Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BJ4971

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-07-2009
Datum publicatie
12-08-2009
Zaaknummer
05/6817 WSF + 06/235 WSF
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Studiefinanciering voor migrerend werknemer. Beleid zoals dat kennelijk wordt uitgelegd is niet logisch en ook niet aanvaardbaar. Ongerechtvaardigd verschil in behandeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2009/272
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/6817 WSF en 06/235 WSF

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de hoofddirectie van de Informatie beheer Groep (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 20 oktober 2005, 05/754 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[Betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene)

en

appellante.

Datum uitspraak: 24 juli 2009

I. PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

Appellante heeft gedateerd 23 december 2005 een nieuw besluit op bezwaar (bestreden besluit 2) genomen ter uitvoering van de aangevallen uitspraak.

Bij de Raad is een aantal hoger beroepszaken aanhangig waarin onder meer de vraag aan de orde is of een student die onderdaan is van een lidstaat van de Europese unie en om studieredenen naar een andere lidstaat is gekomen, een beroep kan doen op artikel 12, eerste alinea, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap (EG) ter verkrijging van een beurs om in zijn levensonderhoud te voorzien. De onderhavige zaak maakt deel uit van dit cluster zogenoemde EU-studiefinancieringszaken.

Over de uitleg van genoemd artikel 12 is een aantal vragen gerezen.

De Raad heeft daarom op 16 maart 2007 in de zaak Förster (05/6182) prejudiciële vragen gesteld aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen. Het Hof heeft deze vragen beantwoord bij arrest van 18 november 2008 (C-158/07).

Partijen hebben op dit arrest gereageerd.

Het onderzoek ter zitting in de onderhavige zaak heeft plaatsgevonden op 26 juni 2009.

Appellante was vertegenwoordigd door mr. M. van der Toorn. Betrokkene is niet verschenen.

De Raad heeft op 29 juni 2009 in de zaak Förster uitspraak gedaan (LJN BJ1015).

II. OVERWEGINGEN

1. Betrokkene ontving studiefinanciering over de maanden april tot en met december 2003. Bij besluit van 29 december 2004 is de aan haar toegekende studiefinanciering over de maanden mei tot en met september 2003 herzien en teruggevorderd op grond van het bepaalde in artikel 7.1, lid 2, aanhef en onder c, van de Wet studiefinanciering 2000

(Wsf 2000). Ten laste van betrokkene is voorts een OV-schuld vastgesteld.

2. Het door betrokkene daartegen gemaakte bezwaar is bij besluit van appellante van 22 februari 2005 (bestreden besluit 1) ongegrond verklaard voor wat betreft de maanden juni tot en met september 2003 en gegrond ten aanzien van de maand mei. Daarbij heeft appellante haar Beleidsregel controlebeleid migrerend werknemerschap van 4 maart 2005 (Beleidsregel 32 uur) toegepast. Betrokkene heeft in april 39,75 uren gewerkt, in mei 34 uren, in juni 10,5 uren, in juli 26 uren, in augustus 23 uren, in september 10,21 uren, in oktober 36,75 uren, in november 56 uren en in december 36,75 uren, totaal in 9 maanden 272,96 uren. Gemiddeld per maand is dit 30,32 uren. Hiermee voldoet zij niet aan het criterium van 32 uur per maand gemiddeld.

3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van betrokkene tegen bestreden besluit 1 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat appellante een nieuw besluit zal nemen. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat de Beleidsregel 32 uur de rechterlijke toets kan doorstaan. Bij de weging van de individuele omstandigheden in deze zaak heeft appellante naar het oordeel van de rechtbank echter een onjuiste invulling gegeven aan het begrip werknemer. Appellante heeft ten onrechte enkel aandacht besteed aan het urencriterium en niet aan de overige van belang zijnde feiten en omstandigheden.

4. Appellante heeft tegen deze uitspraak aangevoerd dat betrokkene pas vanaf april 2003 is gaan werken en dus voor die tijd geen migrerend werknemer is. Over de maanden april tot en met december 2003 heeft zij gemiddeld minder dan 32 uur per maand gewerkt. Betrokkene heeft bovendien reeds binnen twee maanden na aanvang van haar werkzaamheden beduidend minder gewerkt dan contractueel was afgesproken. De rechtbank heeft dan ook ten onrechte geoordeeld dat het aantal gewerkte uren niet dermate gering is dat de arbeid louter marginaal en bijkomstig van aard is. In reactie op het arrest in de zaak Förster heeft appellante gesteld dat haar ‘Beleidsregel aanpassing aanvraag studiefinanciering voor studenten uit EU, EER of Zwitserland’ van 9 mei 2005 (Beleidsregel van 9 mei 2005) niet in strijd is met artikel 12 EG en dat betrokkene in 2003 niet aan de voorwaarde van vijf jaar voorafgaand verblijf voldeed.

5. Betrokkene heeft gesteld dat de Beleidsregel van 9 mei 2005 niet met terugwerkende kracht kan worden toegepast. Een verschil met de zaak Förster is dat Förster in de van belang zijnde periode in het geheel geen betaalde arbeid heeft verricht.

6.1. De Raad overweegt als volgt.

6.2. Appellante past zoals weergegeven onder 2 bij het beantwoorden van de vraag of een studerende de status van migrerend werknemer heeft de Beleidsregel 32 uur toe.

In de beleidsregel 32 uur is het volgende neergelegd:

“De IB-Groep gaat ervan uit dat iedere studerende, die over de controleperiode 32 uur of meer gemiddeld per maand heeft gewerkt, zonder meer de status van migrerend werknemer heeft en daarmee terecht studiefinanciering heeft ontvangen over het gecontroleerde studiefinancieringtijdvak. Bij het vaststellen van het criterium van

32 uur gemiddeld per maand zal in beginsel eveneens tot een hoogte van één maand rekening worden gehouden met vakanties en eventuele ziekte.”

6.3. De Raad heeft in de zaak Förster geoordeeld dat appellante met de Beleidsregel 32 uur in algemene zin geen onjuiste uitleg heeft gegeven aan het begrip werknemer als bedoeld in artikel 39 EG. De Raad ziet in hetgeen van de zijde van betrokkene is aangevoerd geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen.

6.4. Anders dan in de zaak Förster vraagt de beslechting van dit geschil echter om nadere uitleg van het onderdeel van het beleid waarin wordt geregeld dat in het geval van vakanties en ziekte, ondanks dat niet aan het criterium wordt voldaan dat 32 uur of meer per maand gemiddeld is gewerkt, de studerende toch als migrerend werknemer wordt aangemerkt. De tekst waarin dit onderdeel van het beleid is gesteld maakt niet zonder meer duidelijk welke rechten de studerende hieraan kan ontlenen. Uit hetgeen door de gemachtigde van appellante ter zitting is gesteld, heeft de Raad begrepen dat dit onderdeel van het beleid ertoe strekt dat bij de vaststelling of aan het criterium van gemiddeld 32 uur is voldaan de maand dat een studerende niet heeft gewerkt in verband met vakanties of ziekte buiten beschouwing blijft. In feite komt dit erop neer dat voor die studerende - op jaarbasis - het door hem gewerkte aantal uren niet door 12 (maanden), maar door 11 (maanden) wordt gedeeld. In de situatie dat minder dan een jaar is gewerkt vindt een berekening naar rato plaats. De Raad acht zulks alleszins aanvaardbaar.

De gemachtigde van appellante heeft echter ook uiteengezet dat indien een studerende in één maand, hoewel sprake is geweest van vakanties en/of ziekte, ook maar enige werkzaamheden verricht, de studerende aan dit onderdeel van het beleid geen rechten kan ontlenen. Naar het oordeel van de Raad dwingt de tekst van dit onderdeel van het beleid niet tot deze uitleg en ligt deze uitleg ook geenszins voor de hand. Dit reeds omdat deze uitleg tot het ongerijmde resultaat leidt dat een studerende die in een maand drie weken vakantie neemt en één week enkele uren werkt, hetgeen in de visie van appellante leidt tot het delen van het totaal aantal gewerkte uren per jaar door 12, in een aanzienlijk ongunstigere positie komt te verkeren dan de studerende die de gehele maand geen werkzaamheden heeft verricht, hetgeen in de visie van appellante leidt tot het delen van het totaal aantal gewerkte uren per jaar door 11. Nu aan de orde is de invulling van het begrip werknemer is zulks niet aanvaardbaar. Naar het oordeel van de Raad dient appellante zich omtrent de uitleg van het onderdeel van het beleid dat ziet op de situatie dat sprake is van vakanties en ziekte en voor zover dit beleid ziet op studerenden die in een maand als gevolg van vakanties en ziekte slechts marginaal hebben gewerkt opnieuw te beraden. De Raad geeft hierbij - ter voorkoming van nieuwe procedures - aan dat een uitleg van het beleid dat ertoe strekt in die gevallen dat de studerende die in één maand als gevolg van vakanties of van ziekte slechts marginaal heeft gewerkt gelijk wordt behandeld met studerenden die in een maand in het geheel niet hebben gewerkt, zodat ook voor die studerende een deling door 11 - bij een studiefinancieringtijdvak van minder dan één jaar: naar rato - als vorenbedoeld kan plaatsvinden, aanvaardbaar is.

6.5. Met betrekking tot de toepassing van de Beleidsregel van 9 mei 2005 overweegt de Raad het volgende. Vast staat dat betrokkene in 2003 niet voldeed aan de voorwaarde van vijf jaar voorafgaand verblijf. Zij woonde namelijk pas sinds september 2002 in Nederland. Dit betekent dat aan haar de Beleidsregel van 9 mei 2005 kan worden tegengeworpen. De Raad onderschrijft niet het standpunt van betrokkene dat deze beleidsregel niet met terugwerkende kracht kan worden toegepast aangezien het gaat om een uitleg van artikel 12 EG en niet om een nieuwe voorwaarde. Naar het oordeel van de Raad is geen sprake van bijzondere omstandigheden op grond waarvan appellante van de Beleidsregel van 9 mei 2005 had moeten afwijken. Daartoe heeft de Raad van doorslaggevende betekenis geacht dat betrokkene, voorafgaande aan haar verblijf in Nederland, niet anderszins kan wijzen op een reële band met de Nederlandse samenleving.

7. Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat de rechtbank bestreden besluit 1 terecht heeft vernietigd, zij het op enigszins andere gronden dan de Raad bezigt. De aangevallen uitspraak moet dan ook worden bevestigd en appellante moet een nieuw besluit op bezwaar nemen met inachtneming van hetgeen onder 6.2 tot en met 6.4 is overwogen.

8. Met betrekking tot bestreden besluit 2 overweegt de Raad dat, gelet op hetgeen is overwogen onder 6.2 tot en met 6.4 en 7, thans nog niet vaststaat hoe appellante uitvoering zal geven aan deze uitspraak. Dit besluit zal daarom worden vernietigd.

9. De Raad acht termen aanwezig om appellante met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,= voor verleende rechtsbijstand (1 punt voor een reactie op het arrest Förster, gewicht van de zaak 2).

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, met dien verstande dat appellante een nieuw besluit op het bezwaar van betrokkene moet nemen met inachtneming van de uitspraak van de Raad;

Vernietigt bestreden besluit 2;

Veroordeelt de hoofddirectie van appellante in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep tot een bedrag van € 644,=;

Bepaalt dat van appellante een griffierecht van € 414,= wordt geheven.

Deze uitspraak is gedaan door G. van der Wiel als voorzitter en J. Brand en I.M.J. Hilhorst-Hagen als leden, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 juli 2009.

(get.) G. van der Wiel.

(get.) T.J. van der Torn.

EV