Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BJ5299

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-08-2009
Datum publicatie
18-08-2009
Zaaknummer
08/556 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking bijstand. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat het College zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellante niet duidelijk heeft kunnen maken hoe zij in de dagelijkse kosten van levensonderhoud (eten, drinken, kleding) voorziet of heeft voorzien. De Raad acht de daarvoor gegeven verklaring, onder meer hierop neerkomend dat anderen daaraan in substantiële mate hebben bijgedragen niet voldoende onderbouwd. De Raad laat thans in het midden de verwerving, de eigendom en de financiering van de aankoop van de auto in 2003. Appellante heeft niet duidelijk kunnen maken waarvan zij de benzinekosten, verbonden aan het gebruik van de auto, heeft betaald en dat anderen daarin voorzagen acht de Raad daarvoor onvoldoende. De Raad komt tot de conclusie dat appellante niet dan wel niet volledig heeft voldaan aan haar wettelijke inlichtingenverplichting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/556 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 10 december 2007, 07/27 en 07/33 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Purmerend (hierna: College)

Datum uitspraak: 11 augustus 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. G.F. de Graaf, advocaat te Zaandam, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 juni 2009. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. De Graaf. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door J.C.H. de Groot, werkzaam bij de gemeente Zaandam.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante ontving een bijstandsuitkering, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB).

1.2. Bij brief van 28 maart 2006 heeft een medewerker van de sociale dienst van de gemeente Purmerend appellante meegedeeld dat haar recht op bijstand opnieuw beoordeeld dient te worden. In dat kader is aan appellante gevraagd om kopieën van alle afschriften van bank-, giro- en spaarrekeningen over de periode vanaf 1 september 2005 over te leggen. Appellante heeft de afschriften op 6 april 2006 ingeleverd. Naar aanleiding daarvan heeft het College bij besluit van 13 april 2006 het recht op bijstand van appellante met ingang van 6 april 2006 opgeschort. Daarbij is overwogen dat uit de overgelegde gegevens een irreëel inkomsten- en uitgavenpatroon blijkt.

1.3. In het kader van door de sociale dienst verricht nader onderzoek is appellante vervolgens gehoord, zijn observaties verricht in verband met het vermoeden dat appellante samenwoont met haar ex-echtgenoot en zijn inlichtingen bij derden ingewonnen. De bevindingen van het onderzoek, die zijn neergelegd in een rapport van 17 mei 2006, zijn voor het College aanleiding geweest om bij besluit van 26 juni 2006 de bijstand van appellante met ingang van 6 april 2006 in te trekken met toepassing van artikel 54, vierde lid, van de WWB.

1.4. Bij besluit van 22 november 2006 heeft het College het tegen het besluit van 26 juni 2006 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Daarbij heeft het College de grondslag van laatstgenoemd besluit gewijzigd. De intrekking van de bijstand van appellante is met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB gehandhaafd op de grond dat haar recht op bijstand vanaf 6 april 2006 niet kan worden vastgesteld. Daarbij heeft het College onder meer in aanmerking genomen dat appellante niet dan wel geen juiste of volledige inlichtingen heeft verstrekt over haar kosten van levensonderhoud, de aanschaf en het gebruik van een auto en haar werkzaamheden als kapster en masseuse.

1.5. Bij besluit van 11 februari 2008 heeft het College appellante naar aanleiding van een nieuwe aanvraag met ingang van 6 juli 2006 weer bijstand toegekend. De bijstand is beëindigd per 19 september 2006 wegens werkaanvaarding.

2. Bij de aangevallen uitspraak - voor zover in dit geding van belang - heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 22 november 2006 ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Het College heeft de intrekking van de bijstand niet beperkt tot een bepaalde periode. Naar vaste rechtspraak van de Raad brengt dat met zich dat de in dit geding te beoordelen periode loopt van 6 april 2006 tot en met de datum van het primaire besluit (26 juni 2006).

4.2. De rechtbank heeft terecht overwogen dat, indien de belanghebbende de uit artikel 17, eerste lid, van de WWB voortvloeiende inlichtingenverplichting niet of niet in voldoende mate nakomt en in gebreke blijft dit verzuim te herstellen, dit in samenhang met artikel 11, eerste lid, van de WWB een rechtsgrond vormt voor beëindiging of intrekking van de bijstand wanneer door de schending van de inlichtingenverplichting het recht op bijstand niet of niet langer kan worden vastgesteld.

4.3. Uit de overgelegde giroafschriften blijkt dat appellante in de periode voorafgaande aan de datum met ingang waarvan de bijstand is ingetrokken, te weten van 1 augustus 2005 tot en met 31 maart 2006 in totaal slechts € 230,-- heeft opgenomen. Gelet op de overige op de giroafschriften voorkomende gegevens, waaruit niet blijkt van bestedingen voor levensonderhoud (bijvoorbeeld bij een supermarkt), is de Raad met de rechtbank van oordeel dat het College zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellante niet duidelijk heeft kunnen maken hoe zij in de dagelijkse kosten van levensonderhoud (eten, drinken, kleding) voorziet of heeft voorzien. Ook de Raad acht de daarvoor gegeven verklaring, onder meer hierop neerkomend dat anderen daaraan in substantiële mate hebben bijgedragen, niet voldoende onderbouwd of anderszins aannemelijk gemaakt. De stelling van appellante dat, indien heel het jaar 2005 in aanmerking wordt genomen, gemiddeld genomen wel blijkt dat zij voldoende geldopnames doet voor levensonderhoud, treft geen doel. De door het College beoordeelde periode is ruim genoeg bemeten en gaat bovendien onmiddellijk vooraf aan de in geding zijnde datum met ingang waarvan de bijstand is ingetrokken.

4.4. Appellante heeft de beschikking over een auto. De Raad laat thans in het midden de verwerving, de eigendom en de financiering van de aankoop van die auto in 2003. Uit de giroafschriften blijkt dat over de periode van augustus 2005 tot en met maart 2006 met de giropas van appellante in totaal slechts een gering bedrag aan benzine is betaald terwijl met de auto frequent wordt gereden. Appellante heeft niet duidelijk kunnen maken waarvan zij de benzinekosten, verbonden aan het gebruik van de auto, heeft betaald. De enkele stelling van appellante dat anderen daarin voorzagen acht de Raad daarvoor onvoldoende.

4.5. Over haar werkzaamheden als kapster en pedicure heeft appellante aanvankelijk verklaard dat zij alleen familieleden als klant heeft, maar dat zij in die branche verder niet meer actief is. Naderhand heeft zij verklaard dat zij wel eens een aan de [straatnaam] woonachtige vriendin knipt en ook wel andere vrienden en kennissen, alsmede dat zij voetreflexmassages geeft, dat zij dit al 35 jaar doet en dat zij er geen geld voor krijgt. De Raad overweegt hierover dat appellante, nu het hier gaat om activiteiten die in beginsel een economische waarde hebben, hiervan melding had moeten maken aan het College, zodat het College had kunnen beoordelen of daaraan in het kader van de verlening van de bijstand gevolgen moesten worden verbonden. Appellante heeft dit echter nagelaten. Tegen de achtergrond van hetgeen in 4.3 en 4.4 is overwogen, heeft het College voorts niet ten onrechte weinig betekenis gehecht aan de verklaring van appellante dat zij voor de hiervoor bedoelde activiteiten nooit geld heeft ontvangen. De omvang van de werkzaamheden en de daaruit ontvangen inkomsten is niet duidelijk geworden.

4.6. Evenals het College en de rechtbank komt de Raad tot de conclusie dat appellante niet dan wel niet volledig heeft voldaan aan haar wettelijke inlichtingenverplichting. Als gevolg daarvan is onduidelijkheid ontstaan - en ook blijven voortbestaan - over de wijze waarop appellante in de dagelijkse bestaanskosten en de kosten van de door haar gebruikte auto voorziet en heeft voorzien. Als gevolg daarvan is niet vast te stellen of appellante ten tijde in geding verkeerde in bijstandbehoevende omstandigheden, zodat aan haar ten onrechte bijstand is verleend.

4.7. Het College was derhalve bevoegd de bijstand van appellante met ingang van 6 april 2006 in te trekken. De Raad ziet geen grond voor het oordeel dat het College niet in redelijkheid van deze bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken.

4.8. Gelet op het voorgaande slaagt het hoger beroep niet. De aangevallen uitspraak - voor zover deze is aangevochten - dient te worden bevestigd.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham als voorzitter en R.H.M. Roelofs en C. van Viegen als leden, in tegenwoordigheid van B.E. Giesen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 augustus 2009.

(get.) A.B.J. van der Ham.

(get.) B.E. Giesen.

DW