Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BJ4987

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
29-07-2009
Datum publicatie
12-08-2009
Zaaknummer
07-7066 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Civiel recht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Disciplinair ontslag. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat de opgelegde maatregel van disciplinair ontslag niet onevenredig is te achten aan de aard en de ernst van het aan appellante verweten plichtsverzuim. Daarbij weegt de Raad ook mee dat de minister zeer geruime tijd heeft gepoogd appellante te re-integreren in het arbeidsproces, dat appellante zich daarbij niet coöperatief heeft opgesteld en dat zij geregeld afspraken niet nakwam. De Raad weegt voorts mee dat appellante is gewezen op de mogelijke gevolgen van haar weigerachtige houding en dat zij daarin heeft volhard, hoewel zij wist dat de bedrijfsarts haar niet steunde.

Wetsverwijzingen
Ambtenarenwet, geldigheid: 2009-07-29
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2010/2

Uitspraak

07/7066 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats], (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Dordrecht van 16 november 2007, 05/198 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Minister van Justitie (hierna: minister)

Datum uitspraak: 29 juli 2009

I. PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 juni 2009. Appellante is, met voorafgaand bericht, niet verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J. Lamme, werkzaam bij Juridisch Adviesbureau Lamme c.s., en

P.M.A.E. Martens, werkzaam bij het arrondissementsparket te Middelburg.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

1.1. Appellante is sinds 1 oktober 1991 in dienst van het ministerie van Justitie. Aanvankelijk was zij geplaatst bij de gerechtelijke diensten van het arrondissement Middelburg en sinds 1 januari 2002 was zij aangesteld als algemeen administratief medewerkster bij het arrondissementsparket Middelburg. Na een aantal periodes van langdurig ziekteverzuim is aan appellante met ingang van 29 september 2001 een WAO-uitkering toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%.

1.2. Met inachtneming van het door de minister gevraagde deskundigenoordeel van het Uwv over de door hem en zijn arbodienst ondernomen re-integratie-inspanningen heeft de minister bij brief van 6 november 2003 appellante een viertal mogelijkheden tot re-integratie aangeboden. Appellante heeft al deze mogelijkheden afgewezen. Naar aanleiding van onder meer de uitkomst van een daarna door appellante gevraagd deskundigenoordeel heeft de minister, zoals blijkt uit zijn brief van 8 april 2004, erkend dat appellante niet kan hervatten in werkzaamheden binnen het gerechtsgebouw in Middelburg. In die brief is appellante opgedragen zich op dinsdag 13 april 2004 te melden bij het Zeeuws Archief om te praten over het te volgen re-integratietraject. In het Zeeuws Archief is het archief van de rechtbank te Middelburg ondergebracht en in dat archief zou appellante gangbare arbeid kunnen verrichten, bestaande uit het archiveren en zoeken van stukken in het archief.

1.3. Toen appellante zonder enig bericht niet verscheen op 13 april 2004 heeft de minister met ingang van 15 mei 2004 de betaling van appellantes bovenwettelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering gestaakt. Na advies van de bedrijfsarts heeft de minister appellante bij brief van 29 november 2004 de opdracht gegeven zich op donderdag 2 december 2004 te melden bij het Zeeuws Archief, waar de eerder genoemde gangbare arbeid nog steeds beschikbaar was, om een aanvang te maken met de re-integratie. Appellante heeft aan die opdracht geen gevolg gegeven.

1.4. Na ontvangst van de zienswijze van appellante op het voornemen van de minister om appellante de disciplinaire straf van ontslag op te leggen, heeft de minister appellante bij besluit van 12 januari 2005 overeenkomstig zijn voornemen met ingang van 1 februari 2005 ontslagen.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak met toepassing van artikel 7:1a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het beroep van appellante tegen het besluit van 12 januari 2005 ongegrond verklaard.

3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep naar voren hebben gebracht overweegt de Raad het volgende.

3.1. Het plichtsverzuim waaraan appellante zich volgens de minister heeft schuldig gemaakt komt erop neer dat zij geweigerd heeft zich op 2 december 2004 bij het Zeeuws Archief te melden om daar in het kader van haar re-integratie arbeid te verrichten.

3.2. Met de rechtbank en op de in de aangevallen uitspraak aangegeven gronden is de Raad van oordeel dat appellante zich heeft schuldig gemaakt aan het haar verweten plichtsverzuim. Hij voegt daaraan nog het volgende toe.

3.3. Voor zover appellante heeft betwist het door de minister ingenomen standpunt, dat ook de verzekeringsarts van het Uwv van mening is dat de aan appellante aangeboden gangbare arbeid bij het Zeeuws Archief passend is, volgt de Raad appellante hierin niet. Het standpunt van de minister is gebaseerd op de weergave van de bedrijfsarts, in een brief van 15 juli 2004, van een telefonisch contact met de verzekeringsarts van het Uwv. De door de verzekeringsarts van het Uwv in dat gesprek gedane mededeling wordt bevestigd in de beslissing die het Uwv op 19 januari 2005 heeft genomen op het bezwaar van appellante tegen de weigering van een WW-uitkering.

De in hoger beroep door appellante ingenomen stelling dat zij de werkzaamheden bij het Zeeuws Archief slechts tot schade van haar gezondheid zou kunnen verrichten vindt geen steun in de in het dossier aanwezige medische gegevens. In de verklaring van de huisarts van appellante is niets opgenomen ten nadele van het werk bij het Zeeuws Archief en de verklaring van de behandelend psychiater is ingekleurd door de niet juiste informatie van appellante dat het werk bij het Zeeuws Archief appellante mogelijk opnieuw confronteert met haar vorige werksituatie. Bovendien zeggen die verklaringen niets over de (on)mogelijkheden van appellante om een gesprek te voeren over haar re-integratie.

3.4. De Raad is voorts met de rechtbank van oordeel dat de opgelegde maatregel van disciplinair ontslag niet onevenredig is te achten aan de aard en de ernst van het aan appellante verweten plichtsverzuim. Daarbij weegt de Raad ook mee dat de minister zeer geruime tijd heeft gepoogd appellante te re-integreren in het arbeidsproces, dat appellante zich daarbij niet coöperatief heeft opgesteld en dat zij geregeld afspraken niet nakwam. De Raad weegt voorts mee dat appellante is gewezen op de mogelijke gevolgen van haar weigerachtige houding en dat zij daarin heeft volhard, hoewel zij wist dat de bedrijfsarts haar niet steunde. Door dit gedrag heeft appellante welbewust het risico genomen dat tot disciplinair ontslag zou worden overgegaan.

4. Gelet op voorgaande overwegingen slaagt het hoger beroep van appellante niet en moet de aangevallen uitspraak worden bevestigd.

5. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door K. Zeilemaker als voorzitter, J.Th. Wolleswinkel en M.C. Bruning als leden, in tegenwoordigheid van I. Mos als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 juli 2009.

(get.) K. Zeilemaker.

(get.) I. Mos.

HD