Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BJ5425

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-08-2009
Datum publicatie
18-08-2009
Zaaknummer
07-5158 WIA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Uwv heeft loonsanctie naar aanleiding van bezwaar van werkgever herroepen, op de grond dat niet is komen vast te staan dat de werkgever niet heeft voldaan aan zijn re-integratieverplichtingen. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd, maar ook bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven. Het geschil tussen partijen spitst zich toe op de vraag of al dan niet sprake is geweest van onvoldoende re-integratie-inspanningen door de werkgever, als bedoeld in artikel 25, negende lid, van de Wet WIA. De omstandigheid dat het Uwv ambtshalve een loonsanctie oplegt aan de werkgever, maar deze loonsanctie na bezwaar van de werkgever herroept bij een besluit op bezwaar, doet niet af aan het besluitkarakter. Bij een dergelijk besluit op bezwaar is de werknemer belanghebbende. In een geval als dit, waarin appellant stelt dat zijn werkgever tekort is geschoten in zijn re-integratie-inspanningen en dat daarom een loonsanctie moet worden opgelegd, is het aan appellant om feiten naar voren te brengen die voldoende grond opleveren voor het oordeel dat de werkgever niet in redelijkheid heeft kunnen komen tot de re-integratie-inspanningen die zijn verricht en voor het oordeel dat het Uwv daarom een loonsanctie had moeten opleggen of handhaven. De stelling van appellant dat de inspanningen van de werkgever slechts formaliteiten zijn geweest, en dat de werkgever heeft aangestuurd op een arbeidsconflict en op het einde van de dienstbetrekking, vindt geen steun in de stukken.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 1:2
Algemene wet bestuursrecht 1:3
Algemene wet bestuursrecht 6:13
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2009/287
ABkort 2009/365
USZ 2009/294
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/5158 WIA

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant] wonende [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Zutphen van 20 juli 2007, 07/1038 en 07/640 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen

(hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 12 augustus 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. N.A. Viellevoye-Geers, advocaat te Arnhem, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Bij brief van 16 maart 2008 is een aanvullend verweerschrift ingediend.

Bij brief van 10 september 2007 is [werkgever] erop gewezen dat zij kan verzoeken om als partij aan het geding deel te nemen, maar daarop is niet gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 april 2009. Appellant is, met voorafgaand bericht, niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.A. van de Berkt.

II. OVERWEGINGEN

1. Bij besluit van 5 januari 2007 heeft het Uwv het tijdvak waarin appellant jegens zijn werkgever [werkgever] (hierna: de werkgever) recht heeft op loon tijdens ziekte, verlengd met (maximaal) 52 weken. Die verlenging – ook wel kortweg loonsanctie genoemd – is opgelegd in aansluiting op de afloop van de normale wachttijd van 104 weken, en op de grond dat geen compleet re-integratieverslag was overgelegd bij de aanvraag van appellant om toekenning van een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA).

2. De werkgever heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Bij besluit van 7 maart 2007 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv dit bezwaar gegrond verklaard en het besluit van 5 januari 2007 herroepen, op de grond dat niet is komen vast te staan dat de werkgever niet heeft voldaan aan zijn re-integratieverplichtingen.

3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd, maar ook bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven. Aan de vernietiging van het bestreden besluit heeft de rechtbank ten grondslag gelegd dat het Uwv appellant in het kader van de bezwaarprocedure van de werkgever de mogelijkheid had moeten bieden zijn zienswijze naar voren te brengen op een hoorzitting, nu appellant in die procedure had aangegeven dat hij van mening was dat de werkgever onvoldoende

re-integratie-inspanningen had verricht. De rechtbank heeft de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand gelaten, omdat naar het oordeel van de rechtbank op grond van het re-integratieverslag, de overige stukken en het verhandelde ter zitting voldoende was gebleken dat de werkgever in redelijkheid heeft kunnen komen tot de

re-integratie-inspanningen die hij heeft verricht.

4.1. Het hoger beroep van appellant is gericht tegen de aangevallen uitspraak, voor zover daarbij de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand zijn gelaten. Daarbij heeft appellant gesteld dat de werkgever in het geheel niet aan zijn re-integratieverplichtingen heeft voldaan. Volgens appellant zijn de inspanningen van de werkgever slechts formaliteiten geweest en was er geen intentie appellant werkelijk weer aan het werk te krijgen. Appellant meent dat de werkgever heeft aangestuurd op een arbeidsconflict en op het einde van de dienstbetrekking. Ook betoogt appellant dat het verwijt van het Uwv dat hij onvoldoende heeft meegewerkt aan zijn re-integratie, onjuist is. Verder stelt appellant dat de werkgever ten onrechte niet heeft willen meewerken aan mediation.

4.2. Het Uwv heeft de Raad gevraagd de aangevallen uitspraak te bevestigen.

5. De Raad overweegt het volgende.

6. Gezien de standpunten van partijen is in hoger beroep in geschil het antwoord op de vraag of het Uwv terecht heeft afgezien van verlenging van het tijdvak waarin appellant recht heeft op loon tijdens ziekte jegens zijn werkgever. Het geschil tussen partijen spitst zich toe op de vraag of al dan niet sprake is geweest van onvoldoende

re-integratie-inspanningen door de werkgever, als bedoeld in artikel 25, negende lid, van de Wet WIA.

7. Ambtshalve overweegt de Raad het volgende. In zijn uitspraak van 6 februari 2008 (LJN BC4478) heeft de Raad ten aanzien van de loonsanctie op grond van artikel 71a, negende lid, van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering geoordeeld dat een beslissing op een verzoek van de werknemer om de werkgever een loonsanctie op te leggen moet worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De Raad ziet geen aanleiding om ten aanzien van de loonsanctie op grond van artikel 25, negende lid, van de Wet WIA tot een ander oordeel te komen. De omstandigheid dat het Uwv – zoals in dit geval – ambtshalve een loonsanctie oplegt aan de werkgever, maar deze loonsanctie na bezwaar van de werkgever herroept bij een besluit op bezwaar, doet niet af aan het besluitkarakter. Bij een dergelijk besluit op bezwaar is de werknemer belanghebbende, in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb, en voor de werknemer staat tegen dat besluit op bezwaar het rechtsmiddel van beroep open. De rechtbank heeft appellant derhalve terecht ontvankelijk geacht in zijn beroep. De Raad overweegt dat ook het bepaalde in artikel 6:13 van de Awb aan die ontvankelijkheid niet in de weg staat, nu appellant redelijkerwijs niet kan worden verweten dat hij geen bezwaar heeft gemaakt tegen het besluit van 5 januari 2007. Met de bij dat besluit opgelegde loonsanctie kon appellant zich immers verenigen en er was geen belang voor hem om al tegen dat besluit bezwaar in te stellen.

8.1. Bij de beoordeling van het geschil zijn met name de volgende wettelijke bepalingen van belang.

8.2. Artikel 25, negende lid, van de Wet WIA, voor zover hier van belang, luidt als volgt:

“Indien bij de behandeling van de aanvraag, bedoeld in artikel 64 en de beoordeling, bedoeld in artikel 65 blijkt dat de werkgever zonder deugdelijke grond (…) onvoldoende reïntegratie-inspanningen heeft verricht, verlengt het UWV het tijdvak gedurende welke de verzekerde jegens die werkgever recht heeft op loon op grond van artikel 629 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek (…), opdat de werkgever zijn tekortkoming ten aanzien van de bedoelde verplichtingen of reïntegratie-inspanningen kan herstellen. Het tijdvak bedoeld in de eerste zin, is ten hoogste 52 weken.”

8.3. Ingevolge artikel 65 van de Wet WIA, voor zover hier van belang, beoordeelt het UWV of de werkgever en de verzekerde in redelijkheid hebben kunnen komen tot de re-integratie-inspanningen, die zijn verricht.

9.1. Aan zijn besluit om de opgelegde loonsanctie niet te handhaven, heeft het Uwv ten grondslag gelegd dat niet is gebleken dat de werkgever niet heeft voldaan aan zijn re-integratieverplichtingen. In het verweerschrift van 16 maart 2008 heeft het Uwv ter ondersteuning van dat standpunt verwezen naar de feitelijke gang van zaken rondom de re-integratie, zoals die uit de stukken blijkt.

9.2.1. Op grond van die stukken neemt de Raad de volgende feiten als vaststaand aan.

9.2.2. Nadat appellant op 10 februari 2005 ten gevolge van rugklachten was uitgevallen voor zijn werkzaamheden als productiemedewerker, hebben gesprekken plaatsgevonden met de werkgever en de arbodienst over werkhervatting. Uit de verschillende gespreksverslagen uit 2005 blijkt dat de werkgever heeft benadrukt dat beëindiging van de dienstbetrekking niet werd nagestreefd en dat werd ingezet op re-integratie. Uit die verslagen blijkt ook dat appellant het aanvankelijk niet eens was met een opgesteld plan van aanpak en weigerde dit te ondertekenen. Bij brief van 13 september 2005 heeft de werkgever appellant bericht dat een hernieuwde beoordeling door de bedrijfsarts zou plaatsvinden en dat appellant werd verzocht een gesprek aan te gaan om te komen tot opheldering van mogelijke problemen. Op 18 september 2005 is de afspraak gemaakt dat appellant voor halve dagen zou hervatten in de eigen werkzaamheden, rekening houdend met zijn beperkingen. Appellant heeft vervolgens bij brief van 18 september 2005 laten weten dat hij zijn werkzaamheden niet zou hervatten, totdat het door hem gestelde arbeidsconflict zou zijn opgelost. Vervolgens heeft de werkgever een deskundigenoordeel verkregen van het Uwv van 25 november 2005, waarin wordt aangegeven dat appellant niet heeft voldaan aan zijn re-integratie-inspanningen. In een deskundigenoordeel van diezelfde datum heeft het Uwv aan appellant meegedeeld dat de door de werkgever aangeboden werkzaamheden passend werden geacht. De werkgever heeft met ingang van 17 oktober 2005 de loondoorbetaling gestaakt, omdat appellant zich volgens de werkgever niet aan de afspraken hield. Nadat appellant de werkgever in kort geding had gedagvaard, is op 6 april 2006 bij wijze van schikking overeengekomen dat de werkgever het loon zou doorbetalen, indien aan de hand van een deskundigenoordeel zou komen vast te staan dat appellant vanaf 17 oktober 2005 niet in staat was de aangeboden werkzaamheden te verrichten.

9.2.3. Blijkens gespreksverslagen uit september 2006 heeft de werkgever die maand getracht weer een gesprek aan te gaan met appellant, wat niet is gelukt vanwege afzegging door appellant in verband met een medische behandeling. Bij brief van 16 oktober 2006 is namens de werkgever aan appellant meegedeeld dat hij ofwel een gesprek moest aangaan over werkhervatting dan wel dat hij opnieuw een deskundigenoordeel moest vragen aan het Uwv. De werknemer heeft vervolgens een deskundigenoordeel aangevraagd en bij brief van 5 april 2007 heeft het Uwv meegedeeld dat appellant vanwege zijn psychische belastbaarheid en een ernstig verstoorde arbeidsverhouding op 13 oktober 2006 niet in staat was tot het verrichten van eigen of aangepaste werkzaamheden, ook niet gedurende halve dagen.

10.1. In een geval als dit, waarin appellant stelt dat zijn werkgever tekort is geschoten in zijn re-integratie-inspanningen en dat daarom een loonsanctie moet worden opgelegd, is het aan appellant om feiten naar voren te brengen – en zonodig aannemelijk te maken – die voldoende grond opleveren voor het oordeel dat de werkgever niet in redelijkheid heeft kunnen komen tot de re-integratie-inspanningen die zijn verricht en voor het oordeel dat het Uwv daarom een loonsanctie had moeten opleggen of handhaven.

10.2. De stelling van appellant dat de inspanningen van de werkgever slechts formaliteiten zijn geweest, en dat de werkgever heeft aangestuurd op een arbeidsconflict en op het einde van de dienstbetrekking, vindt geen steun in de stukken. Uit de als vaststaand aangenomen feiten, weergegeven onder 9.2, blijkt slechts dat de werkgever activiteiten heeft ondernomen gericht op re-integratie van appellant. Dat de werkgever appellant niet serieus heeft genomen, dat de werkgever denigrerende opmerkingen heeft gemaakt en nare telefoontjes heeft gepleegd, en dat de werkgever appellants eigenwaarde en eergevoel heeft aangetast, zoals appellant aanvoert, is niet aan de hand van concrete feiten of omstandigheden aannemelijk gemaakt door appellant. De door appellant overgelegde brieven van zijn behandelend artsen, waarin wordt opgemerkt dat de werkgever er alles aan lijkt te doen om appellant niet te laten re-integreren, kan geen steun opleveren voor zijn standpunt. De opmerkingen van de behandelend artsen berusten uitsluitend op de mededelingen van appellant zelf en niet op andere relevante feiten.

10.3. De Raad volgt appellant niet in zijn stelling dat de werkgever ten onrechte niet heeft willen meewerken aan mediation. In eerdergenoemde brief van 16 oktober 2006 heeft de werkgever appellant aangeboden om met een mediator een gesprek aan te gaan. Bij

e-mail van 24 oktober 2006 is namens appellant aan de werkgever bericht dat hierop niet werd ingegaan.

10.4. Het antwoord op de vraag of appellant al dan niet ten onrechte wordt verweten dat hij onvoldoende heeft meegewerkt aan zijn re-integratie, kan de Raad in het midden laten. Van belang in deze zaak is immers alleen of de werkgever tekort is geschoten in zijn

re-integratie-inspanningen.

10.5. Gelet op hetgeen hiervoor onder 9.2 tot en met 10.3 is overwogen, is de Raad met de rechtbank en het Uwv van oordeel dat er geen grond is om te oordelen dat de werkgever onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht, als bedoeld in

artikel 25, negende lid, van de Wet WIA. De rechtbank wordt dan ook gevolgd in het oordeel dat het Uwv bij het bestreden besluit terecht heeft afgezien van het opleggen van een loonsanctie aan de werkgever.

11. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

12. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en C.P.J. Goorden en P.J Jansen als leden, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 augustus 2009.

get.) Ch. van Voorst.

(get.) T.J. van der Torn.