Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BJ5116

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
07-08-2009
Datum publicatie
12-08-2009
Zaaknummer
08-1311 WAO
Rechtsgebieden
Civiel recht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAO-uitkering. Voldoende medische en arbeidskundige grondslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/1311 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Naam appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 16 januari 2008, 07/45 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 7 augustus 2009

I. PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

Bij brief van 27 maart 2008 heeft mr. A.F. van den Berg, advocaat te Deventer, zich gesteld als gemachtigde van appellante en de gronden van het hoger beroep ingediend.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 juni 2009. Appellante is, zoals tevoren schriftelijk was bericht, niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. van Leeuwen.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Voor een overzicht van de voor dit geding relevante feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat hier met het volgende.

1.2. Appellante was werkzaam als Z-verpleegkundige voor 40 uur per week toen zij in september 1983 uitviel wegens psychische klachten. Met ingang van 11 september 1984 is zij in aanmerking gebracht voor een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), laatstelijk berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65%.

1.3. Bij besluit van 3 oktober 2006 heeft het Uwv de WAO-uitkering van appellante per 1 december 2007 (lees: 2006) ingetrokken.

1.4. Bij besluit van 30 november 2006 (het bestreden besluit) zijn de bezwaren van appellante tegen het besluit van 3 oktober 2006 ongegrond verklaard. Aan de intrekking van de uitkering ligt ten grondslag dat appellante weer in staat wordt geacht om met haar beperkingen in voor haar geschikte gangbare functies een zodanig loon te verdienen, dat haar verlies aan verdienvermogen minder dan 15% bedraagt.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, maar tevens bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven, met de bepaling dat aan appellante het griffierecht moet worden vergoed. De rechtbank heeft de medische grondslag van het bestreden besluit onderschreven. Ten aanzien van de arbeidskundige grondslag is volgens de rechtbank voldoende komen vast te staan dat appellante met ingang van 1 december 2006 in staat is tot het uitoefenen van de voorgehouden functies. Bij de vaststelling van het verlies aan verdiencapaciteit is evenwel toepassing gegeven aan de artikelen 9 en 10 van het Schattingsbesluit 2004, die ingevolge de jurisprudentie van de Raad (zie de uitspraken van 2 maart 2007, onder meer LJN AZ9652), buiten toepassing dienen te worden gelaten, hetgeen aanleiding geeft om het bestreden besluit te vernietigen. De rechtbank heeft vervolgens vastgesteld dat het buiten toepassing laten van de genoemde artikelen leidt tot een verlies aan verdiencapaciteit van 10,99%, zodat appellante met ingang van 1 december 2006 niet langer arbeidsongeschikt kan worden geacht in de zin van de WAO.

3. In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat door het Uwv onvoldoende rekening is gehouden met haar medische beperkingen, dat het medisch onderzoek onzorgvuldig is geweest en dat de geduide functies niet passend zijn.

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1. Ten aanzien van de medische beoordeling door het Uwv onderschrijft de Raad hetgeen door de rechtbank in de aangevallen uitspraak hieromtrent is overwogen. De Raad is van oordeel dat het door de (bezwaar)verzekeringsartsen verrichte onderzoek, mede gelet op de daarbij betrokken informatie van de behandelend specialisten, voldoende zorgvuldig is te achten. Voorts ziet de Raad evenals de rechtbank geen aanknopingspunten voor het oordeel dat het Uwv de belastbaarheid van appellante onjuist heeft ingeschat. Deze belastbaarheid is weergegeven in de door de verzekeringsarts P.R.S. Baidjoe opgestelde Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 12 juli 2006. De verzekeringsarts had daartoe een onderzoek verricht naar de aangegeven lichamelijke en psychische klachten en heeft nadien kennis genomen van de verkregen informatie van de behandelend sector, te weten van KNO-arts H.J. Rosingh, neuroloog J. de Graaf en van de zenuwartsen H.A. Hoefsloot en H.L.S.M. Busard. In de bezwaarfase heeft bezwaarverzekeringsarts A. Colijn dossierstudie verricht, appellante gezien tijdens de hoorzitting en vervolgens geconcludeerd dat bij zijn onderzoek geen nieuwe medische gegevens aan het licht zijn gekomen. De Raad is verder van oordeel dat de bezwaarverzekeringsarts in zijn rapport van 27 november 2006 overtuigend heeft gemotiveerd dat de onderzoeksgegevens geen medisch objectiveerbare gronden bevatten om verdergaande beperkingen aan te nemen. Voorts heeft appellante in hoger beroep geen nadere medische gegevens overgelegd en/of nieuwe argumenten naar voren gebracht ter onderbouwing van haar standpunt dat het Uwv onvoldoende rekening heeft gehouden met haar beperkingen.

4.2. Ten aanzien van de arbeidskundige beoordeling door het Uwv onderschrijft de Raad eveneens hetgeen door de rechtbank hierover in de aangevallen uitspraak is overwogen. Ook de Raad is van oordeel dat het Uwv appellante terecht in staat heeft geacht tot de voorgehouden functies, gelet op het rapport van de arbeidsdeskundige J. van der Veen van 30 september 2006 en de daarin gegeven toelichting op de zogeheten signaleringen. Appellante heeft in hoger beroep niet onderbouwd waarom de geduide functies, gelet op de voor haar geldende beperkingen in de FML, niet passend zouden zijn.

4.3. Het vorenstaande betekent dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, moet worden bevestigd.

5. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door J.P.M. Zeijen, in tegenwoordigheid van A.C.A. Wit als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 augustus 2009.

(get.) J.P.M. Zeijen.

(get.) A.C.A. Wit.

EV