Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BJ4978

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-08-2009
Datum publicatie
13-08-2009
Zaaknummer
09-3450 AWBZ-VV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Afwijzing voorlopige voorziening. De gestelde lange duur van de behandeling van het hoger beroep en de gestelde invloed daarvan op de gezondheidssituatie van verzoeker leveren geen zodanig spoedeisend belang op dat de uitspraak in de hoofdzaak niet zou kunnen worden afgewacht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/3450 AWBZ-VV

Centrale Raad van Beroep

Voorzieningenrechter

UITSPRAAK

als bedoeld in artikel 8:84, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van de Beroepswet op het verzoek om voorlopige voorziening van:

[Verzoeker], wonende te [woonplaats], (hierna: verzoeker)

in verband met het hoger beroep van:

verzoeker

tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 29 april 2008, 07/5960 (hierna: aangevallen uitspraak)

in het geding tussen:

verzoeker

en

de Stichting Indicatiestelling Zorg, gevestigd te Driebergen, (hierna: CIZ)

Datum uitspraak: 3 augustus 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens verzoeker heeft mr. A.J.G. Tijhuis, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.

Namens verzoeker heeft mr. F. Verkerk, kantoorgenoot van mr. Tijhuis, een verzoek om voorlopige voorziening gedaan.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 juli 2009. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door mr. Verkerk. CIZ heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.M.R. Kater.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Uit de gedingstukken blijkt dat verzoeker is gediagnosticeerd met een schizotypische persoonlijkheidsstoornis en een waanstoornis van het paranoïde type, in verband waarmee hij onder behandeling staat van GGZ-instelling Dijk en Duin te Purmerend.

1.2. Verzoeker heeft op 6 juni 2006 op grond van het bepaalde bij en krachtens de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (hierna: AWBZ) om een indicatie voor Activerende Begeleiding (hierna: AB) verzocht.

1.3. Bij besluit van 27 oktober 2006 heeft CIZ bepaald dat verzoeker met ingang van 6 oktober 2006 aanspraak heeft op zorg in de vorm van Ondersteunende Begeleiding algemeen (hierna: OB-alg) klasse 3 en Activerende Begeleiding algemeen

(hierna: AB-alg) klasse 1.

1.4. Hangende het bezwaar gericht tegen het besluit van 27 oktober 2006 heeft verzoeker gevraagd ook in aanmerking te worden gebracht voor een indicatie voor Huishoudelijke Verzorging (hierna: HV) klasse 6.

2. Bij besluit van 9 juli 2007 heeft CIZ het bezwaar van verzoeker tegen het besluit van 27 oktober 2006 ongegrond verklaard.

3. Bij de aangevallen uitspraak is het beroep tegen het besluit van 9 juli 2007 ongegrond verklaard. Daartoe is - voor zover hier van belang - overwogen dat het besluit van 9 juli 2007, in zoverre daarin een standpunt over de HV is neergelegd, moet worden aangemerkt als een primair besluit. De rechtbank heeft beslist dat het beroep tegen het besluit van 9 juli 2007, voor zover dat betrekking heeft op de HV, op grond van artikel 6:15, eerste en tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) ter behandeling als bezwaar naar CIZ wordt doorgezonden.

4. Namens verzoeker is hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.

5. Tevens is namens verzoeker een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening gedaan.

6. De voorzieningenrechter komt tot de volgende beoordeling.

6.1. Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) en artikel 21 van de Beroepswet kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank of van de voorzieningenrechter van de rechtbank als bedoeld in artikel 18, eerste lid, van de Beroepswet hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

6.2. Het verzoek om een voorlopige voorziening berust op het standpunt dat de behandeling van het hoger beroep lang duurt en dat verzoeker zich in de tussentijd zelf heeft gered en zal moeten zien te redden. Dit kost hem zeer veel energie, wat zijn gezondheid niet ten goede komt. Ten einde te voorkomen dat zijn gezondheidssituatie (nog) verder zal verslechteren, verzoekt hij de voorlopige voorziening te treffen dat CIZ gelast wordt om vanaf de datum van de aanvraag tot en met zes weken na de uitspraak in de bodemzaak, een indicatie toe te kennen voor HV klasse 6, dan wel te handelen als ware aan hem een dergelijke indicatie toegekend.

6.3. De voorzieningenrechter ziet zich - met het oog op de materiële connexiteit - allereerst gesteld voor de vraag naar de ontvankelijkheid van het verzoek om voorlopige voorziening.

6.3.1. Met het oog daarop dient eerst de vraag te worden beantwoord of de indicatie voor HV in het hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak nog wel aan de orde kan zijn.

6.3.2. CIZ heeft zich op het standpunt gesteld dat dit niet zo is, nu de rechtbank in de aangevallen uitspraak heeft geoordeeld dat het besluit van 9 juli 2007 - voor zover dat betrekking heeft op de indicatie voor HV - als een primair besluit dient te worden aangemerkt en het tegen dat besluit gerichte beroep in zoverre ter behandeling als bezwaar moet worden doorgezonden aan CIZ.

6.3.3. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de indicatie voor HV in hoger beroep nog wel aan de orde kan zijn. De omstandigheid dat verzoeker die zorgfunctie in de aanvraag van 6 juni 2006, waarin alleen de functie AB-alg is aangekruist, niet met zoveel woorden heeft genoemd staat daaraan niet in de weg. De voorzieningenrechter wijst erop dat verzoeker de functie OB-alg in die aanvraag evenmin heeft aangekruist en dat dit CIZ er niet van heeft weerhouden de indicatie voor die functie wel te beoordelen, wat geleid heeft tot toekenning van de indicatie OB-alg klasse 3. De voorzieningenrechter acht het verder van belang dat uit vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep voortvloeit dat de in het Besluit zorgaanspraken AWBZ bedoelde zorgfuncties weliswaar van elkaar kunnen worden onderscheiden, maar dat ze onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn. De voorzieningenrechter verwijst naar de uitspraak van

28 november 2007, LJN BB9311. Nu een indicatiebesluit een en ondeelbaar moet worden geacht behoort de zorgfunctie HV tot het beoordelingskader van de aanvraag van 6 juni 2006.

6.3.4. Artikel 41, zesde lid, van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) bepaalt dat in wettelijke procedures en rechtsgedingen tegen besluiten betreffende huishoudelijke verzorging die op grond van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) zijn genomen, dan wel op tegen deze besluiten in te stellen of ingestelde beroepen, zowel in eerste aanleg als in verdere instantie, het bepaalde bij of krachtens de AWBZ van toepassing blijft.

6.3.5. De voorzieningenrechter stelt vast dat verzoeker op 28 november 2006 bezwaar heeft gemaakt tegen het primaire besluit van 27 oktober 2006. Uit artikel 41, zesde lid, van de Wmo vloeit voort dat op de behandeling van het bezwaar en (hoger) beroep het bepaalde bij en krachtens de AWBZ van toepassing is.

6.3.6 Hetgeen in 6.3.3 tot en met 6.3.5 overwogen is betekent naar voorlopig oordeel dat de indicatie voor de functie HV in het hoger beroep nog wel aan de orde is, waarmee de ontvankelijkheid van het verzoek om voorlopige voorziening is gegeven.

6.4. Het verzoek om voorlopige voorziening komt niettemin niet voor toewijzing in aanmerking.

6.4.1. De gestelde lange duur van de behandeling van het hoger beroep en de gestelde invloed daarvan op de gezondheidssituatie van verzoeker leveren geen zodanig spoedeisend belang op dat de uitspraak in de hoofdzaak niet zou kunnen worden afgewacht.

6.4.2. In de overgelegde verklaring van Thera van Mansfeld, psycholoog/zorgcoördinator van Zorgportal G-Groep van 27 april 2009, wordt enkel aandacht gevraagd voor de gezondheidsrisico’s die kleven aan de lange duur van “het rechtsproces”. Uit deze verklaring kan niet worden afgeleid dat verzoeker een spoedeisend belang heeft bij het treffen van een voorlopige voorziening in de vorm van een indicatie voor HV vanaf 6 juni 2006.

6.5. Wat er verder zij van het eerst ter zitting namens verzoeker naar voren gebrachte financiële aspect, bestaande uit de gemaakte kosten voor HV die verzoeker stelt vanaf 6 juni 2006 te hebben gemaakt, is de voorzieningenrechter van oordeel dat het bestaan van deze kosten geenszins aannemelijk is gemaakt.

7. Dit betekent dat het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen.

8. Voor bepalingen omtrent proceskosten en griffierecht ziet de voorzieningenrechter ten slotte geen aanleiding.

III. BESLISSING

De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Wijst het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht af.

Deze uitspraak is gedaan door R.M. van Male, in tegenwoordigheid van M.C.T.M. Sonderegger als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 augustus 2009.

(get.) R.M. van Male.

(get.) M.C.T.M. Sonderegger.

DW