Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BJ5402

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-08-2009
Datum publicatie
18-08-2009
Zaaknummer
08/4938 WIK
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Nieuw besluit, nadat reële beslissing op bezwaar door rechtbank was vernietigd. Inhoudende intrekking en terugvordering WIK-uitkering. Onvoldoende feitelijke grondslag voor het standpunt van het College dat appellant zijn woonstede in Amsterdam had opgegeven en buiten Amsterdam woonachtig was. Verzoek om schadevergoeding. Vernietiging bestreden besluit. De Raad heeft beoordelingscriteria geformuleerd voor gevallen als deze, waarin sprake is geweest van een beroep tegen het uitblijven van een beslissing op bezwaar en een beroep tegen de reële beslissing op bezwaar.(zie de uitspraak van 23 april 2009, LJN BI3430). De Raad heeft ook uitgangspunten geformuleerd voor de zich hier eveneens voordoende situatie dat vernietiging door de rechtbank van de reële beslissing op bezwaar leidt tot een hernieuwde behandeling van het bezwaar, een herhaalde behandeling door de rechtbank en hoger beroep (zie de uitspraak van 4 juni 2009, LJN BI8665). Aangezien tijdens de tweede rechtbankprocedure een verzoek om schadevergoeding in verband met overschrijding van de redelijke termijn is gedaan, had de rechtbank moeten uitgaan van een redelijke termijn van in beginsel twee jaar voor de procedure tot aan de dag van haar tweede uitspraak. De Raad zal dit alsnog doen. Vvermoeden dat de redelijke termijn zowel in de bestuurlijke fase als in de tweede rechtbankprocedure is overschreden. Heropening onderzoek. Met verdragsconforme toepassing van artikel 8:26 van de Awb merkt de Raad naast het College de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie) aan als partij in die procedure.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 8:73
Algemene wet bestuursrecht 8:26
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2009/285
USZ 2009/311
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/4938 WIK

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Naam appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 4 juli 2008, 06/1142 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: College)

Datum uitspraak: 11 augustus 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. R.G.H.M. de Glas, advocaat te Nijmegen, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 juli 2009. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. De Glas. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.M. Tjen A Kwoei, werkzaam bij de gemeente Amsterdam.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant ontving van het College van 30 november 1999 tot en met 31 oktober 2003 een uitkering op grond van de Wet inkomensvoorziening kunstenaars.

1.2. Bij brief van 24 oktober 2003 heeft een medewerker van de Sociale Dienst Amsterdam (SDA) appellant in verband met een heronderzoek opgeroepen voor een gesprek op 31 oktober 2003. Tijdens dit gesprek heeft appellant afschriften van zijn Postbankrekening vanaf 2000 overgelegd en een verklaring afgelegd. Op 18 november 2003 heeft appellant aan de SDA bericht dat zijn adres is gewijzigd. Als nieuw adres geeft hij op [adres] te [woonplaats]. De bevindingen en de door de medewerker getrokken conclusies uit het gesprek van 31 oktober 2003 zijn neergelegd in een rapport van 8 januari 2004.

1.4. Bij besluit van 13 januari 2004 heeft het College de uitkering van appellant over de periode van 1 mei 2001 tot en met 31 oktober 2003 herzien (lees: ingetrokken) en de over die periode gemaakte kosten van uitkering tot een bedrag van € 20.531,39 van appellant teruggevorderd. Het College heeft het bezwaar tegen het besluit van 13 januari 2004 bij besluit van 25 november 2004 ongegrond verklaard.

1.4. De rechtbank heeft bij uitspraak van 28 september 2005, voor zover hier van belang en met bepalingen omtrent proceskosten en griffierecht,

a) het beroep tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaar van 16 januari 2004 wegens het niet meer hebben van procesbelang niet-ontvankelijk verklaard;

b) het beroep tegen het besluit van 25 november 2004 gegrond verklaard en dat besluit wegens schending van artikel 7:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) vernietigd.

1.5. Appellant is vervolgens door een medewerker van het College telefonisch gehoord op 23 november 2005.

1.6. Bij besluit van 17 januari 2006 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 13 januari 2004 opnieuw ongegrond verklaard.

1.7. In het op 27 februari 2006 bij de rechtbank Amsterdam ingekomen beroepschrift tegen het besluit van 17 januari 2006 is verzocht om uitstel voor het aanvullen van de gronden totdat alle op dit besluit betrekking hebbende stukken van de rechtbank zijn ontvangen. De rechtbank Amsterdam heeft de ontvangst van dit beroepschrift op 7 maart 2006 aan de gemachtigde van appellant bevestigd met de mededeling dat hij te zijner tijd bericht zal ontvangen. Vervolgens is het beroepschrift op 8 december 2006 ter behandeling doorgezonden naar de rechtbank Arnhem en daarna door de griffier van deze rechtbank weer geretourneerd aan de rechtbank Amsterdam bij brief van

14 december 2006.

Bij brief van 7 november 2007 heeft de griffier van de rechtbank Amsterdam de gemachtigde van appellant verzocht binnen vier weken de gronden van het beroep in te dienen en tevens meegedeeld dat na ontvangst daarvan aan het College zal worden verzocht om de stukken en het verweerschrift in te dienen. De gemachtigde heeft aan dit verzoek voldaan op 4 december 2007, waarna bij brieven van 4 respectievelijk 13 december 2007 aan het College is verzocht binnen vier weken respectievelijk binnen een week het verweerschrift en de op de procedure betrekking hebbende stukken in te dienen. De stukken en het verweerschrift zijn ontvangen op 4 maart 2008, gevolgd door een behandeling ter zitting op 20 mei 2008. Tijdens die behandeling is verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank heeft blijkens het proces-verbaal daar meegedeeld naar dit verzoek te zullen kijken.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 17 januari 2006 ongegrond verklaard. Volgens de rechtbank was het College gehouden tot intrekking en terugvordering van de gemaakte kosten van de verleende uitkering over te gaan; er bestond geen aanleiding voor vergoeding van griffierecht of voor een veroordeling van het College in de proceskosten.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd. Volgens hem is de weergave van het gesprek op 31 oktober 2003 feitelijk onjuist. Naar de vraag of er nog sprake was van het hebben van woonstede in Amsterdam is geen enkel onderzoek gedaan. Verder heeft de rechtbank niet beslist op het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De Raad is met appellant van oordeel dat er onvoldoende feitelijke grondslag bestaat voor het standpunt van het College dat appellant gedurende de hier te beoordelen periode zijn woonstede in Amsterdam had opgegeven en buiten Amsterdam woonachtig was. Anders dan het College kent de Raad in dit verband geen betekenis toe aan het gegeven dat de door appellant overgelegde postbankafschriften laten zien dat appellant bij bankautomaten in Nijmegen, waar hij werkzaam was, geld opnam. Daaruit kan in elk geval niet de wil van appellant worden afgeleid om zijn woonstede in Amsterdam prijs te geven. De summiere, door appellant als feitelijk onjuist betwiste, verklaring van

31 oktober 2003 en de overige in het dossier voorhanden gegevens bieden voor dat standpunt evenmin een toereikende grondslag. De in het rapport van 8 januari 2004 gemelde overdracht van het dossier van appellant aan de sociale recherche heeft niet plaatsgevonden. Ter zitting heeft de gemachtigde van het College niet kunnen aangegeven waarom die overdracht en verder onderzoek door de sociale recherche achterwege is gebleven en desgevraagd meegedeeld dat nader onderzoek volgens hem nu niet meer mogelijk is.

4.2. Uit 4.1 volgt dat het besluit van 17 januari 2006, waarbij de intrekking van de uitkering en de terugvordering zijn gehandhaafd, wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb niet in stand kan blijven. De rechtbank heeft dit niet onderkend. De aangevallen uitspraak dient in zoverre te worden vernietigd. Doende wat de rechtbank in de hoofdzaak zou behoren te doen, zal de Raad het beroep gegrond verklaren en dat besluit vernietigen. Voorts ziet de Raad aanleiding met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb het primaire besluit van 13 januari 2004 te herroepen, omdat aan dit besluit hetzelfde motiveringsgebrek kleeft en niet aannemelijk is dat dit gebrek kan worden hersteld.

5.1. De Raad stelt met partijen vast dat de rechtbank ten onrechte geen beslissing heeft genomen op het onder 3 vermelde verzoek om veroordeling tot schadevergoeding. De aangevallen uitspraak dient derhalve in zoverre eveneens te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank had behoren te doen, zal de Raad op dat verzoek ingaan.

Ter zitting van de Raad heeft de gemachtigde van appellant desgevraagd verduidelijkt dat dit verzoek zowel de bestuurlijke fase als de rechterlijke fase betreft.

5.2. De Raad heeft beoordelingscriteria geformuleerd voor gevallen als deze, waarin sprake is geweest van een beroep tegen het uitblijven van een beslissing op bezwaar en een beroep tegen de reële beslissing op bezwaar (zie de uitspraak van 23 april 2009, LJN BI3430).

De Raad heeft ook uitgangspunten geformuleerd voor de zich hier eveneens voordoende situatie dat vernietiging door de rechtbank van de reële beslissing op bezwaar leidt tot een hernieuwde behandeling van het bezwaar, een herhaalde behandeling door de rechtbank en hoger beroep (zie de rechtsoverwegingen 5.4.2 tot en met 5.4.6 van de uitspraak van

4 juni 2009, LJN BI8665). Aangezien tijdens de tweede rechtbankprocedure een verzoek om schadevergoeding in verband met overschrijding van de redelijke termijn is gedaan, had de rechtbank moeten uitgaan van een redelijke termijn van in beginsel twee jaar voor de procedure tot aan de dag van haar tweede uitspraak. De Raad zal dit in 5.3 alsnog doen.

5.3. Vanaf de ontvangst op 19 januari 2004 van het bezwaarschrift tot de datum van de tweede uitspraak van de rechtbank zijn vier jaar en ruim vijf maanden verstreken. Uit overweging 5.2 volgt dat ten tijde van de aangevallen uitspraak een termijn van twee jaar in beginsel als redelijk is aan te merken, zodat sprake lijkt van een overschrijding van twee jaar en ruim vijf maanden.

De eerste procedure bij de rechtbank, te rekenen vanaf de dag na het nemen van de reële beslissing op bezwaar tot de datum van de eerste uitspraak, heeft ruim tien maanden geduurd.

Het in 1.7 beschreven verloop van de tweede procedure bij de rechtbank heeft er toe geleid dat na de ontvangst op 27 februari 2006 van het beroepschrift tegen het besluit van 17 januari 2006 tot aan 4 juli 2008, de datum van de tweede uitspraak van de rechtbank, twee jaar en ruim vier maanden zijn verstreken, zodat in zoverre sprake is van een langere behandelingsduur dan de in beginsel aanvaardbaar te achten anderhalf jaar.

Aan een en ander kan het vermoeden worden ontleend dat de redelijke termijn zowel in de bestuurlijke fase als in de tweede rechtbankprocedure is overschreden.

5.4. De Raad verbindt hieraan de gevolgtrekking dat in deze procedure, voor zover nodig met verdragsconforme toepassing van artikel 8:73 van de Awb, moet worden beslist omtrent het verzoek om schadevergoeding met betrekking tot de mogelijke overschrijding van de redelijke termijn zowel in de bestuurlijke als in de rechterlijke fase. Dit geeft aanleiding om het onderzoek te heropenen. Met verdragsconforme toepassing van artikel 8:26 van de Awb merkt de Raad naast het College de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie) aan als partij in die procedure.

6. De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb het College te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 1.288,--.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt het besluit van 17 januari 2006;

Herroept het besluit van 13 januari 2004;

Veroordeelt het College in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 1.288,--, te betalen aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat het College aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 144,-- vergoedt;

Bepaalt dat het onderzoek wordt heropend onder de nummers 09/4261 en 09/4262 ter voorbereiding van een nadere uitspraak omtrent de gevraagde schadevergoeding in verband met de mogelijke overschrijding van de redelijke termijn, en merkt tevens de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie) aan als partij in die procedure.

Deze uitspraak is gedaan door G.A.J. van den Hurk als voorzitter en J.F. Bandringa en O.L.H.W.I. Korte als leden, in tegenwoordigheid van M.C.T.M. Sonderegger als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 augustus 2009.

(get.) G.A.J. van den Hurk.

(get.) M.C.T.M. Sonderegger.

DW