Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BJ5423

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
14-08-2009
Datum publicatie
18-08-2009
Zaaknummer
08-1562 WAO
Rechtsgebieden
Civiel recht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening WAO-uitkering. Voldoende medische grondslag. Armklachten hebben geen betrekking op datum in geding. Beperkingen niet onderschat. Voldoende arbeidskundige grondslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/1562 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Naam appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 24 januari 2008, 07/885 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 14 augustus 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M.J. Kalisvaart, werkzaam bij Klaverblad Rechtsbijstand Stichting, gevestigd te Zoetermeer, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Namens appellante is een brief van 21 januari 2008 van psychiater R.P. Soeters ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 juli 2009. Appellante is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door J.L. Gerritsen.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellante was werkzaam als productiemedewerkster toen zij zich op 14 januari 1999 arbeidsongeschikt meldde als gevolg van rug- en psychische klachten. Aan appellante is, in aansluiting op het volmaken van de wettelijke wachttijd, met ingang van 13 januari 2000 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, welke laatstelijk werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

1.2. Bij besluit van 16 december 2005, gecorrigeerd bij besluit van 21 december 2005, heeft het Uwv de uitkering van appellante met ingang van 17 februari 2006 ingetrokken onder de overweging dat de mate van haar arbeidsongeschiktheid met ingang van laatstgenoemde datum minder dan 15% was.

1.3. Bij besluit van 27 april 2006 is het bezwaar tegen het besluit van 16/21 december 2005 gegrond verklaard in die zin dat de uitkering met ingang van 17 februari 2006 wordt herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%. Aan de herziening van de WAO-uitkering ligt ten grondslag de rapportage van de bezwaararbeidsdeskundige volgens welke appellante met ingang van 17 februari 2006 in staat wordt geacht met haar beperkingen in voor haar geschikte gangbare functies een zodanig inkomen te verwerven dat haar mate van arbeidsongeschiktheid 18,87% bedraagt, hetgeen een indeling in de arbeidsongeschiktheidsklasse van 15 tot 25% oplevert.

2.1. De rechtbank heeft bij uitspraak van 13 februari 2007 - kort samengevat - overwogen dat, nu appellante niet in de gelegenheid is gesteld om te worden gehoord, gehandeld is in strijd met artikel 7:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De rechtbank heeft het beroep tegen het besluit van 27 april 2006 gegrond verklaard, dit besluit vernietigd, bepaald dat het Uwv een nieuw besluit op bezwaar neemt en beslissingen gegeven over proceskosten en griffierecht.

2.2. Bij besluit van 20 april 2007 (hierna: bestreden besluit) is het bezwaar tegen het besluit van 21 december 2005 alsnog gegrond verklaard in die zin dat de uitkering met ingang van 17 februari 2006 wordt herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%.

2.3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank - kort samengevat - overwogen dat het bestreden besluit op een deugdelijke medische en arbeidskundige grondslag berust. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat zij vanwege haar psychische en lichamelijke klachten meer beperkt is dan in de FML is opgenomen en dat zij tevens de geduide functies niet kan verrichten. Appellante verwijst voor haar psychische klachten naar de brief van 2 januari 2007 van psychiater F. Kaya en de brief van 21 januari 2008 van psychiater R.P. Soeters. Appellante verzoekt om een onafhankelijke deskundige te benoemen.

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1. Met betrekking tot de medische grondslag van de schatting overweegt de Raad dat hij de overwegingen van de rechtbank volledig onderschrijft en deze tot de zijne maakt.

4.1.1. De Raad voegt daar nog aan toe dat niet alleen de verzekeringsarts appellante heeft onderzocht maar ook de bezwaarverzekeringsarts heeft appellante onderzocht. Tevens heeft de bezwaarverzekeringsarts blijkens zijn rapport van 12 april 2007 de brief van 2 januari 2007 van psychiater Kaya in de beoordeling betrokken. Naar aanleiding van deze brief overweegt de Raad dat deze hem geen aanleiding geeft te twijfelen aan de juistheid van de vastgestelde beperkingen. Daarbij heeft de Raad in aanmerking genomen dat uit de brief van Kaya blijkt dat de behandeling onder andere is gericht op rouwverwerking aangezien de vader van appellante, zoals de bezwaarverzekeringsarts in zijn evengenoemd rapport aangaf, in mei 2006 is overleden, derhalve na de datum in geding. Voorts blijkt uit de brief van Kaya dat appellante bij hem in behandeling is sinds 28 augustus 2006 en tevens geeft Kaya aan niet goed te kunnen oordelen over de situatie van appellante met ingang van 17 februari 2006 aangezien hij haar destijds niet heeft gezien.

4.1.2. Naar aanleiding van de door appellante in hoger beroep ter ondersteuning van haar standpunt overgelegde brief van 21 januari 2008 van psychiater R.P. Soeters overweegt de Raad dat deze brief hem ook geen aanleiding geeft te twijfelen aan de juistheid van de vastgestelde beperkingen. Daarbij heeft de Raad in aanmerking genomen dat Soeters de bevindingen van Kaya onderschrijft. Voorts merkt de Raad op dat appellante sinds 12 oktober 2007 bij Soeters onder behandeling staat en dat Soeters geen uitspraken heeft gedaan met betrekking tot de datum in geding.

4.1.3. Tot slot overweegt de Raad dat appellante eerst in hoger beroep klachten aan haar rechterarm heeft geuit en dat niet gesteld kan worden dat deze klachten betrekking hebben op de datum in geding. De verzekeringsarts heeft met de door appellante geclaimde rugklachten in voldoende mate rekening gehouden bij het opstellen van de FML en appellante hiervoor op een aantal items beperkt geacht. Appellante heeft niet met medische stukken onderbouwd dat zij voor wat betreft haar rugklachten meer beperkt is dan het Uwv heeft aangenomen.

4.1.4. Uit alle medische informatie zijn, naar het oordeel van de Raad, geen gegevens naar voren gekomen die aanleiding geven tot de conclusie dat appellante op de datum in geding meer beperkt was dan het Uwv heeft aangenomen. De Raad ziet dan ook geen aanknopingspunten voor het benoemen van een onafhankelijke deskundige.

4.2. Met betrekking tot de arbeidskundige grondslag van de schatting is de Raad met de rechtbank en op dezelfde gronden van oordeel dat het Uwv op voldoende wijze inzichtelijk heeft gemaakt dat de belasting in de functies die aan de schatting ten grondslag liggen de belastbaarheid van appellante niet overschrijdt.

4.3. Uit hetgeen onder 4.1 tot en met 4.2 is overwogen vloeit voort dat het hoger beroep niet kan slagen.

5. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor, in tegenwoordigheid van A.E. van Rooij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 augustus 2009.

(get.) C.W.J. Schoor.

(get.) A.E. van Rooij.

EV