Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BJ4989

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
29-07-2009
Datum publicatie
14-08-2009
Zaaknummer
08-1525 MAW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Civiel recht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Handhaving besluit om appellant te ontheffen uit zijn uitzendfunctie in Afghanistan en te repatriëren. Bevoegdheid. Repatriëring wegens psychosociale redenen. Nu in dit geval geen enkele informatie is verschaft met betrekking tot de psychosociale gronden is de Raad van oordeel dat de commandant met de overname van dit advies niet de nodige kennis heeft vergaard over de relevante feiten en de af te wegen belangen, zodat in strijd is gehandeld met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht. In verband met de nieuw te nemen beslissing op bezwaar stelt de Raad nog vast dat repatriëring op medische grond door de commandant uitgesloten is geacht, omdat de lichamelijke klachten van appellant ter plaatse behandeld konden worden, terwijl voorts de commandant - naar het de Raad voorkomt: terecht - het standpunt heeft ingenomen dat appellant ook niet kon worden gerepatrieerd op de zogenoemde overige gronden. Vernietiging uitspraak. Nieuw besluit op bezwaar.

Wetsverwijzingen
Algemeen militair ambtenarenreglement 19, geldigheid: 2009-07-29
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2010/3
ABkort 2009/373

Uitspraak

08/1525 MAW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 17 januari 2008, 07/3940 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Commandant Landstrijdkrachten (hierna: commandant)

Datum uitspraak: 29 juli 2009

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De commandant heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 juni 2009. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. C.A.L.C. van Putten, advocaat te Dordrecht. De commandant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. T.A. Groenewoud-Kralt, werkzaam bij het ministerie van Defensie.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

1.1. Appellant was ten tijde hier van belang aangesteld voor een bepaalde tijd bij het beroepspersoneel van de Koninklijke landmacht. Vanaf 26 juni 2006 was hij op uitzending in Afghanistan.

1.2. Bij het bestreden besluit van 20 april 2007 is na bezwaar van appellant het besluit om hem met ingang van 18 oktober 2006 te ontheffen uit zijn uitzendfunctie en te repatriëren gehandhaafd.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep naar voren hebben gebracht overweegt de Raad het volgende.

3.1. De bevoegdheid van de commandant tot repatriëring vindt haar grondslag in artikel 19, eerste lid, van het Algemeen militair ambtenarenreglement, waarin is bepaald dat ontheffing uit een functie met een rang als die van appellant geschiedt door de commandant. Ter invulling van deze bevoegdheid zijn beleidsregels vastgesteld inzake voortijdige terugkeer bij uitzendingen zoals neergelegd in CDS aanwijzing A-123 van 15 december 2005 (hierna: aanwijzing A-123). De repatriëring van appellant is in de terminologie van aanwijzing A-123 een voortijdige permanente terugkeer. Aan een dergelijke repatriëring kunnen op grond van artikel 4 van aanwijzing A-123 zeven redenen ten grondslag liggen, waarvan de volgende vier in dit geval van belang zijn: a) medisch, b) psychisch, c) sociaal en g) overig.

3.2. Zoals blijkt uit het bestreden besluit heeft de commandant appellant gerepatrieerd wegens psychosociale redenen. Naar de Raad begrijpt betreft dit een combinatie van de redenen die in aanwijzing A-123 zijn genoemd onder b) en c). De commandant heeft zich daarbij volledig gebaseerd op het advies van gezondheidszorgpsycholoog luitenant-kolonel H.J.H. Groen van 12 oktober 2006. In dat advies heeft Groen aangegeven dat appellant door de omstandigheden een aantal verontrustende klachten heeft ontwikkeld, inclusief lichamelijke, welke naar de verwachting van Groen en majoor-arts Ter Hart niet in het uitzendgebied kunnen worden opgelost en mogelijk in ernst zullen toenemen.

Appellant heeft ten stelligste ontkend dat hij klachten had en verklaard dat hem niet duidelijk is waarop in dit advies wordt gedoeld. Ter onderbouwing daarvan heeft hij gewezen op een verklaring van drs. A.E. Tulp, majoor b.d. en destijds aanwezig in Tarin Kowt en op de brief van kolonel-arts H. van der Velde, psychiater, van 8 december 2006, waarin is vermeld dat appellant twee weken na terugkeer zich geheel lijkt te hebben hersteld van zijn boosheid en krenking, terwijl geen sprake is van psychiatrische problematiek.

3.3. De Raad stelt vast dat de klachten in het advies van Groen niet zijn benoemd en dat ook niet is ingegaan op de aard en ernst daarvan, zodat in het geheel niet duidelijk is waarop dit advies is gebaseerd. In de gespreksnotitie van 19 juni 2007, opgesteld naar aanleiding van een telefoongesprek met Groen over de bevindingen van Van der Velde, is opgetekend dat Groen niets kan meedelen over de concrete klachten. Gezien het medisch beroepsgeheim kan een psycholoog, aldus Groen, niet gedetailleerd ingaan op hetgeen hij heeft geconstateerd en in een advies zal dan ook nooit uitvoerig worden geschreven over betrokkene. Volgens Groen wordt er door een commandant op vertrouwd dat hetgeen hij adviseert op waarheid en juiste constateringen berust.

Wat er zij van het door Groen genoemde medisch beroepsgeheim, naar het oordeel van de Raad kan dat er niet aan in de weg staan dat in een advies als hier in geding tenminste inzichtelijk wordt gemaakt op welke gronden dat advies is gebaseerd, ook zonder dat ingegaan wordt op details. Dat is niet alleen noodzakelijk om de commandant in staat te stellen om tot een verantwoorde besluitvorming te komen, ook een betrokkene dient te weten waartegen hij zich moet verweren indien hij het standpunt van de commandant niet onderschrijft. Tot slot dient ook de rechter in staat te worden gesteld de besluitvorming te toetsen.

Nu in dit geval geen enkele informatie is verschaft met betrekking tot de psychosociale gronden is de Raad van oordeel dat de commandant met de overname van dit advies niet de nodige kennis heeft vergaard over de relevante feiten en de af te wegen belangen, zodat in strijd is gehandeld met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht.

4. Het hier overwogene leidt tot de conclusie dat het bestreden besluit in rechte geen stand kan houden en voor vernietiging in aanmerking komt evenals de aangevallen uitspraak waarbij dat besluit in stand is gelaten.

4.1. In verband met de nieuw te nemen beslissing op bezwaar stelt de Raad nog vast dat repatriëring op medische grond door de commandant uitgesloten is geacht, omdat de lichamelijke klachten van appellant ter plaatse behandeld konden worden, terwijl voorts de commandant - naar het de Raad voorkomt: terecht - het standpunt heeft ingenomen dat appellant ook niet kon worden gerepatrieerd op de zogenoemde overige gronden.

5. In het vorenstaande vindt de Raad aanleiding de commandant op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de proceskosten van appellant in eerste aanleg tot een bedrag van € 644,- en in hoger beroep tot een bedrag van € 644,- aan kosten van rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt het besluit van 20 april 2007;

Draagt de commandant op een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak;

Veroordeelt de commandant in de proceskosten tot een bedrag van in totaal € 1.288,-, te betalen door de Staat der Nederlanden;

Bepaalt dat de Staat der Nederlanden aan appellant het door hem in eerste aanleg en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 357,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door K. Zeilemaker als voorzitter en J.Th. Wolleswinkel en M.C. Bruning als leden, in tegenwoordigheid van I. Mos als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 juli 2009.

(get.) K. Zeilemaker.

(get.) I. Mos.

HD