Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BJ5267

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-08-2009
Datum publicatie
14-08-2009
Zaaknummer
08-5294 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening WAO-uitkering. Met betrekking tot de grief van appellant dat toepassing van het aangepaste Schattingsbesluit strijd oplevert met artikel 26 IVBPR verwijst de Raad naar zijn uitspraak van 22 april 2009, LJN BH0312. Geen schending van het verbod van leeftijdsdiscriminatie. Voldoende medische grondslag. De geselecteerde functies parkeercontroleur (sbc-code 342022), controleur, tester (sbc-code 267060) en machinaal metaalbehandelaar (sbc-code 264121) worden voor appellant, gelet op zijn medische beperkingen, geschikt geacht. Vernietiging besluit. Rechtsgevolgen blijven geheel in stand.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/5294 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Naam appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 22 juli 2008, 06/1550 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 12 augustus 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant is hoger beroep ingesteld door R.T. van Baarlen, werkzaam bij Fiscount Arbeid en Recht B.V. te Zwolle.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 juli 2009. Namens appellant is Van Baarlen verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L. Smid.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellant, die werkzaam is geweest als bulldozermachinist voor 38 uur per week, is op 1 mei 2000 uitgevallen in verband met klachten aan de linkerhand. Per einde wachttijd, die destijds 52 weken bedroeg is hem een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, welke laatstelijk werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

1.2. Appellant is in het kader van een herbeoordeling op grond van het aangepaste Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten op 23 augustus 2005 onderzocht door de verzekeringsarts M. Pool, die heeft aangegeven dat appellant beperkingen ondervindt ten aanzien van het verrichten van arbeid. Deze verzekeringsarts heeft een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) opgesteld, waarin de belastbaarheid van appellant is beschreven. Na raadpleging van het Claim Beoordelings- en Borgingssysteem (CBBS) heeft de arbeidsdeskundige D.H. Dantuma een aantal functies geselecteerd, die in overeenstemming worden geacht met de beperkingen van appellant en waarmee het verlies aan verdiencapaciteit leidt tot een indeling in de arbeidsongeschiktheidsklasse van 25 tot 35%. Vervolgens heeft het Uwv bij besluit van 25 oktober 2005 aan appellant meegedeeld dat zijn WAO-uitkering ingaande 26 december 2005 naar die klasse wordt herzien.

1.3. In de bezwaarprocedure heeft de bezwaarverzekeringsarts P.A.E.M. Hofmans op basis van dossierstudie, kennisneming van de omtrent appellant beschikbare medische informatie en eigen onderzoek in zijn rapportage van 19 april 2006 aangegeven de beoordeling door de primaire verzekeringsarts te onderschrijven. Naar aanleiding van verkregen informatie van de behandelend orthopeed heeft de bezwaarverzekeringsarts F.G. Slebus aangegeven dat er geen sprake is van een ernstige aandoening die leidt tot verdergaande beperkingen voor frequent reiken en zware fysieke belasting. Op basis van deze medische rapportages heeft de bezwaararbeidsdeskundige T.C.W.J. Stokking in zijn rapportage van 2 juni 2006 aangegeven dat twee eerder aan de schatting ten grondslag gelegde functies worden vervangen door andere functies, maar dat dit onveranderd resulteert in een indeling in de arbeidsongeschiktheidsklasse van 25 tot 35%. Onder verwijzing naar deze rapportages heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 25 oktober 2005 bij besluit van 6 juni 2006 (hierna: bestreden besluit 1) ongegrond verklaard.

1.4. Nadat appellant tegen het bestreden besluit 1 beroep had ingesteld, is het Uwv, op basis van een heroverweging en een gewijzigde functieselectie door de bezwaararbeidsdeskundige H.A.M. Eekhoudt in haar rapportage van 21 juli 2006, tot de conclusie gekomen dat appellant voor 35 tot 45% arbeidsongeschikt wordt geacht. Bij besluit van 27 juli 2006 (hierna: bestreden besluit 2) heeft het Uwv aangegeven dat het bezwaar tegen het besluit van 25 oktober 2005 in zoverre alsnog gegrond wordt verklaard en dat is besloten de uitkering van appellant per 26 december 2005 te baseren op de arbeidsongeschiktheidsklasse van 35 tot 45%. Daarbij is aangegeven dat het besluit van 27 juli 2006 in zoverre in de plaats komt van het besluit van 6 juni 2006. Appellant heeft aangegeven zich ook met het besluit van 27 juli 2006 niet te kunnen verenigen.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit 1 niet-ontvankelijk verklaard, omdat dit besluit door het Uwv niet langer wordt gehandhaafd. Daarbij heeft de rechtbank opgemerkt dat, gelet op de in het primaire besluit van 25 oktober 2005 aangegeven ingangsdatum van de herziening (per 26 december 2005), in het bestreden besluit 1 sprake is geweest van een kennelijke verschrijving nu daarin de datum 26 december 2006 was vermeld. Met betrekking tot het bestreden besluit 2 heeft de rechtbank het beroep van appellant gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen daarvan geheel in stand blijven onder toekenning van vergoeding van griffierecht en proceskosten. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat dit besluit deugdelijk, althans voldoende, medisch is onderbouwd. Voorts heeft de rechtbank aangegeven dat, gelet op de leeftijdscategorie van appellant terecht de toetsingscriteria van het aangepaste Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten zijn toegepast en dat toepassing daarvan geen schending van artikel 26 van het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en politieke rechten (IVBPR) oplevert. Ten aanzien van de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit 2 heeft de rechtbank overwogen dat er geen aanleiding is om te concluderen dat de geselecteerde functies voor appellant niet passend zijn en dat het bestreden besluit ook in dat opzicht inhoudelijk in stand kan blijven. Omdat het besluit pas in beroep van een voldoende draagkrachtige motivering is voorzien, heeft de rechtbank aanleiding gezien om het bestreden besluit 2 te vernietigen en te bepalen dat de rechtsgevolgen daarvan in stand blijven.

3. In hoger beroep heeft appellant, onder verwijzing naar de gronden die hij in beroep heeft aangevoerd, gesteld dat hij nog steeds belang heeft bij een beoordeling van het bestreden besluit 1, omdat daarin van de datum 26 december 2006 wordt uitgegaan. Voorts heeft hij zijn standpunt gehandhaafd dat toepassing van het aangepaste Schattingsbesluit in zijn geval leidt tot een ongerechtvaardigd onderscheid op basis van leeftijd en strijd oplevert met artikel 26 van het IVBPR. Met betrekking tot de arbeidskundige kant van het bestreden besluit heeft appellant op meerdere gronden bestreden dat het Uwv de geselecteerde functies aan de herziening van zijn WAO-uitkering ten grondslag heeft mogen leggen.

4. De Raad, oordelend over hetgeen appellant tegen de aangevallen uitspraak heeft aangevoerd, overweegt het volgende.

4.1. De Raad onderschrijft het oordeel en de daaraan ten grondslag gelegde overweging van de rechtbank dat het bestreden besluit 1 een kennelijke verschrijving bevat doordat daarin de datum 26 december 2006 is vermeld. Uit de inhoud van het besluit, dat verwijst naar het primaire besluit van 25 oktober 2005, en de daaraan ten grondslag liggende rapportages van de bezwaarverzekeringsarts en de bezwaararbeidskundige, blijkt onmiskenbaar dat het besluit betrekking heeft op de datum 26 december 2005. Mitsdien heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat appellant geen procesbelang heeft bij de beoordeling van het bestreden besluit 1 en is het beroep daartegen terecht niet-ontvankelijk verklaard.

4.2. Met betrekking tot de grief van appellant dat toepassing van het aangepaste Schattingsbesluit in zijn geval strijd oplevert met artikel 26 IVBPR verwijst de Raad naar zijn uitspraak van 22 april 2009, LJN BH0312, en hetgeen daarin is overwogen. Gelet hierop kan het beroep van appellant op schending van het verbod van leeftijdsdiscriminatie niet slagen.

4.3. Wat betreft de medische grondslag van het bestreden besluit 2 is de Raad van oordeel dat uit de rapportages van de (bezwaar)verzekeringsartsen genoegzaam blijkt dat kennis is genomen van alle omtrent appellant beschikbare medische informatie en dat de bezwaarverzekeringsarts deze gegevens in het kader van de heroverweging heeft meegewogen. Mitsdien is de Raad van oordeel dat de besluitvorming door het Uwv niet op onzorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden. In dit verband merkt de Raad nog op dat appellant in zijn brief van 22 maart 2007 aan de rechtbank expliciet heeft meegedeeld dat hij berust in het door het Uwv opgestelde belastbaarheidspatroon.

4.4. Wat betreft de arbeidskundige grondslag is de Raad van oordeel dat de bezwaararbeidsdeskundige Eekhoudt in haar rapportage van 21 juli 2006 en de bezwaararbeidsdeskundige M.P.M. Jacobi-Verstegen in haar rapportages van 16 februari 2007 en 12 februari 2008 voldoende inzichtelijk en verifieerbaar hebben aangetoond dat de door hen geselecteerde functies parkeercontroleur (sbc-code 342022), controleur, tester (sbc-code 267060) en machinaal metaalbehandelaar (sbc-code 264121) voor appellant, gelet op zijn medische beperkingen, geschikt worden geacht. Met betrekking tot de grief van appellant dat de functie parkeercontroleur voor hem ongeschikt is in verband met een beperking voor autorijden, heeft de bezwaararbeidsdeskundige genoegzaam gemotiveerd dat in deze functie autorijden niet vereist is nu een rijbewijs niet als opleidingseis is gesteld en men samenwerkt met een bevoegde parkeercontroleur met wie men mee kan rijden. Ten aanzien van de grief met betrekking tot het werken op zondag overweegt de Raad dat op grond van het aangepaste Schattingsbesluit ook functies geduid kunnen worden, waarbij op andere uren van de dag of week gewerkt moet worden dan oorspronkelijk het geval was, met uitzondering van nachtwerk. Wat betreft de opleidingseisen is het Uwv terecht uitgegaan van de gegevens dat appellant basisonderwijs met enkele jaren vervolgonderwijs op VMBO-niveau zonder diploma heeft gevolgd, hetgeen leidt tot opleidingsniveau 2. Niet gebleken is dat de geselecteerde functies in verband met het vereiste opleidingsniveau voor appellant niet geschikt zouden zijn. Ten aanzien van de grief dat in de functie met sbc-code 267060 de door hem aangevoerde gehoorbeperking had moeten worden onderzocht, overweegt de Raad dat de FML op dit aspect geen beperking bevat en dat appellant, zoals hiervoor onder 4.3 vermeld, met de belastbaarheid heeft ingestemd. Met betrekking tot de grief van appellant dat sprake is van overschrijding van de normaalwaarden volstaat de Raad met de opmerking dat de bezwaararbeidsdeskundigen naar zijn oordeel de geschiktheid van appellant voor de geselecteerde functie voldoende inzichtelijk en toetsbaar hebben gemotiveerd en dat de passendheid van de geselecteerde functies daarmee voldoende is onderbouwd. Mitsdien kan ook de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit 2 in rechte stand houden.

4.5. De Raad komt dan ook tot de slotsom dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten dient te worden bevestigd.

5. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake de vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en C.P.J. Goorden en P.J. Jansen als leden, in tegenwoordigheid van I.R.A. van Raaij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 augustus 2009.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) I.R.A. van Raaij.

EV