Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BJ5139

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-08-2009
Datum publicatie
14-08-2009
Zaaknummer
08/451 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening bijstandsuitkering wegens inkomsten. Intrekking langdurigheidstoeslag. Terugvordering. Onvoldoende motivering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/451 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Naam appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 6 december 2007, 06/4149 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Weesp (hierna: College)

Datum uitspraak: 4 augustus 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. C. Hofmans, advocaat te Huizen, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 juni 2009. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Hofmans. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door M. Roodhorst, werkzaam bij de gemeente Weesp.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante ontving sedert 21 november 1995 bijstand naar de norm voor een alleenstaande, laatstelijk op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Tevens ontving zij een langdurigheidstoeslag over 2004.

1.2. Naar aanleiding van een anonieme tip dat appellante bij particulieren schoonmaakwerkzaamheden verricht heeft de Sociale Recherche Gooi en Vechtstreek een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. In dat kader is dossieronderzoek gedaan, zijn waarnemingen en observaties uitgevoerd, hebben diverse getuigen verklaringen afgelegd en is appellante verhoord. De bevindingen van dat onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 12 oktober 2005. Op basis van de bevindingen van het onderzoek heeft het College de conclusie getrokken dat appellante, zonder daarvan bij het College melding te maken, gedurende de periode van 1 april 2002 tot en met 31 augustus 2005 bij [[werkgever]] schoonmaakwerkzaamheden heeft verricht en daarvoor een beloning van € 25,-- per week heeft ontvangen.

1.3. Vervolgens heeft het College bij besluit van 20 februari 2006 de bijstand van appellante over de periode van 1 april 2002 tot en met 31 augustus 2005 herzien door alsnog rekening te houden met inkomsten van appellante. Tevens heeft het College bij dat besluit de langdurigheidstoeslag over het jaar 2004 ingetrokken.

1.4. Bij besluit van 21 februari 2006 heeft het College de aanvraag van appellante om langdurigheidstoeslag over 2005 afgewezen op de grond dat zij van 1 april 2002 tot 1 januari 2005 inkomsten uit schoonmaakwerkzaamheden heeft ontvangen.

1.5. Bij besluit van 10 maart 2006 heeft het College de kosten van de aan appellante over de periode van 1 april 2002 tot en met 31 augustus 2005 verleende bijstand tot een bedrag van € 7.542,49 alsmede de langdurigheidstoeslag over 2004 ter hoogte van € 324,-- van haar teruggevorderd.

1.6. Bij besluit van 3 juli 2006 heeft het College de bezwaren tegen de besluiten van 20 februari 2006, 21 februari 2006 en 10 maart 2006 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 3 juli 2006 ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Gelet op het verhandelde ter zitting is tussen partijen slechts in geschil de herziening en de terugvordering van de bijstand over de periode van 1 april 2002 tot en met 30 april 2005 alsmede de intrekking en de terugvordering van de langdurigheidstoeslag over 2004.

4.2. De Raad stelt voorop dat het besluit tot herziening (verlaging) van de bijstand een belastend besluit is waarbij het aan het College is om de nodige kennis omtrent de relevante feiten te vergaren. Datzelfde geldt voor het besluit tot intrekking van de langdurigheidstoeslag over 2004. Dat betekent dat de bewijslast met betrekking tot het standpunt van het College dat appellante van 1 april 2002 tot en met 30 april 2005 bij [werkgever] schoonmaakwerkzaamheden heeft verricht en daarvoor een beloning van € 25,-- per week heeft ontvangen, respectievelijk dat appellante gedurende een periode van

60 maanden voor 1 januari 2004 inkomsten uit arbeid heeft ontvangen in beginsel op het College rust.

4.3. Het College heeft zijn standpunt gebaseerd op de verklaring die [werkgever] op 21 september 2005 tegenover de sociale recherche heeft afgelegd. Zoals de gemachtigde van het College ter zitting desgevraagd heeft erkend, vindt deze verklaring voor zover zij betrekking heeft op de periode van 1 april 2002 tot en met 30 april 2005 geen steun in de overige gedingstukken. Naar het oordeel van de Raad kan aan de verklaring van [werkgever] weliswaar het vermoeden worden ontleend dat appellante in die periode tegen beloning voor [werkgever] heeft gewerkt, maar met die verklaring is dat niet overtuigend aannemelijk gemaakt.

4.4. Hetgeen onder 4.2 en 4.3 is overwogen brengt mee dat het besluit van 3 juli 2006 voor zover dat ziet op de herziening van de bijstand over de periode van 1 april 2002 tot en met 30 april 2005 en de intrekking van de langdurigheidstoeslag over 2004 niet in stand kan blijven omdat het in zoverre op een ondeugdelijke motivering berust. Daarmee is tevens de grondslag aan de terugvordering van de kosten van bijstand en aan de terugvordering van de langdurigheidstoeslag over 2004 komen te ontvallen, zodat het besluit van 3 juli 2006 ook in zoverre niet in stand kan blijven. De rechtbank heeft dit niet onderkend, zodat de aangevallen uitspraak - met gegrondverklaring van het beroep - voor vernietiging in aanmerking komt.

4.5. De Raad zal doen hetgeen de rechtbank zou behoren te doen en het besluit van 3 juli 2006 wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) vernietigen voor zover het ziet op de herziening van de bijstand over de periode van 1 april 2002 tot en met 30 april 2005, de terugvordering van de kosten van bijstand en de intrekking en de terugvordering van de langdurigheidstoeslag over 2004. De Raad ziet tevens aanleiding het besluit van 20 februari 2006 met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb te herroepen voor zover daarbij de bijstand over de periode van 1 april 2002 tot en met 30 april 2005 is herzien en de langdurigheidstoeslag is ingetrokken, nu dat besluit in zoverre op dezelfde onhoudbaar gebleken grond berust en niet aannemelijk is dat dit gebrek nog kan worden hersteld. De Raad zal het College ten slotte opdragen opnieuw te beslissen op het bezwaar tegen het terugvorderingsbesluit van 10 maart 2006. Met het oog daarop overweegt de Raad dat voor zover het betreft de kosten van de als gevolg van de herziening van de bijstand over de periode van 1 mei 2005 tot en met 31 augustus 2005 tot een te hoog bedrag verleende bijstand, is voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB.

5. De Raad ziet aanleiding om het College te veroordelen in de proceskosten van appellante. Deze kosten worden begroot op € 644,-- in beroep en op € 644,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt het besluit van 3 juli 2006 voor zover dat betrekking heeft op de herziening van de bijstand over de periode van 1 april 2002 tot en met 30 april 2005, de terugvordering van de kosten van bijstand en de intrekking en de terugvordering van de langdurigheidstoeslag over 2004;

Herroept het besluit van 20 februari 2006 voor zover daarbij de bijstand over de periode van 1 april 2002 tot en met 30 april 2005 is herzien en de langdurigheidstoeslag over 2004 is ingetrokken;

Bepaalt dat het College inzake de terugvordering een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak;

Veroordeelt het College in de proceskosten van appellante: in beroep tot een bedrag van € 644,--, te betalen aan de griffier van de Raad, en in hoger beroep tot een bedrag van € 644,--, te betalen aan appellante;

Bepaalt dat het College aan appellante het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 144,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door G.A.J. van den Hurk als voorzitter en J.J.A. Kooijman en O.L.H.W.I. Korte als leden, in tegenwoordigheid van M.C.T.M. Sonderegger als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 augustus 2009.

(get.) G.A.J. van den Hurk.

(get.) M.C.T.M. Sonderegger.

DW