Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BJ5145

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-08-2009
Datum publicatie
14-08-2009
Zaaknummer
08-5912 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking bijstanduitkering. Bij besluit op bezwaar heeft het College het bezwaar gegrond verklaard en de hoogte van de terugvordering nader vastgesteld. Vergoeding toegekend van de kosten bezwaarprocedure. Schending inlichtingenverplichting. Niet (tijdig) bij het College gemeld dat appellant een zevental bankrekeningen op zijn naam heeft staan. Stortingen op die rekeningen dienen te worden aangemerkt als inkomsten. Appellant heeft zijn stelling dat die stortingen afkomstig zijn van kinderbijslag die hij heeft ontvangen en van besparingen uit zijn bijstandsuitkering niet aan de hand van concrete en verifieerbare gegevens aannemelijk gemaakt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/5912 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Naam appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 4 september 2008, 07/7290 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente ’s-Gravenhage (hierna: College)

Datum uitspraak: 4 augustus 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. S. Süzen, advocaat te ’s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 juli 2009. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Süzen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W. Punter, werkzaam bij de gemeente ’s-Gravenhage.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.

1.1. Appellant ontving sedert 1 september 1996 bijstand naar de norm voor gehuwden laatstelijk op grond van de Wet werk en bijstand (WWB).

1.2. Bij besluit van 21 mei 2007 heeft het College de bijstand van appellant over de periode van 1 juli 1997 tot en met 9 september 2005 ingetrokken en de kosten van de over die periode verleende bijstand tot een bedrag van € 78.327,37 van appellant teruggevorderd. Daaraan heeft het College ten grondslag gelegd dat appellant in strijd met de op hem rustende inlichtingenverplichting onvoldoende gegevens heeft verstrekt over zijn bankrekeningen en dat als gevolg daarvan niet kan worden beoordeeld of hij recht heeft op bijstand.

1.3. Bij besluit van 20 augustus 2007 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 21 mei 2007 gegrond verklaard en de hoogte van de terugvordering nader vastgesteld op € 18.963,85. Tevens heeft het College een vergoeding toegekend van de kosten die appellant in verband met de behandeling van het bezwaar heeft gemaakt. Het College heeft daarbij overwogen dat appellant in strijd met de op hem rustende inlichtingenverplichting niet (tijdig) bij het College heeft gemeld dat sinds 1997 een zevental bankrekeningen op zijn naam hebben gestaan, dat de stortingen op die rekeningen dienen te worden aangemerkt als inkomsten en dat die inkomsten dienen te worden verrekend met de uitkering.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 20 augustus 2007 ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De Raad begrijpt het besluit van 20 augustus 2007, gelet op de gedingstukken, aldus dat het College daarbij de bijstand van appellant over een aantal in de periode van 1 juli 1997 tot en met 9 september 2005 liggende maanden heeft ingetrokken of herzien in verband met de als inkomen aangemerkte stortingen op zeven bankrekeningen die in die periode op zijn naam hebben gestaan. Aan de intrekking en herziening heeft het College ten grondslag gelegd dat appellant in strijd met de op hem rustende inlichtingenverplichting van deze bankrekeningen en van deze stortingen bij het College geen melding heeft gemaakt en dat als gevolg daarvan aan appellant ten onrechte respectievelijk tot een te hoog bedrag bijstand is verleend. Voorts heeft het College bij het besluit van 20 augustus 2007 de kosten van de over genoemde periode aan appellant verleende bijstand tot een bedrag van € 18.963,85 van appellant teruggevorderd.

4.2. Appellant heeft erkend dat in de hier te beoordelen periode zeven bankrekeningen op zijn naam hebben gestaan en dat hij hiervan bij het College geen melding heeft gemaakt. Het gaat hier om gegevens waarvan het appellant redelijkerwijs duidelijk moet zijn geweest dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand. Dat betekent dat appellant de ingevolge artikel 65, eerste lid, van de Algemene bijstandswet (Abw) respectievelijk artikel 17, eerste lid, van de WWB op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden. De omstandigheid dat het hier niet om betaalrekeningen gaat en appellant deze rekeningen naar zijn zeggen niet veelvuldig heeft gebruikt maakt dat niet anders.

4.3. De Raad stelt vast dat op de betreffende bankrekeningen gedurende de hier te beoordelen periode veelvuldig stortingen hebben plaatsgevonden. Appellant heeft zijn stelling dat die stortingen afkomstig zijn van kinderbijslag die hij heeft ontvangen en van besparingen uit zijn bijstandsuitkering niet aan de hand van concrete en verifieerbare gegevens aannemelijk gemaakt. Gelet daarop en in aanmerking genomen dat appellant de gestorte bedragen heeft kunnen aanwenden voor de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan, is de Raad van oordeel dat het College zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat deze stortingen moeten worden aangemerkt als inkomen in de zin van artikel 47, eerste lid, van de Abw en - met ingang van 1 januari 2004 - artikel 32, eerste lid, van de WWB over de maanden waarin de stortingen plaatsvonden. Dat inkomen dient met toepassing van artikel 26, tweede lid, van de Abw en - met ingang van 1 januari 2004 - artikel 19, tweede lid, van de WWB geheel in mindering te worden gebracht op de voor appellant van toepassing zijnde bijstandsnorm.

4.4. Nu de onder 4.2 aangeduide schending van de inlichtingenverplichting tot gevolg heeft gehad dat over de maanden binnen de hier te beoordelen periode waarin de stortingen hebben plaatsgevonden ten onrechte of tot een te hoog bedrag bijstand is verleend, was het College op grond van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB bevoegd de bijstand van appellant over die maanden in te trekken respectievelijk te herzien rekening houdend met het inkomen van appellant.

4.5. Appellant heeft gesteld dat het College bij besluit van 5 juli 2005 de bijstand heeft verlaagd met 5% gedurende een maand op de grond dat appellant de inlichtingenverplichting heeft geschonden door bij het College geen melding te maken van een tweetal bankrekeningen. Anders dan appellant heeft aangevoerd brengt dat echter niet mee dat het College de rechtens te honoreren verwachting heeft gewekt dat van intrekking en herziening van de bijstand in verband met de stortingen op de betreffende rekeningen wordt afgezien. In hetgeen appellant verder heeft aangevoerd ziet de Raad evenmin een grond om te oordelen dat het College, na afweging van de daarbij rechtstreeks betrokken belangen, niet in redelijkheid van zijn bevoegdheid tot intrekking en herziening gebruik heeft kunnen maken.

4.6. Uit hetgeen hiervoor met betrekking tot de intrekking en herziening is overwogen vloeit voort dat het College op grond van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB bevoegd was de kosten van de over de periode van 1 juli 1997 tot en met 9 september 2005 als gevolg daarvan ten onrechte respectievelijk teveel verstrekte bijstand van appellant terug te vorderen. Het College heeft het bedrag van de terugvordering vastgesteld op € 18.963,15. De Raad ziet in de gedingstukken geen reden om te twijfelen aan de juistheid van dit bedrag. De Raad merkt in dit verband nog op dat de gemachtigde van appellant ter zitting van de Raad desgevraagd heeft meegedeeld dat appellant zijn grief dat de door het College opgestelde berekening van de vordering onduidelijk is en grove fouten bevat, niet langer handhaaft.

4.7. De Raad stelt vast dat het College van zijn bevoegdheid tot terugvordering heeft gebruik gemaakt in overeenstemming met het ter zake van terugvordering gehanteerde beleid. In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Raad geen bijzondere omstandigheden op grond waarvan het College met overeenkomstige toepassing van artikel 4:84 (slot) van de Algemene wet bestuursrecht van het beleid had moeten afwijken.

4.8. De Raad komt tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door G.A.J. van den Hurk als voorzitter en J.M.A. van der Kolk-Severijns en J.J.A. Kooijman als leden, in tegenwoordigheid van M.B. de Gooijer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 augustus 2009.

(get.) G.A.J. van den Hurk.

(get.) M.B. de Gooijer.

DW