar na de overdracht van het sportcomplex. Het sociaal statuut biedt dus geen steun aan het standpunt van het college dat de duur van de aan appellante op grond van artikel 4 onder a, van het sociaal statuut toegekende suppletie op 9 januari 2007 moet eindigen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/992 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 19 december 2007, 07/508 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente [naam gemeente] (hierna: college)

Datum uitspraak: 6 augustus 2009

I. PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 juni 2009. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. W.J. Floor, werkzaam bij DAS Nederlandse Rechtsbijstand Verzekeringmaatschappij N.V, en haar echtgenoot [naam echtgenoot]. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door J.K. Altena, werkzaam bij de gemeente [naam gemeente].

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante was in dienst van de gemeente [naam gemeente] (hierna: gemeente) werkzaam als zweminstructeur bij het sportcomplex [sportcomplex] (hierna: sportcomplex).

1.2. Per 4 juli 2000 zijn de activiteiten van het sportcomplex overgedragen aan [naam BV] (hierna: BV). Ten behoeve van het personeel van het sportcomplex dat naar de BV zou overgaan is het Sociaal Statuut zwembadpersoneel (hierna: sociaal statuut) tot stand gekomen dat op 5 juli 2000 in werking getreden is.

1.3. Appellante, die zich tegen het besluit van 25 augustus 2000 inhoudende haar ontslag wegens overgang naar de BV met ingang van 1 september 2000 had verzet, is in dienst van de gemeente gebleven en heeft op basis van detachering haar werkzaamheden bij het sportcomplex voortgezet.

1.4. Na onderhandelingen die in 2005 zijn begonnen en betrekking hadden op de financiële gevolgen voor appellante bij overgang naar de BV, heeft het college bij besluit van 21 maart 2006 aan appellante met ingang van 1 maart 2006 eervol ontslag verleend wegens overgang naar de BV.

1.5. Appellante heeft tegen dat besluit bezwaar gemaakt omdat zij van mening was dat in haar geval het sociaal statuut op onderdelen niet juist is toegepast. Bij besluit van 9 januari 2007 (hierna: bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van appellante in zoverre gegrond verklaard dat haar over de periode van 1 maart 2006 tot 9 januari 2007 een suppletie als bedoeld in artikel 4 onder a, van het sociaal statuut is toegekend.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellante kan zich niet met de aangevallen uitspraak verenigen voor zover de rechtbank daarbij heeft geoordeeld dat appellante na 9 januari 2007 geen recht op suppletie meer heeft. Naar aanleiding van hetgeen partijen hierover hebben aangevoerd, overweegt de Raad als volgt.

3.1. Het - door de rechtbank onderschreven - standpunt van het college dat de aan appellante toegekende suppletie op 9 januari 2007 moet eindigen, is gebaseerd op de slotbepalingen van het sociaal statuut. Voor zover hier van belang gaat het om de bepaling dat het sociaal statuut geldt gedurende de periode dat met inachtneming van het sociaal statuut besluiten (moeten) worden genomen. Het bestreden besluit is van alle met inachtneming van het sociaal statuut genomen besluiten naar de opvatting van het college het laatste besluit in die zin. Daarmee eindigt volgens het college de werkingsduur van het sociaal statuut en daarmee ook de suppletie.

3.2. De Raad acht dat standpunt niet juist. Bedoelde slotbepalingen hebben naar zijn oordeel naar hun inhoud en strekking deze betekenis dat, steeds wanneer het college nog gehouden is een besluit met toepassing van het sociaal statuut te nemen, dit statuut geacht wordt nog te gelden. Deze bepalingen zeggen dus niets over de (totale) periode waarop een te nemen besluit betrekking kan hebben. Dat deze periode zich kan uitstrekken tot buiten het tijdstip waarop nog de laatste besluiten met toepassing van het sociaal statuut worden genomen, volgt ook uit de artikelen 3 onder b, 4 onder a en b, 11 onder d, en de Bijlage bij het sociaal statuut dat een reikwijdte heeft van 10 jaar na de overdracht van het sportcomplex.

3.3. Het sociaal statuut biedt dus geen steun aan het standpunt van het college dat de duur van de aan appellante op grond van artikel 4 onder a, van het sociaal statuut toegekende suppletie op 9 januari 2007 moet eindigen. De stelling van het college in dit verband, dat hem niet bekend is hoe het salaris van appellante zich bij de BV ontwikkelt, snijdt naar het oordeel van de Raad geen hout, nu deze stelling samenhangt met de - niet betwiste - (deels) onjuiste toepassing die het college aan artikel 4 onder a, van het sociaal statuut geeft. Anders dan daarin is geregeld heeft het college namelijk op zich genomen de suppletie uit te keren. De Raad kan zich indenken dat dit een juiste uitvoering van artikel 4 onder d, van het sociaal statuut bemoeilijkt, maar is van oordeel dat daarvan in de gegeven omstandigheden appellante niet de dupe mag worden.

4. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep slaagt. De aangevallen uitspraak moet, voor zover zij is aangevochten, worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen zal de Raad het bestreden besluit inzake de einddatum (9 januari 2007) van de suppletie op grond van artikel 4 onder a, van het sociaal statuut vernietigen en het college opdragen met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit op bezwaar te nemen.

5. De Raad ziet tenslotte aanleiding het college te veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep tot een bedrag van € 1.288,-.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten;

Verklaart het beroep van appellante tegen het besluit van 9 januari 2007 inzake de einddatum van de suppletie gegrond en vernietigt dat besluit in zoverre;

Bepaalt dat het college een nieuw besluit neemt met inachtneming van deze uitspraak;

Veroordeelt het college in de kosten in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep tot een bedrag van € 1.288,-;

Bepaalt dat het college aan appellante het door haar in eerste aanleg en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 355,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door J.G. Treffers als voorzitter en J.Th. Wolleswinkel en M.C. Bruning als leden, in tegenwoordigheid van M.B. de Gooijer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 augustus 2009.

(get.) J.G. Treffers.

(get.) M.B. de Gooijer.

HD