Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BJ5592

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-08-2009
Datum publicatie
20-08-2009
Zaaknummer
09-48 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ter uitvoering van een eerdere uitspraak van 19 april 2007 heeft het College op 3 augustus 2007 een nieuw besluit op bezwaar genomen, waarbij het bezwaar wederom ongegrond is verklaard omdat het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. De rechtbank heeft een onjuiste maatstaf gehanteerd door zich ten onrechte niet langer gebonden te achten aan de tussen partijen gewezen uitspraak van 19 april 2007. De rechtbank heeft in haar uitspraak van 19 april 2007 al vastgesteld dat appellante de in geding zijnde transacties en de daaruit verkregen inkomsten voor het College heeft verzwegen en dat zij daarmee haar wettelijke inlichtingenverplichting heeft geschonden. Daarvan uitgaande en gelet op hetgeen overigens in die uitspraak bindend is overwogen, acht de Raad het College slechts bevoegd om de bijstand van appellante met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB te herzien over de maanden waarin een of meer transacties hebben plaatsgevonden op basis van inkomsten van € 60,--, zijnde het gemiddelde van de genoemde bedragen van € 50,-- en € 70,--, per transactie. De Raad acht het College vervolgens tevens op grond van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB bevoegd tot een uit die herziening voortvloeiende terugvordering. Het ligt daarbij in de rede dat het College daarbij gebruik maakt van de bevoegdheid, gelet op de hiervoor vastgestelde schending van de inlichtingenverplichting, het netto-bedrag van de teveel verleende bijstand te bruteren. Bij het voorgaande tekent de Raad voor alle duidelijkheid aan dat daaruit niet mag worden afgeleid dat in algemene zin wordt teruggekomen op het oordeel van de Raad zoals neergelegd in zijn uitspraken van 24 februari 2009, LJN BH4364 en BH4362.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2009, 221
ABkort 2009/368
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/48 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 24 november 2008, 07/3400 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam (hierna: College)

Datum uitspraak: 11 augustus 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. A.T. Tilburg, advocaat te Spijkenisse, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met de zaken 09/01 WWB, 09/45 WWB en 09/46 WWB, plaatsgevonden op 30 juni 2009. Voor appellante is verschenen mr. Tilburg. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door A. Dinc, werkzaam bij de gemeente Rotterdam.

Na de behandeling ter zitting zijn de gevoegde zaken weer gesplitst.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante ontving sinds 3 december 2001 een bijstandsuitkering, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB).

1.2. In het kader van een samenwerkingsafspraak tussen de gemeente Rotterdam en de politie Rotterdam-Rijnmond heeft een gegevensuitwisseling plaatsgevonden ter zake van zogenoemde money-transfers. Het ging daarbij om ongebruikelijke transacties die voor melding in aanmerking kwamen als bedoeld in de Wet melding ongebruikelijke transacties. Daaruit is gebleken dat appellante in de periode van 3 december 2001 tot en met 20 oktober 2004 elf keer een aanzienlijk bedrag heeft overgemaakt naar het buitenland, en wel in december 2001 (1), maart 2002 (2), maart 2003 (1), juni 2003 (1), juli 2003 (1), december 2003 (2), februari 2004 (1), augustus 2004 (1) en oktober 2004 (1).

1.3. Bij besluit van 22 mei 2006 heeft het College de bijstand over de in 1.2 vermelde maanden ingetrokken en de over die maanden gemaakte kosten van bijstand van appellante teruggevorderd tot een totaalbedrag van € 11.464,25.

1.4. Appellante heeft tegen het besluit van 22 mei 2006 bezwaar gemaakt. Zij heeft aangevoerd dat zij alleen als “katvanger” heeft gefungeerd en dat zij voor de transacties niet meer dan af en toe een bedrag van € 50,-- of een tas met boodschappen heeft ontvangen. Bij besluit van 30 augustus 2006 heeft het College dit bezwaar ongegrond verklaard. Aan dat besluit is ten grondslag gelegd dat appellante het verrichten van deze transacties niet heeft vermeld op de daarvoor bedoelde rechtmatigheidsformulieren en dat zij deze werkzaamheden en de daaruit ontvangen inkomsten ook niet op een andere wijze heeft verantwoord. Als gevolg daarvan kan haar recht op bijstand over de maanden waarin de transacties hebben plaatsgevonden niet worden vastgesteld.

1.5. Bij uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 19 april 2007, 06/3763, is het beroep van appellante tegen het besluit van 30 augustus 2006 gegrond verklaard. De rechtbank heeft dat besluit vernietigd en, zo volgt uit de overwegingen van de uitspraak, het College opgedragen en nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van de uitspraak. Tevens zijn beslissingen genomen omtrent de proceskosten en het griffierecht. Aan het oordeel van de rechtbank zijn de volgende overwegingen ten grondslag gelegd, waarbij appellante is aangeduid als eiseres en het College als verweerder:

”De rechtbank stelt vast dat eiseres schending van de inlichtingenplicht kan worden verweten. Dit brengt in het algemeen met zich mee dat het aan eiseres is om aan de hand van concrete en verifieerbare gegevens aan te tonen dan wel aannemelijk te maken dat als zij destijds wel aan haar plicht zou hebben voldaan, zij - nog steeds - recht op bijstand zou hebben gehad.

In het onderhavige geval is komen vast te staan dat eiseres als zogeheten katvanger heeft gefungeerd. Niet gesteld of gebleken is dat het geld dat eiseres heeft overgemaakt, geld was waarover zij kon beschikken dan wel dat aan haar toebehoorde. Eiseres is in de strafprocedure als verdachte gehoord, hetgeen (nog) niet heeft geleid tot een strafrechtelijke vervolging. In deze procedure heeft zij tegenover de opsporingsbeambte verklaard dat zij voor de geldtransporten per keer € 50,-- heeft ontvangen dan wel een tas met boodschappen ter waarde van ongeveer € 70,--.

Na de verkregen informatie uit het MOT-project heeft verweerder geen aanvullend onderzoek verricht. Niet gebleken is dat er aanwijzingen zijn dat eiseres meer heeft ontvangen dan hetgeen zij in het kader van het strafrechtelijk onderzoek heeft verklaard. De enige informatie waarover verweerder blijkens de gedingstukken en het verhandelde ter zitting heeft beschikt, bevat gegevens over de verrichte transacties (zoals datum, opdrachtgever en begunstigde) en de verklaring van eiseres, waarin zij heeft verklaard over de toedracht rond de transacties en de door haar ontvangen vergoedingen.

Hoewel de door eiseres verrichte werkzaamheden in het maatschappelijk verkeer op een economische waarde kunnen worden bepaald, kan niet worden vastgesteld dat sprake is van werkzaamheden die naar hun aard en/of naar de frequentie waarmee ze zijn verricht zonder meer aannemelijk maken dat eiseres met de daarmee ontvangen vergoedingen in de maanden waarin zij de desbetreffende handelingen heeft verricht in haar levensonderhoud heeft kunnen voorzien. Ook dit is - bijvoorbeeld met behulp van aanvullend onderzoek - niet aannemelijk gemaakt.

Naar het oordeel van de rechtbank gaat het onder deze omstandigheden te ver als verweerder van eiseres verlangt een boekhouding of administratie te overleggen, waaruit blijkt dat zij niet meer heeft ontvangen dan een bedrag van € 50,-- of een tas met boodschappen ter waarde van (ongeveer) dit bedrag. Hierbij kan de rechtbank ook niet inzien waarom een dergelijke administratie van eiseres iets zou toevoegen aan de door eiseres in het kader van het strafrechtelijk onderzoek afgelegde verklaring, nu er geen aanwijzingen zijn dat eiseres meer of andere vergoedingen heeft ontvangen. Ook in het geval dat eiseres de door haar ontvangen vergoedingen direct bij verweerder zou hebben gemeld, is niet aannemelijk dat verweerder meer informatie zou hebben ontvangen dan de informatie zoals is neergelegd in de opgenomen verklaring van eiseres.

Gelet op het vorenstaande gaat verweerder naar het oordeel van de rechtbank te ver in zijn gevolgtrekkingen door te stellen dat door schending van de inlichtingenplicht in de desbetreffende maanden waarin een overboeking heeft plaatsgevonden het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. De thans voorhanden zijnde informatie leidt niet tot die conclusie. De rechtbank is van oordeel dat verweerder niet zonder meer enkel op basis van werkafspraken in het kader van het project MOT kan besluiten tot het geheel herzien van het recht op bijstand over de desbetreffende maanden ongeacht de hoogte van de ontvangen gelden. Het bestreden besluit ontbeert naar het oordeel van de rechtbank een voldoende feitelijke grondslag en daardoor een toereikende motivering. Nu het bestreden besluit voor zover het betrekking heeft op de gehele herziening van het recht op uitkering over de desbetreffende maanden niet kan worden gehandhaafd, komt eveneens de grondslag aan het besluit tot terugvordering te ontvallen. De rechtbank overweegt meer ten overvloede dat niet wordt ontkend dat de schending van de inlichtingenplicht bij een nieuw besluit van verweerder kan leiden tot terugvordering van (mogelijk) ten dele ten onrechte ontvangen bijstand alsmede tot het opleggen van een maatregel.”

1.6. Het College heeft tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld. Dit hoger beroep is door de Raad bij uitspraak van 9 oktober 2007, 07/2861, niet-ontvankelijk verklaard.

1.7. Ter uitvoering van de in 1.5 genoemde en gedeeltelijk aangehaalde uitspraak heeft het College op 3 augustus 2007 een nieuw besluit op bezwaar genomen, waarbij het bezwaar wederom ongegrond is verklaard op de grond dat haar recht op bijstand over de desbetreffende maanden niet kan worden vastgesteld. Appellante is niet opnieuw gehoord. Evenmin heeft nader onderzoek plaatsgevonden. Bij zijn besluitvorming heeft het College recente rechtspraak van de Raad in aanmerking genomen.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 3 augustus 2007 ongegrond verklaard. Kort gezegd heeft de rechtbank daartoe overwogen dat appellante geen deugdelijke en verifieerbare onderbouwing heeft gegeven van haar standpunt dat zij hooguit € 50,-- contant of € 70,-- aan boodschappen heeft ontvangen. De rechtbank heeft voorts gewezen op de uitspraak van de meervoudige kamer van de rechtbank Rotterdam van 20 november 2008 waarin in een vergelijkbare zaak, waarbij het eveneens ging om money-transfers verricht door een bijstandsgerechtigde, eenzelfde oordeel is neergelegd, en op recente rechtspraak van de Raad.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De Raad stelt voorop dat, nu appellante geen hoger beroep heeft ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 19 april 2007 en het door het College tegen die uitspraak ingestelde hoger beroep niet-ontvankelijk is verklaard, deze uitspraak in rechte onaantastbaar is. Dat betekent tevens dat moet worden uitgegaan van formele rechtskracht van het door de rechtbank in die uitspraak neergelegde oordeel over de haar voorgelegde geschilpunten en de daartoe door de rechtbank gebezigde overwegingen, voor zover deze uitdrukkelijk en zonder voorbehoud zijn gegeven.

4.2. Bij de rechtbank lag in het onderhavige geding vervolgens slechts ter beoordeling voor of het College met het besluit van 3 augustus 2007 een juiste uitvoering heeft gegeven aan de uitspraak van de rechtbank van 19 april 2007. Appellante heeft hierop in haar beroepschrift gewezen, maar de rechtbank heeft dat niet onderkend. De rechtbank heeft zich immers - naar het oordeel van de Raad ten onrechte - niet langer gebonden geacht aan de tussen partijen gewezen uitspraak van 19 april 2007. Dat heeft vervolgens met zich gebracht dat de rechtbank een onjuiste maatstaf heeft gehanteerd. De aangevallen uitspraak dient reeds hierom te worden vernietigd. In zoverre slaagt het hoger beroep derhalve.

4.3. De Raad zal vervolgens doen wat de rechtbank zou behoren te doen.

4.4. De Raad stelt vast dat het College, in feite op dezelfde gronden als neergelegd in het besluit van 30 augustus 2006 en zonder nader onderzoek of nadere feitelijke onderbouwing, opnieuw heeft geconcludeerd tot volledige intrekking van de bijstand over iedere maand waarin een of meer transacties hebben plaatsgevonden. De uitspraak van

19 april 2007 laat daarvoor evenwel, gezien de hiervoor in 1.5 aangehaalde overwegingen, geen ruimte. Dat er nadien uitspraken van de Raad en een uitspraak van de meervoudige kamer van de rechtbank Rotterdam zijn gepubliceerd, onder meer in zaken waarbij het ook ging om intrekking van de bijstand vanwege ongebruikelijke geldtransacties door een bijstandsgerechtigde, maakt dit niet anders. In de eerste plaats merkt de Raad daarover op dat in die zaken niet een zelfde uitspraak van de rechtbank Rotterdam voorlag als in het onderhavige geding het geval is met de uitspraak van

19 april 2007. Bovendien brengt nieuwe rechtspraak niet met zich dat, zoals het College in de beroepsfase nog heeft aangevoerd, de uitspraak van 19 april 2007 niet meer als tussen de betrokken partijen rechtens geldend kan worden beschouwd.

4.5. De Raad komt tot de conclusie dat met het besluit van 3 augustus 2007 geen juiste uitvoering is gegeven aan meergenoemde uitspraak. Het beroep van appellante tegen dat besluit dient gegrond te worden verklaard. Dit besluit komt wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht voor vernietiging in aanmerking.

4.6. De Raad zal het College opdragen een nieuw besluit te nemen op het bezwaar tegen het besluit van 22 mei 2006. Met het oog op een definitieve beslechting van dit geschil overweegt de Raad ten behoeve van de nadere besluitvorming het volgende. De rechtbank heeft in haar uitspraak van 19 april 2007 al vastgesteld dat appellante de in geding zijnde transacties en de daaruit verkregen inkomsten voor het College heeft verzwegen en dat zij daarmee haar wettelijke inlichtingenverplichting heeft geschonden. Daarvan uitgaande en gelet op hetgeen overigens in die uitspraak bindend is overwogen, acht de Raad het College slechts bevoegd om de bijstand van appellante met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB te herzien over de maanden waarin een of meer transacties hebben plaatsgevonden op basis van inkomsten van € 60,--, zijnde het gemiddelde van de genoemde bedragen van € 50,-- en € 70,--, per transactie. De Raad acht het College vervolgens tevens op grond van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB bevoegd tot een uit die herziening voortvloeiende terugvordering. Het ligt daarbij in de rede dat het College daarbij gebruik maakt van de bevoegdheid, gelet op de hiervoor vastgestelde schending van de inlichtingenverplichting, het netto-bedrag van de teveel verleende bijstand te bruteren.

4.7. Bij het voorgaande tekent de Raad voor alle duidelijkheid aan dat daaruit niet mag worden afgeleid dat in algemene zin wordt teruggekomen op het oordeel van de Raad zoals neergelegd in zijn uitspraken van 24 februari 2009, LJN BH4364 en BH4362.

5. De Raad ziet aanleiding het College te veroordelen in de proceskosten van appellante. Deze worden begroot op € 644,-- in beroep en op € 644,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 3 augustus 2007 gegrond en vernietigt dat besluit;

Draagt het College op een nieuwe beslissing te nemen op het bezwaar tegen het besluit van 22 mei 2006, met inachtneming van deze uitspraak;

Veroordeelt het College in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 1.288,--;

Bepaalt dat het College het door appellante in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 146,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham als voorzitter en R.H.M. Roelofs en C. van Viegen als leden, in tegenwoordigheid van B.E. Giesen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 augustus 2009

(get.) A.B.J. van der Ham.

(get.) B.E. Giesen.

DW