Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BJ5486

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
14-08-2009
Datum publicatie
19-08-2009
Zaaknummer
08-5962 WSF
Rechtsgebieden
Civiel recht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Oplegging als boete aangeduide vordering ter zake van een door appellante gedurende de maanden januari tot en met december 2004 genoten reisvoorziening, wegens overschrijding van de inkomensgrens in het jaar 2004. De Raad heeft in een reeks van uitspraken - naar een deel waarvan de rechtbank heeft verwezen - als zijn oordeel neergelegd dat de vordering bedoeld een compensatoire vordering is ter grootte van het bedrag dat de overheid voor de OV-studentenkaart c.q. voor de vervangende reisvoorziening in geld heeft uitgegeven. De Raad heeft in hetgeen appellante naar voren heeft gebracht geen feiten of omstandigheden kunnen ontwaren die de Raad niet in zijn oordeelsvorming omtrent het karakter van de vordering bedoeld heeft betrokken en die tot een ander oordeel dan neergelegd in zijn vaste rechtspraak moeten leiden. De Raad kan appellante niet volgen in haar standpunt ter zake van de coulanceregeling. De IB-Groep is genegen onder omstandigheden aanvragen welke strikt genomen te laat zijn ingediend toch in behandeling te nemen. De rechtbank is onder verwijzing naar vaste rechtspraak van de Raad op dit punt tot het oordeel gekomen dat deze handelwijze - mits consequent toegepast - aanvaardbaar is. De door appellante aangevoerde omstandigheid dat de IB-Groep deze handelwijze voor inkomsten over het jaar 2007 heeft aangepast in die zin dat de termijn waarbinnen niet tijdig gedane meldingen worden aanvaard is verruimd, doet aan het vorenstaande niet af.

Wetsverwijzingen
Wet studiefinanciering 2000
Wet studiefinanciering 2000 3.27
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/5962 WSF

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 8 september 2008, 07/3302 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de hoofddirectie van de Informatie Beheer Groep (hierna: IB-Groep).

Datum uitspraak: 14 augustus 2009

I. PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

De IB-Groep heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 juli 2009. Appellante is verschenen. De IB-Groep was vertegenwoordigd door mr. K.F. Hofstee.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Bij besluit van 14 juli 2007 heeft de IB-Groep, wegens overschrijding van de inkomensgrens in het jaar 2004, aan appellante een in dat besluit als boete aangeduide vordering ter zake van een door appellante gedurende de maanden januari tot en met december 2004 genoten reisvoorziening opgelegd.

1.2. Bij besluit van 25 oktober 2007 heeft de IB-Groep het bezwaarschrift van appellante tegen het besluit van 14 juli 2007 ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het besluit van 25 oktober 2007 bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard. De rechtbank heeft hiertoe, onder verwijzing naar vaste rechtspraak van de Raad, overwogen dat de vordering bedoeld in 1.1 geen punitief karakter heeft en dat appellante de IB-Groep er niet van op de hoogte heeft gesteld dat sprake was van meerinkomen.

3.1.1. In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat zij het door de rechtbank gevolgde standpunt van de Raad, dat de vordering bedoeld in 1.1 een compensatoir karakter heeft, onjuist acht. Zij heeft gewezen op de wetsgeschiedenis, de noot bij de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 7 november 2002, JB 2003/29, op uitspraken van de (Voorzitter van het) College van beroep studiefinanciering en op een inmiddels bij de Tweede Kamer der Staten-Generaal aanhangig wetsontwerp tot wijziging van de regeling inzake de in 1.1 bedoelde vordering.

3.1.2. Naar appellante heeft uiteengezet is het - na bestudering van de in 3.1.1 bedoelde stukken - haar vaste overtuiging dat de vordering bedoeld in 1.1 een boete is en dat deze boete dient te worden getoetst aan het evenredigheidsbeginsel.

3.1.3. Voorts heeft appellante aangevoerd het niet eens te zijn met het oordeel van de rechtbank over de aanvaardbaarheid van de zogenoemde coulanceregeling bij het niet tijdig melden van overschrijding van de inkomensgrens.

3.2.1. De IB-Groep heeft er in verweer op gewezen dat de door appellante aangehaalde uitspraak van de rechtbank Amsterdam ziet op een besluit tot stand gekomen onder de voorloper van de Wet studiefinanciering 2000 en overigens door de Raad is vernietigd.

3.2.2. De IB-Groep heeft voorts gewezen op de vaste rechtspraak van de Raad omtrent het karakter van de vordering bedoeld in 1.1 en aangegeven geen reden te zien op grond waarvan in dit geval van deze vaste rechtspraak zou kunnen of moeten worden afgeweken.

3.2.3. Ten aanzien van het standpunt van appellante omtrent de coulanceregeling heeft de IB-Groep erop gewezen dat appellante nimmer een melding van haar meerinkomen heeft gedaan.

4.1. De Raad overweegt als volgt.

4.2. Appellante heeft in hoger beroep een aantal beroepsgronden naar voren gebracht die zij ook reeds bij de rechtbank heeft ingebracht. Naar het oordeel van de Raad heeft de rechtbank deze gronden afdoende besproken en genoegzaam gemotiveerd waarom die gronden niet slagen. De Raad kan zich vinden in de overwegingen en het oordeel van de rechtbank. De Raad voegt hieraan - mede naar aanleiding van hetgeen appellante overigens in hoger beroep naar voren heeft gebracht - nog het volgende toe.

4.3. De Raad heeft in een reeks van uitspraken - naar een deel waarvan de rechtbank heeft verwezen - als zijn oordeel neergelegd dat de vordering bedoeld in 1.1 een compensatoire vordering is ter grootte van het bedrag dat de overheid voor de OV-studentenkaart c.q. voor de vervangende reisvoorziening in geld heeft uitgegeven.

4.4. De Raad heeft in hetgeen appellante naar voren heeft gebracht geen feiten of omstandigheden kunnen ontwaren die de Raad niet in zijn oordeelsvorming omtrent het karakter van de vordering bedoeld in 1.1 heeft betrokken en die tot een ander oordeel dan neergelegd in zijn vaste rechtspraak moeten leiden. Van het door appellante bedoelde wetsontwerp staat nog geenszins vast dat dit in zijn huidige vorm tot wet zal worden verheven. Daarbij komt dat een wijziging van de wet nog geenszins met zich brengt dat de oorspronkelijke wet onverbindend zou zijn. De Raad wijst in dit verband overigens op artikel 11 van de Wet algemene bepalingen waaruit volgt dat de rechter in geen geval de innerlijke waarde of billijkheid van de wet mag beoordelen.

4.5. De grief van appellante dat de rechtbank ten onrechte tot het oordeel is gekomen dat sprake van een compensatoire vordering en niet van een punitieve sanctie treft mitsdien geen doel.

4.6. De grieven van appellante die gebaseerd zijn op het standpunt dat de vordering wel als een punitieve sanctie moet worden gezien, behoeven gelet op 4.4 mitsdien geen bespreking.

4.7. De Raad kan appellante niet volgen in haar standpunt ter zake van de coulanceregeling. De IB-Groep is genegen onder omstandigheden aanvragen welke strikt genomen te laat zijn ingediend toch in behandeling te nemen. De rechtbank is onder verwijzing naar vaste rechtspraak van de Raad op dit punt tot het oordeel gekomen dat deze handelwijze - mits consequent toegepast - aanvaardbaar is. De door appellante aangevoerde omstandigheid dat de IB-Groep deze handelwijze voor inkomsten over het jaar 2007 heeft aangepast in die zin dat de termijn waarbinnen niet tijdig gedane meldingen worden aanvaard is verruimd, doet aan het vorenstaande niet af. Nog daargelaten dat dit geschil niet ziet op inkomsten over het jaar 2007, kan niet uit het oog worden verloren dat appellante in het geheel geen melding heeft gedaan en derhalve geen rechten kan ontlenen aan de coulanceregeling die ziet op het onder omstandigheden aanvaarden van niet tijdig gedane meldingen.

4.8. Het hoger beroep treft mitsdien geen doel. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

4.9. Voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht ziet de Raad geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J. Brand, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 augustus 2009.

(get.) J. Brand.

(get.) M.A. van Amerongen.

TM