Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BJ5296

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-08-2009
Datum publicatie
14-08-2009
Zaaknummer
08/4350 WAO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Herziening
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek om herziening. Geen nieuwe feiten of omstandigheden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/4350 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

als bedoeld in artikel 8:88 van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van de Beroepswet op het verzoek om herziening van:

[Naam verzoeker], wonende te [woonplaats], Marokko (hierna: verzoeker),

tegen de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 19 juni 2008, 06/4977,

in het geding tussen:

verzoeker

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 13 augustus 2009

I. PROCESVERLOOP

Verzoeker heeft verzocht om herziening van de uitspraak van de Raad van 19 juni 2008, 06/4977.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 juli 2009. Verzoeker is niet verschenen. Het Uwv heeft zich met voorafgaand bericht niet laten vertegenwoordigen.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Op grond van artikel 8:88, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), in verbinding met artikel 21 van de Beroepswet, kan een onherroepelijk geworden uitspraak van de Raad, op verzoek van een partij, worden herzien op grond van feiten of omstandigheden die: a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak, b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en c. waren zij bij de Raad eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.

1.2. Bij de uitspraak waarvan thans om herziening wordt gevraagd, heeft de Raad de uitspraak van 20 juli 2006, 05/2476 van de rechtbank Amsterdam bevestigd. Hij heeft daarbij overwogen dat het Uwv terecht en op goede gronden verzoeker een uitkering krachtens de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) heeft geweigerd. Voorts heeft de Raad overwogen dat verzoeker eerst geruime tijd na de aanvang van de gestelde arbeidsongeschiktheid een aanvraag om een arbeidsongeschiktheidsuitkering heeft ingediend. Naar vaste jurisprudentie komt het nadeel dat de medische situatie van verzoeker ten tijde van de verzekering mogelijk niet meer met zekerheid is vast te stellen voor zijn rekening en risico.

2. Verzoeker heeft aan het verzoek om herziening onder meer ten grondslag gelegd dat de Raad in zijn uitspraak van 19 juni 2008 een onjuiste beslissing heeft genomen aangezien hij in Nederland ziek is geworden en derhalve recht heeft op WAO-uitkering. Voorts stelt verzoeker zich op het standpunt dat hij invalide is en medische behandelingen ondergaat.

3.1. Zoals de Raad reeds eerder heeft overwogen in zijn uitspraak van 3 oktober 2003 (LJN AN7982) is het (bijzondere) rechtsmiddel van herziening niet gegeven om anders dan op grond van enig nieuw feit of enige nieuwe omstandigheid als bedoeld in artikel 8:88 van de Awb in verbinding met artikel 21 van de Beroepswet, een hernieuwde discussie over de betrokken zaak te voeren en evenmin om een discussie over de juistheid van de betrokken uitspraak te openen. De Raad is niet gebleken dat verzoeker enig nieuw feit of enige nieuwe omstandigheid, zoals bedoeld in artikel 8:88 van de Awb, naar voren heeft gebracht.

3.2. Gelet op het vorenstaande dient het verzoek om herziening dan ook te worden afgewezen.

4. Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Wijst het verzoek om herziening af.

Deze uitspraak is gedaan door H.J. de Mooij, in tegenwoordigheid van W. Altenaar als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 augustus 2009.

(get.) H.J. de Mooij.

(get.) W. Altenaar.

DW

III. DÉCISION

La Centrale Raad van Beroep (Cour d'Appel Centrale);

statue:

Rejète la demande de révision.

Par conséquent, décidée par H.J. de Mooij comme membre, en présence de

W. Altenaar en qualité de greffier, ainsi que prononcée en public, le 13 Août 2009.