Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BJ5192

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-08-2009
Datum publicatie
14-08-2009
Zaaknummer
08-2691 WWB
Rechtsgebieden
Civiel recht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering, omdat dat appellante en partner hun hoofdverblijf hebben in de woning van appellante en geacht worden, nu beiden drie kinderen hebben, een gezamenlijke huishouding te voeren. Redelijke grond voor het afleggen van een huisbezoek. Voldoende grondslag om aan te nemen dat appellante en partner hun hoofdverblijf hadden op het adres van appellante. Bevestiging aangevallen uitspraak.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/2691 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 25 maart 2008, 06/9529 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente ’s-Gravenhage (hierna: College)

Datum uitspraak: 11 augustus 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M. Leijstra, advocaat te ’s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 juni 2009. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. L. van den Buijs, advocaat te ’s-Gravenhage. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door K.H. van Bolhuis, werkzaam bij de gemeente ’s-Gravenhage.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Nadat appellante het College had meegedeeld dat [G.] (hierna: [G.]), met wie zij een relatie had waaruit drie kinderen zijn geboren, haar per 1 mei 2003 had verlaten, is appellante vanaf 20 mei 2003 een bijstandsuitkering toegekend naar de norm voor een alleenstaande ouder.

1.2. Naar aanleiding van een anonieme tip dat appellante samenwoonde met haar ex-partner heeft de Afdeling Bijzonder Onderzoek van de Dienst Sociale Zaken en Werkgelegenheidsprojecten (hierna: Afdeling Bijzonder Onderzoek) van de gemeente ’s-Gravenhage een administratief onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. Uit dat onderzoek kwamen geen bijzonderheden naar voren. Vervolgens zijn door de Afdeling Bijzonder Onderzoek in de periode van 29 mei 2006 tot en met 13 juni 2006 observaties verricht, hoofdzakelijk nabij het woonadres van appellante. De bevindingen van de observaties, welke zijn neergelegd in een rapport van 13 juni 2006, waren aanleiding voor de Afdeling Bijzonder Onderzoek om op 14 juni 2006 bij appellante een onaangekondigd huisbezoek af te leggen. De bevindingen van het huisbezoek zijn neergelegd in een rapport van 14 juni 2006. Vervolgens is appellante uitgenodigd om op dezelfde dag op het bureau van de Afdeling Bijzonder Onderzoek te verschijnen voor een gesprek. Appellante is daar verschenen en heeft een verklaring afgelegd.

1.3. Bij besluit van 11 juli 2006 heeft het College de bijstand van appellante met ingang van 1 juli 2006 beëindigd (lees: ingetrokken).

1.4. Bij besluit van 5 september 2006 heeft het College vervolgens de bijstand van appellante over de periode van 20 mei 2003 tot en met 30 juni 2006 ingetrokken en de kosten van bijstand over die periode tot een bedrag van € 25.162,33 van haar teruggevorderd.

1.5. Bij besluit van 10 oktober 2006 heeft het College de bezwaren tegen de besluiten van 11 juli 2006 en 5 september 2006 ongegrond verklaard. Hieraan is ten grondslag gelegd dat appellante en [G.] vanaf 20 mei 2003 hun hoofdverblijf hebben in de woning van appellante. Voorts heeft het College zich op het standpunt gesteld dat, nu beiden drie kinderen hebben, zij op grond van het bepaalde in artikel 3, vierde lid, aanhef en onder b, van de WWB worden geacht een gezamenlijke huishouding te voeren.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 10 oktober 2006 ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd. Daarbij is ter zitting van de Raad aangevoerd dat er geen redelijke grond was om een onderzoek naar haar woonsituatie in te stellen en dat het huisbezoek daardoor onrechtmatig is geweest. Voorts stelt appellante zich op standpunt dat zij vanwege gezondheidsklachten niet kan worden gehouden aan de door haar op 14 juni 2006 afgelegde verklaring en dat de feitelijke situatie anders is dan dat zij heeft verklaard.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. In dit geding loopt de te beoordelen periode van 20 mei 2003 tot en met 11 juli 2006.

4.2. Uit de door de Afdeling Bijzonder Onderzoek uitgevoerde observaties blijkt dat de auto die op naam stond van [G.] op een aantal dagen ’s ochtends vroeg alsmede ’s avonds in de nabijheid van de woning van appellante is aangetroffen, dat tweemaal een man met een klein meisje vanaf die woning kwam aanlopen en dat zij wegreden in de betreffende auto. De bevindingen van deze observaties vormden naar het oordeel van de Raad een redelijke grond voor het afleggen van een huisbezoek.

4.3. In artikel 3, derde lid, van de Algemene bijstandswet (Abw) en de Wet werk en bijstand (WWB) is bepaald dat van een gezamenlijke huishouding sprake is indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins. Ingevolge artikel 3, vierde lid, aanhef en onder b van de Abw en de WWB wordt een gezamenlijke huishouding in ieder geval aanwezig geacht, indien de belanghebbenden hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en uit hun relatie een kind is geboren of erkenning heeft plaatsgevonden van een kind van de een door de ander. Aangezien vaststaat dat uit de relatie van appellante en [G.] drie kinderen zijn geboren (geboortedatum jongste kind: [in] 1998) die door [G.] zijn erkend, is voor de beantwoording van de vraag of er gedurende de hier van belang zijnde periode vanaf 20 mei 2003 sprake was van een gezamenlijke huishouding bepalend of appellante en [G.] hun hoofdverblijf in dezelfde woning hadden.

4.4. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat de gedingstukken voldoende grondslag bieden voor het standpunt van het College dat appellante gedurende de periode van 20 mei 2003 tot en met 11 juli 2006 hun hoofdverblijf hadden op het adres van appellante.

4.5. De Raad wijst hierbij op de door appellante afgelegde verklaring dat zij vanaf het moment dat ze in de [adres 1] woont altijd met [G.] samen is geweest, dat [G.] nooit op het door hem opgegeven adres in de [adres 2] heeft gewoond en dat ze nooit uit elkaar zijn geweest. De Raad ziet in hetgeen appellante heeft aangevoerd geen aanleiding in dit geval af te wijken van zijn vaste rechtspraak dat van de juistheid van een aanvankelijk afgelegde en ondertekende verklaring mag worden uitgegaan en dat aan een latere intrekking van die verklaring geen doorslaggevende betekenis kan worden toegekend. Naar het oordeel van de Raad is niet gebleken dat appellante haar verklaring niet in vrijheid dan wel onder onaanvaardbare druk heeft afgelegd. In dit verband wijst de Raad er op dat appellante op 6 juli 2006 heeft verklaard dat de onderzoeksambtenaren met wie zij het gesprek voerde niet vriendelijk waren maar heel zakelijk. Daaruit blijkt niet dat zij door die ambtenaren onder ongeoorloofde druk is gezet. In dit licht bezien kent de Raad niet die waarde toe aan de verklaring afkomstig van PsyQ van 27 juni 2006 die appellante daaraan gehecht wil zien. Verder heeft appellante haar verklaring na voorlezing ondertekend. Hetgeen appellante heeft verklaard vindt voorts steun in de bevindingen van het huisbezoek op het adres van appellante. Daarbij zijn onder meer administratie en een grote hoeveelheid medicijnen van [G.] aangetroffen.

4.6. Het voorgaande leidt de Raad tot de conclusie dat appellante en [G.] van 20 mei 2003 tot en met 11 juli 2006 een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd op het adres van appellante. Van die gezamenlijke huishouding heeft appellante, in strijd met de op haar rustende inlichtingenverplichting, aan het College geen mededeling gedaan. Als gevolg daarvan is aan appellante over die periode ten onrechte bijstand verleend naar de norm voor een alleenstaande ouder. Appellante was toen immers geen zelfstandig subject van bijstand.

4.7. Het College was, gelet op het voorgaande, ingevolge artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB bevoegd de bijstand van appellante vanaf 20 mei 2003 in te trekken. In hetgeen appellante heeft aangevoerd ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat het College niet in redelijkheid van die bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken.

4.8. Aan de voorwaarden voor toepassing van 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB was eveneens voldaan, zodat het College bevoegd was om de kosten van bijstand over de periode van 20 mei 2003 tot en met 30 juni 2006 van appellante terug te vorderen. Het College heeft overeenkomstig zijn beleid besloten. In hetgeen appellante heeft aangevoerd ziet de Raad geen bijzondere omstandigheden op grond waarvan het College met overeenkomstige toepassing van artikel 4:84 (slot) van de Algemene wet bestuursrecht van zijn beleid had moeten afwijken.

4.9. Het voorgaande leidt de Raad tot de slotsom dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham als voorzitter en R.H.M. Roelofs en C. van Viegen als leden, in tegenwoordigheid van B.E. Giesen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 augustus 2009.

(get.) A.B.J. van der Ham.

(get.) B.E. Giesen.

DW