Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BJ5593

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-08-2009
Datum publicatie
20-08-2009
Zaaknummer
08-23 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering. Schending inlichtingenverplichting. Gezamenlijke huishouding. De Raad stelt vast dat het College de intrekking niet heeft beperkt tot een bepaalde periode. Volgens vaste rechtspraak van de Raad - zie onder meer de uitspraak van 18 juli 2006 (LJN AY5142) - bestrijkt de beoordeling door de bestuursrechter in een dergelijk geval de periode vanaf de datum met ingang waarvan de bijstand is ingetrokken tot en met de datum van het primaire intrekkingsbesluit. Het voorgaande betekent dat hier beoordeeld dient te worden de periode van 1 april 2004 tot en met 1 juni 2006, de datum van het laatstelijk genomen intrekkingsbesluit. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat genoegzaam is komen vast te staan dat appellant en partner ten tijde hier van belang een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd. Door van de gezamenlijke huishouding geen mededeling te doen, heeft appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting geschonden. Als gevolg hiervan is hem ten onrechte bijstand naar de norm voor een alleenstaande verleend. Met betrekking tot de medeterugvordering stelt de Raad allereerst vast dat de rechtbank in de aangevallen uitspraak haar beoordeling ten onrechte - en in strijd met artikel 8:69, eerste lid, van de Awb - heeft beperkt tot de intrekking en terugvordering en niet tevens de rechtmatigheid van de medeterugvordering van appellant van de kosten van de over de periode van 1 april 2004 tot en met 28 februari 2006 aan partner verleende bijstand heeft beoordeeld. Naar het oordeel van de Raad moeten de beroepsgronden zo worden begrepen dat naast de terugvordering ook de medeterugvordering wordt bestreden. De aangevallen uitspraak dient derhalve in zoverre te worden vernietigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/23 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 21 november 2007, 07/8 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Maastricht (hierna: College)

Datum uitspraak: 4 augustus 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. B.H.M. Nijsten, advocaat te Maastricht, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 mei 2009. Appellant en zijn gemachtigde zijn niet verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door P.H.J.M. Kalmar, werkzaam bij de gemeente Maastricht.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant ontving vanaf 18 maart 2003 bijstand naar de norm voor een alleenstaande, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB). [O.] (hierna: [O.]) ontving vanaf 24 september 2001 eveneens bijstand naar de norm voor een alleenstaande, laatstelijk ingevolge de WWB.

1.2. Naar aanleiding van een anonieme melding dat appellant al ongeveer twee jaar samen is met [O.], heeft de Sociale Recherche van de Dienst Sociale en Economische Zaken van de gemeente Maastricht een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand. In dat kader is dossieronderzoek verricht, is de woning van [O.] aan de [adres 1] te [plaatsnaam] geobserveerd, is een bezoek aan die woning gebracht en zijn appellant, [O.] en diverse getuigen gehoord.

1.3. Op grond van het onderzoek, waarvan de bevindingen zijn neergelegd in een rapport van 27 april 2006, heeft het College de bijstand van appellant bij besluit van 16 mei 2006 met ingang van 1 maart 2006 beëindigd (lees: ingetrokken). Voorts heeft het College bij besluit van 1 juni 2006 de bijstand van appellant met ingang van 1 april 2004 herzien (lees: ingetrokken) en de over de periode van 1 april 2004 tot en met 28 februari 2006 gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 22.947,36 van appellant teruggevorderd. Daaraan ligt ten grondslag dat appellant met [O.] vanaf 1 april 2004 een gezamenlijke huishouding voert en dit in strijd met de op hem rustende inlichtingenverplichting niet heeft gemeld.

1.4. Bij voormeld besluit van 1 juni 2006 heeft het College de kosten van de over de periode van 1 april 2004 tot en met 28 februari 2006 aan [O.] verleende bijstand tot een bedrag van € 20.306,25 mede van appellant teruggevorderd.

1.5. Bij besluit van 15 november 2006 heeft het College de bezwaren tegen de besluiten van 16 mei 2006 en 1 juni 2006 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 15 november 2006 ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

De intrekking en terugvordering

4.1. De Raad stelt vast dat het College de intrekking niet heeft beperkt tot een bepaalde periode. Volgens vaste rechtspraak van de Raad - zie onder meer de uitspraak van 18 juli 2006 (LJN AY5142) - bestrijkt de beoordeling door de bestuursrechter in een dergelijk geval de periode vanaf de datum met ingang waarvan de bijstand is ingetrokken tot en met de datum van het primaire intrekkingsbesluit. Het voorgaande betekent dat hier beoordeeld dient te worden de periode van 1 april 2004 tot en met 1 juni 2006, de datum van het laatstelijk genomen intrekkingsbesluit.

4.2. Ingevolge artikel 3, derde lid, van de WWB is van een gezamenlijke huishouding sprake, indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.

4.3. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat genoegzaam is komen vast te staan dat appellant en [O.] ten tijde hier van belang een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd. De onderzoeksbevindingen bieden voldoende grondslag voor het standpunt van het College dat zij hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben gehad en dat zij zorg droegen voor elkaar. De Raad hecht hierbij in het bijzonder betekenis aan de twee uitgebreide verklaringen die appellant en de drie uitgebreide verklaringen die [O.] tegenover de Sociale Recherche hebben afgelegd, waarin zij na voorlezing hebben volhard en die door hen voor juist zijn ondertekend. De Raad ziet geen aanleiding om in dit geval af te wijken van zijn vaste rechtspraak dat van de juistheid van een tegenover een sociaal rechercheur afgelegde en ondertekende verklaring mag worden uitgegaan en dat aan een latere intrekking van die verklaring geen doorslaggevende betekenis kan worden toegekend. De Raad onderschrijft de overwegingen en het daarop gebaseerde oordeel van de rechtbank volledig en maakt deze tot de zijne. In hetgeen appellant in hoger beroep nog naar voren heeft gebracht, heeft de Raad geen aanknopingspunten gevonden om tot een andersluidend oordeel te komen.

4.4. Door van de gezamenlijke huishouding geen mededeling te doen, heeft appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting geschonden. Als gevolg hiervan is hem ten onrechte bijstand naar de norm voor een alleenstaande verleend. Het College was dan ook bevoegd om met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB de bijstand van appellant met ingang van 1 april 2004 in te trekken. Het College heeft gehandeld in overeenstemming met de ter zake van intrekking gehanteerde beleidsregel. In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Raad geen bijzondere omstandigheden op grond waarvan het College, met toepassing van artikel 4:84 (slot) van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), van de beleidsregel had moeten afwijken.

4.5. Uit 4.4 vloeit voort dat het College op grond van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB bevoegd was om de gemaakte kosten van bijstand over de periode van 1 april 2004 tot en met 28 februari 2006 van appellant terug te vorderen. Het College heeft gehandeld in overeenstemming met de ter zake van terugvordering gehanteerde beleidsregel. In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Raad geen bijzondere omstandigheden op grond waarvan het College, met toepassing van artikel 4:84 (slot) van de Awb, van de beleidsregel had moeten afwijken.

4.6. Hetgeen onder 4.3 tot en met 4.5 is overwogen brengt mee dat het hoger beroep in zoverre niet slaagt.

De medeterugvordering

4.7. De Raad stelt allereerst, ambtshalve, vast dat de rechtbank in de aangevallen uitspraak haar beoordeling ten onrechte - en in strijd met artikel 8:69, eerste lid, van de Awb - heeft beperkt tot de intrekking en terugvordering en niet tevens de rechtmatigheid van de medeterugvordering van appellant van de kosten van de over de periode van 1 april 2004 tot en met 28 februari 2006 aan [O.] verleende bijstand heeft beoordeeld. Naar het oordeel van de Raad moeten de beroepsgronden zo worden begrepen dat naast de terugvordering ook de medeterugvordering wordt bestreden. De aangevallen uitspraak dient derhalve in zoverre te worden vernietigd.

4.8. De Raad overweegt voorts het volgende.

4.9. Artikel 59, tweede lid, van de WWB bepaalt, voor zover van belang, dat indien de bijstand als gezinsbijstand aan gehuwden had moeten worden verleend, maar zulks achterwege is gebleven, omdat de belanghebbende de verplichtingen, bedoeld in artikel 17 niet of niet behoorlijk is nagekomen, de kosten van bijstand mede kunnen worden teruggevorderd van de persoon met wiens middelen als bedoeld in paragraaf 3.4 bij de verlening van bijstand rekening had moeten worden gehouden.

4.10. Gelet op hetgeen hiervoor onder 4.3 is overwogen, staat vast dat appellant en [O.] ten tijde in geding een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd. Bij besluit van 7 juli 2006 heeft het College, voor zover hier van belang, de bijstand van [O.] over de periode van 1 april 2004 tot en met 28 februari 2006 ingetrokken omdat zij in die periode met appellant een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd en ten aanzien hiervan de inlichtingenverplichting heeft geschonden. Bij besluit van 30 november 2006 heeft het College het bezwaar van [O.] tegen het besluit van 7 juli 2006 ongegrond verklaard. Tegen dit besluit is geen rechtsmiddel aangewend. Gelet op het vorenstaande heeft het College naar het oordeel van de Raad appellant terecht aangemerkt als de persoon met wiens middelen bij de verlening van bijstand aan [O.] rekening had moeten worden gehouden. Tevens staat vast dat van de gezamenlijke huishouding geen melding is gemaakt. Hieruit volgt dat ten aanzien van appellant is voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 59, tweede lid, van de WWB. Het College was derhalve bevoegd de kosten van de ten onrechte aan [O.] verleende bijstand mede van appellant terug te vorderen. Het College heeft gehandeld in overeenstemming met de ter zake van medeterugvordering gehanteerde beleidsregel. In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Raad geen bijzondere omstandigheden op grond waarvan het College, met toepassing van artikel 4:84 (slot) van de Awb, van de beleidsregel had moeten afwijken.

4.11. De Raad zal derhalve, doende wat de rechtbank zou behoren te doen, het beroep in zoverre ongegrond verklaren.

5. De Raad ziet aanleiding om het College te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 322,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover daarbij niet is beslist op het beroep tegen de medeterugvordering van appellant van de kosten van de over de periode van 1 april 2004 tot en met 28 februari 2006 aan [O.] verleende bijstand;

Verklaart het beroep, voorzover dat ziet op de medeterugvordering, ongegrond;

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

Veroordeelt het College in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 322,--;

Bepaalt dat het College aan appellant het betaalde griffierecht van € 106,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter en R.H.M. Roelofs en O.L.H.W.I. Korte als leden, in tegenwoordigheid van R.B.E. van Nimwegen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 augustus 2009.

(get.) N.J. van Vulpen-Grootjans.

(get.) R.B.E. van Nimwegen.

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH ‘s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke huishouding.

DW