Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BJ5411

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
14-08-2009
Datum publicatie
18-08-2009
Zaaknummer
08-4528 WAO
Rechtsgebieden
Civiel recht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WAO-schatting. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat hetgeen appellant heeft aangevoerd geen aanknopingspunten bevat om de voor appellant geldende belastbaarheid zoals neergelegd in de FML onjuist te achten. Terecht heeft de bezwaarverzekeringsarts er in zijn rapportage op gewezen dat Portegies geen afwijkingen heeft kunnen vaststellen. De stelling van appellant dat de bezwaarverzekeringsarts niet uit zijn gedrag op de hoorzitting heeft kunnen afleiden dat er geen sprake is van concentratiezwakte gaat eraan voorbij dat de opvatting van de bezwaarverzekeringsarts op dit punt rust op onderzoek van de verzekeringsarts en de verkregen informatie van Portegies. Dat de bezwaarverzekeringsarts, gelet op de reeds voorhanden zijnde informatie en hetgeen door appellant ter hoorzitting naar voren is gebracht, geen reden heeft gezien nader onderzoek te verrichten, maakt dit niet anders.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/4528 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Naam appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant)

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 23 juni 2008, 07/1928 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 14 augustus 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. H. Stoppelenburg, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 juli 2009. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Stoppelenburg. Het Uwv was vertegenwoordigd door mr. M.H.A.H. Smithuysen.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

2.1. Appellant ontving een WAO-uitkering berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%. Bij besluit van 18 oktober 2006 is de arbeidsongeschiktheid van appellant met ingang van 17 december 2006 verlaagd naar 25 tot 35%.

2.2. Bij bestreden besluit van 11 juni 2007 is het bezwaar van appellant tegen het besluit van 18 oktober 2006 gegrond verklaard en is de arbeidsongeschiktheid (vanwege arbeidskundige aspecten) per 17 december 2006 vastgesteld op 35 tot 45%.

3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft onder andere overwogen dat de grief van appellant dat in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 10 juli 2006 onvoldoende rekening is gehouden met zijn klachten (met name ten aanzien van concentreren, herinneren en sociaal functioneren, handelingstempo, emotionele problemen van anderen, lopen en zitten) niet slaagt. De rechtbank is van oordeel dat het onderzoek van de bezwaarverzekeringsarts zorgvuldig en volledig is geweest en de conclusie van de bezwaarverzekeringsarts naar behoren is gemotiveerd. De bezwaarverzekeringsarts heeft de medische gegevens van neuroloog dr. P. Portegies bij zijn beoordeling betrokken. Voorts heeft de bezwaarverzekeringsarts aangegeven dat er geen aanwijzingen zijn voor geheugen- en/of concentratiezwakte of dat appellant niet een half uur zonder te verzitten zou kunnen zitten. Bovendien heeft appellant geen medische gegevens overgelegd die tot een ander oordeel kunnen leiden. Appellant is naar het oordeel van de rechtbank in staat om de aan de schatting ten grondslag gelegde functies samensteller metaalwaren, wikkelaar, samensteller elektronische apparatuur en machinaal metaalbewerker te verrichten. De signaleringen in de Resultaat Functiebeoordeling bij deze functies zijn door een bezwaararbeidskundige voorzien van een toelichting en naar het oordeel van de rechtbank is voldoende gemotiveerd aangegeven dat de functies geschikt zijn voor appellant.

4. In hoger beroep is door appellant tegen de aangevallen uitspraak aangevoerd dat zijn hoofdpijnklachten door een specialist als reëel zijn geduid ondanks dat deze arts geen oorzaak heeft gevonden. Vanwege de optredende pijnklachten en vermoeidheid is er volgens appellant een urenbeperking aangewezen en vanwege de rugklachten kan hij geen uur zitten. Ook met de combinatie van zijn klachten is volgens appellant onvoldoende rekening gehouden. Ten slotte acht appellant de conclusie van de rechtbank dat de bezwaarverzekeringsarts uit de hoorzitting kan afleiden dat er geen sprake is van concentratiestoornissen, onjuist.

5.1. Hetgeen appellant heeft aangevoerd leidt de Raad niet tot een ander oordeel dan waartoe de rechtbank is gekomen. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat hetgeen appellant heeft aangevoerd geen aanknopingspunten bevat om de voor appellant geldende belastbaarheid zoals neergelegd in de FML onjuist te achten. De Raad kan zich vinden in hetgeen de bezwaarverzekeringsarts heeft gesteld in zijn rapportage van 20 maart 2007 omtrent het door de neuroloog Portegies in zijn brief van 24 november 2005 vermelde. Terecht heeft de bezwaarverzekeringsarts er in zijn rapportage op gewezen dat Portegies geen afwijkingen heeft kunnen vaststellen.

De stelling van appellant dat de bezwaarverzekeringsarts niet uit zijn gedrag op de hoorzitting heeft kunnen afleiden dat er geen sprake is van concentratiezwakte gaat eraan voorbij dat de opvatting van de bezwaarverzekeringsarts op dit punt rust op onderzoek van de verzekeringsarts en de verkregen informatie van Portegies. Dat de bezwaarverzekeringsarts, gelet op de reeds voorhanden zijnde informatie en hetgeen door appellant ter hoorzitting naar voren is gebracht, geen reden heeft gezien nader onderzoek te verrichten, maakt dit niet anders.

5.2. Uit hetgeen is overwogen in 5.1 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J. Brand, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 augustus 2009.

(get.) J. Brand.

(get.) M.A. van Amerongen.

EV