Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BJ5003

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-07-2009
Datum publicatie
11-08-2009
Zaaknummer
08-3187 WUV
Rechtsgebieden
Civiel recht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Kosten voor psycho-therapeutische behandeling (2000-2007) komen voor vergoeding in aanmerking vanaf 3 oktober 2002, aangezien naar het oordeel van verweerster vorderingen op de overheid na vijf jaren zijn verjaard. Geen bijzondere omstandigheden, op grond waarvan gezegd moet worden dat verweerster gehouden was om van het beroep op verjaring af te zien.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

08/3187 WUV

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[Appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant),

en

de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster)

Datum uitspraak: 23 juli 2009

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerster van 25 april 2008, kenmerk BZ 47535, JZ/C85/2008 (hierna: bestreden besluit), genomen ter uitvoering van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet).

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 juni 2009. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. E. Unger, advocaat te Amsterdam. Verweerster heeft zich ter zitting laten vertegenwoordigen door mr. T.R.A. Dircke, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant, geboren in 1933, is erkend als vervolgde in de zin van de Wet.

In het verleden heeft verweerster aanvaard dat de psychische klachten van appellant in het door de Wet vereiste verband staan met de door hem ondergane vervolging, en bepaald dat de door appellant voor deze klachten te maken kosten voor psycho-therapeutische behandeling voor vergoeding in aanmerking komen.

1.2. Op 3 oktober 2007 heeft appellant bij verweerster de door hem gemaakte kosten voor psychotherapie in de jaren 2000 tot en met 2007 gedeclareerd. Bij besluit van 20 november 2007, zoals na daartegen gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit, heeft verweerster meegedeeld slechts de kosten vanaf 3 oktober 2002 te vergoeden. Verweerster heeft zich hierbij beroepen op de naar haar oordeel geldende rechtsregel dat vorderingen op de overheid na vijf jaren zijn verjaard.

2. De Raad moet de vraag beantwoorden of het bestreden besluit, gelet op de hierna te bespreken beroepsgronden, in rechte kan standhouden. Hiertoe wordt overwogen als volgt.

2.1. Volgens vaste rechtspraak van de Raad (onder meer de uitspraken van 19 oktober 1995, AW 93/551, LJN ZB5497, 3 januari 2002, 99/5311 MAW, LJN AD8221 en 2 oktober 2008, 07/560l WUV, LJN BF5718), waarbij mede is gekeken naar de verjaringsbepalingen van het Burgerlijk Wetboek, zijn financiële aanspraken tegenover de overheid op grond van de rechtszekerheid na een termijn van vijf jaren niet meer in rechte afdwingbaar. Deze rechtsregel is in de voorliggende zaak van toepassing nu verweerster krachtens publiekrecht (de Wet op de Pensioen- en Uitkeringsraad, wet van

4 juni 1992, Stb. 432) namens de Nederlandse overheid is belast met de uitvoering van de Wet en daarom als zodanig is aan te merken als Nederlands overheidsorgaan.

2.2. De declaraties die betrekking hebben op de periode vóór 3 oktober 2002 zijn na het verstrijken van de vijfjaar termijn bij verweerster ingediend.

2.3. De vraag ligt voor of zich bijzondere omstandigheden hebben voorgedaan op grond waarvan gezegd moet worden dat verweerster gehouden was om van het beroep op verjaring af te zien. Appellant stelt zich op het standpunt dat er in zijn geval sprake is van bijzondere omstandigheden. Daartoe voert appellant aan dat hij - kort weergegeven - door de wijze van besluitvorming door verweerster op het verkeerde been is gezet, waardoor hij er vanuit ging en kon gaan dat hem vanaf 1 januari 1997 geen vergoeding meer werd toegekend. Pas na een vervolgaanvraag van appellant en de reactie daarop van verweerster in 2007, bleek appellant dat hij steeds aanspraak op vergoeding had gehouden.

2.4. Hierover overweegt de Raad het volgende.

2.4.1. Verweerster heeft aan appellant vanaf 1976 vergoedingen toegekend voor psychotherapie. Naar aanleiding van een declaratie van appellant in 1993 voor vijf behandelingen per week, heeft verweerster aan appellant op 5 november 1993 bericht dat maximaal twee behandelingen per week mogen worden vergoed. Verweerster heeft verder in deze brief meegedeeld dat nog één keer het bedrag volledig wordt vergoed maar dat bij een eventuele volgende declaratie rekening wordt gehouden met dit maximum. Naar aanleiding van een vervolgaanvraag van appellant heeft verweerster het besluit van 12 januari 1994 genomen. Daarin heeft verweerster besloten dat aan appellant over de periode van 1 december 1993 tot 1 december 1994 de kosten van een behandeling door een psychiater of psychotherapeut tot maximaal twee behandelingen per week worden vergoed, en dat niet een vergoeding wordt verleend voor kosten verbonden aan psychoanalyse voor vijf maal per week. Na bezwaar van appellant heeft verweerster dit besluit bevestigd in een besluit van 30 juni 1994. Tegen dat besluit heeft appellant beroep ingesteld bij de Raad. Hangende dit beroep heeft verweerster in een besluit van

8 september 1994 aan appellant meegedeeld dat hem met ingang van 1 december 1994 een vergoeding wordt verleend voor de kosten van behandeling door een psychiater of psychotherapeut tot maximaal twee behandelingen per week zolang de medische noodzaak zich voordoet. Appellant heeft verweerster gevraagd om herziening van het besluit van 8 september 1994 en voorgesteld om hangende het beroep bij de Raad, dit herzieningsverzoek aan te houden, hetgeen verweerster heeft gedaan. Op 26 oktober 1995 heeft de Raad uitspraak gedaan. Daarbij heeft de Raad het beroep tegen het besluit van

30 juni 1994 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat verweerster een nieuw besluit op bezwaar moet nemen. Daarop heeft verweerster het nieuwe besluit op bezwaar van 17 september 1996 genomen. Daarin heeft verweerster aan appellant meegedeeld dat boven de vergoeding van maximaal twee behandelingen per week die in het besluit van 8 september 1994 is verleend, een overgangsmaatregel tot 1 januari 1997 op zijn plaats is; alle kosten voor psychoanalyse die appellant moet betalen voor de periode van 1 december 1993 tot 1 januari 1997 worden bij wijze van supplementaire voorziening vergoed. In zoverre heeft verweerster het bezwaar gegrond verklaard en voor het overige ongegrond. In een aparte brief van 17 september 1996 heeft verweerster aan appellant meegedeeld dat zij gelet op het besluit van 17 september 1996 geen aanleiding meer ziet voor herziening van het besluit van 8 september 1994, omdat het eerst-genoemde besluit in toereikende mate voorziet in wat door appellant is beoogd.

2.4.2. Uit deze besluitvorming, in onderlinge samenhang bezien, had het naar het oordeel van de Raad voor appellant duidelijk kunnen en ook moeten zijn dat hem met het in stand gelaten besluit van 8 september 1994 per 1 december 1994 een vergoeding voor maximaal twee behandelingen per week door een psychiater of psychotherapeut is verleend en dat hem in het besluit van 17 september 1996 bij wijze van suppletie tot 1 januari 1997 een volledige vergoeding voor alle daadwerkelijk verrichte behandelingen is verleend. Uit geen van de besluiten of anderszins blijkt dat verweerster heeft besloten dat de vergoeding voor maximaal twee behandelingen per week per 1 januari 1997 zou stoppen. Voor de stelling van appellant ter zitting dat hij meende dat het besluit van 8 september 1994 na de overgangsmaatregel was ‘uitgewerkt’ vindt de Raad geen steun in de tekst van het besluit van 17 september 1996.

2.4.3. Gelet op wat hiervoor is overwogen, is de Raad niet kunnen blijken van de door appellant gestelde bijzondere omstandigheden, op grond waarvan gezegd moet worden dat verweerster gehouden was om van het beroep op verjaring af te zien.

3. Het vorenstaande leidt de Raad tot de slotsom dat het bestreden besluit in rechte kan standhouden en het ingestelde beroep ongegrond dient te worden verklaard.

4. De Raad acht, ten slotte, geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en G.L.M.J. Stevens en A.J. Schaap als leden, in tegenwoordigheid van K. Moaddine als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 juli 2009.

(get.) A. Beuker-Tilstra.

(get.) K. Moaddine.

HD