Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BJ5421

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
14-08-2009
Datum publicatie
18-08-2009
Zaaknummer
07-7126 WIA
Rechtsgebieden
Civiel recht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WIA-uitkering toe te kennen. Voldoende medische grondslag. Geen aanknopingspunt voor het oordeel dat door het Uwv de belastbaarheid van appellant zou zijn overschat. De Raad stelt vast dat Fouad en Van Glabbeek de beschikbare medische gegevens in hun oordeelsvorming hebben betrokken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/7126 WIA

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Naam appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 5 december 2007, 06-11752 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 14 augustus 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft L. Wiekamp, wonende te Haarlem, hoger beroep ingesteld en daarbij enkele medische stukken overgelegd.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en daarbij nadere stukken overgelegd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 juli 2009.

Appellant is – met kennisgeving – niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door F.M.J. Eijmael.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellant was werkzaam als beveiligingsmedewerker toen hij zich met ingang van 10 juli 2004 ziek meldde met lage rugklachten en psychische klachten.

1.2. Appellant is in het kader van de beoordeling van zijn aanvraag om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) op 21 maart 2006 onderzocht door de verzekeringsarts M.S.G. Fouad. In een rapport van dezelfde datum vermeldde Fouad dat appellant in december 2005 uitgebreid is onderzocht door een neuroloog en een reumatoloog en dat er, behalve korte spieren en spierspanning, geen echte rugafwijkingen waren. Fouad deed bij zijn onderzoek vergelijkbare bevindingen en nam voorts een normaal looppatroon, maar een verkeerde stahouding waar. Verder was er volgens Fouad geen sprake van afwijkingen ten aanzien van concentratie en stemming en waren er geen andere aanwijzingen voor psychopathologie of ernstige persoonlijkheidsproblematiek. Zijn conclusie was dat appellant in staat moest worden geacht tot licht fysieke en niet stresserende arbeid, hetgeen hij vastlegde in een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML). Vervolgens werd bij het arbeidskundig onderzoek na functieduiding vastgesteld dat er geen loonverlies was. In overeenstemming hiermee heeft het Uwv bij besluit van 16 juni 2006 vastgesteld dat er voor appellant met ingang van 8 juli 2006 geen recht is ontstaan op een uitkering op grond van de Wet WIA.

2.1. In de bezwaarprocedure kreeg de bezwaarverzekeringsarts R.H.J. van Glabbeek de beschikking over informatie van de behandelend maag-darm-leverarts (MDL-arts) dr. J.Ph. Kuyvenhoven van 13 oktober 2006. Van Glabbeek deed na de hoorzitting op 9 oktober 2006 een lichamelijk onderzoek, waarbij hij waarnam dat appellant wat moeizaam met hem meeliep en dat hij hypertone kuitspieren had. Voorts verrichtte Van Glabbeek een oriënterend psychiatrisch onderzoek en concludeerde in een rapport van 20 oktober 2006 dat er geen medische redenen waren om af te wijken van de conclusies van Fouad. De bezwaararbeidsdeskundige liet op 3 november 2006 de functie medewerker grafische industrie vervallen en stelde vast dat er op basis van de resterende functies evenmin sprake was van loonverlies. Vervolgens verklaarde het Uwv bij besluit van 13 november 2006 het bezwaar van appellant tegen het besluit van 16 juni 2006 ongegrond.

3.1. In beroep tegen het besluit van 13 november 2006 (hierna: het bestreden besluit) legde appellant informatie over van de sportarts W.O. Zimmerman van 20 december 2006. Daaruit kwam naar voren dat een test van appellant op de loopband op die dag niet mogelijk was en dat sprake was van extreme hypertonie van alle spiergroepen van beide onderbenen.

3.2.1. De rechtbank verklaarde bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond.

3.2.2. De rechtbank stelde bij haar oordeelsvorming in overweging 2.10 voorop dat de gronden van appellant zich richten op de medische grondslag van het bestreden besluit, en zag geen aanknopingspunt voor het oordeel dat door het Uwv de belastbaarheid van appellant zou zijn overschat. De rechtbank overwoog daartoe dat bij het opstellen van de FML rekening was gehouden met alle klachten van appellant en dat Van Glabbeek in de bezwaarprocedure ook de informatie van Van Kuyvenhoven in de beoordeling had betrokken.

4.1. In hoger beroep is door appellant nadere informatie van de sportartsen van het Sportmedisch Adviescentrum Regio Haarlem overgelegd, waaronder informatie van 29 augustus 2006. Daarin is aangegeven dat de pijnklachten aan de scheenbenen worden geprovoceerd door wandelen, lang staan en traplopen, dat een zeer forse hypertonie van kuitspieren opviel en dat sprake was van een fors beenlengteverschil.

4.2. In het verweerschrift gaf het Uwv aan dat appellant op 4 december 2006 is hervat als chauffeur wasserij en dat hij zich op 27 december 2006 ziek heeft gemeld. Voorts heeft Van Glabbeek in een rapport van 29 april 2008 gereageerd op de in 4.1 vermelde informatie en gesteld dat deze informatie al bij hem bekend was dan wel, voor zover deze van latere datum is, bij het onderzoek van de verzekeringsarts Ziektewet is betrokken.

5.1. De Raad stelt voorop dat de rechtbank, gelet op haar in 3.2.2 weergegeven vaststelling omtrent de reikwijdte van de gronden van het beroep en in aanmerking genomen dat blijkens haar overwegingen haar beoordeling van het bestreden besluit ook geen verdere strekking heeft gehad, zich bij de beoordeling van het bestreden besluit in feite heeft beperkt tot de medische grondslag. Nu hiertegen van de zijde van appellant in hoger beroep geen gronden zijn aangevoerd, ziet de Raad geen aanleiding deze aldus begrepen beperking van het punt van geschil door de rechtbank in hoger beroep voor onjuist te houden.

5.2. De Raad heeft in het hoger beroep van appellant geen aanknopingspunten gezien voor een ander oordeel over de medische grondslag van het bestreden besluit dan de rechtbank heeft gegeven. Ook de Raad stelt vast dat Fouad en Van Glabbeek de beschikbare medische gegevens in hun oordeelsvorming hebben betrokken. De Raad tekent daarbij aan dat uit de in 2.1 vermelde informatie van de MDL-arts, waarin sprake was van verbetering van de klachten na bijstelling van de eerder reeds door de huisarts gegeven medicatie, niet kan worden afgeleid dat sprake was van een zo ernstig beeld dat hiervoor op de datum in geding extra of verdergaande beperkingen in de FML zouden moeten worden gesteld. Voorts komt uit de informatie van de appellant behandelende sportartsen weliswaar naar voren dat appellant kampte met zeer fors hypertone kuitspieren en dat verschillende ziektebeelden in 2007 zijn overwogen. Er kan echter niet worden voorbijgezien aan het feit dat deze hypertonie ook reeds door Fouad en Van Glabbeek was vastgesteld en dat bij hun onderzoek niet was gebleken van ernstige belemmeringen in het lopen en staan. Van een overschatting van de belastbaarheid op deze aspecten is de Raad dan ook niet gebleken. Overigens merkt de Raad nog op dat de belasting in de uiteindelijk aan de schatting ten grondslag gelegde functies op de onderdelen (trap)lopen en staan (ruim) achterblijft bij de in FML voor appellant voor deze onderdelen aangenomen beperkingen. Ten slotte stelt de Raad vast dat Fouad en Van Glabbeek bij hun psychisch onderzoek geen bevindingen hebben geformuleerd die noopten tot het aannemen van meer beperkingen dan in de FML in de rubrieken 1 (persoonlijk functioneren) en 2 (sociaal functioneren) zijn vastgelegd.

5.3. De overwegingen 5.1 en 5.2 leiden de Raad tot de slotsom dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5.4. Terzijde merkt de Raad nog op dat ter zitting niet geheel duidelijk is geworden of er het kader van de toepassing van de Wet WIA dan wel de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) – volgens het rapport van Fouad zou appellant tot november 2003 een WAO-uitkering hebben genoten – een verband is met de ziekmelding van appellant op 27 december 2006, derhalve bijna een half jaar na de datum bij het bestreden besluit in geding, in die zin dat daarvoor mogelijk een verkorte wachttijd zou gelden hetzij omdat sprake zou kunnen zijn van een eenzelfde ziekteoorzaak als de oorzaak bij het bestreden besluit aan de orde hetzij omdat er een verbinding ligt met de ziekteoorzaak waarvoor volgens Fouad een WAO-uitkering werd genoten. Nu de gemachtigde van het Uwv ter zitting hierover geen verdere informatie kon verstrekken, acht de Raad het – overigens geheel los van het onderhavige geding – aangewezen dat het Uwv de betekenis van deze ziekmelding, ter zake waarvan bij het verweerschrift ook een besluit van 17 januari 2007 is gevoegd, in het licht van het in deze overweging gestelde nader beziet.

6. Voor een veroordeling van een partij in de proceskosten van een andere partij ziet de Raad ten slotte geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor, in tegenwoordigheid van A.E. van Rooij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 augustus 2009.

(get.) C.W.J. Schoor.

(get.) A.E. van Rooij.

EV