Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BJ4677

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
29-07-2009
Datum publicatie
06-08-2009
Zaaknummer
07-5289 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAO-uitkering. Voldoende medische en arbeidskundige grondslag. Uit de door appellante in het geding gebrachte stukken kan de Raad niet afleiden dat er twijfel is aan de juistheid van de FML.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

07/5289 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 31 juli 2007, 07/512 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 29 juli 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante is hoger beroep ingesteld en zijn stukken ingezonden, waarop door het Uwv is gereageerd.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend, onder inzending van een arbeidskundig rapport van 23 oktober 2007.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 juni 2009. Appellante is verschenen met bijstand van mr. P.H. Ruijzendaal, advocaat. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.H.J. van Kuilenburg.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad verwijst naar de aangevallen uitspraak voor een uiteenzetting van de feiten waarvan hij uitgaat bij zijn oordeelsvorming. Hier wordt volstaan met het volgende.

2. Appellante is met ingang van 6 juli 1993 een uitkering toegekend ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), die werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. In het kader van een herbeoordeling van de mate van appellantes arbeidsongeschiktheid heeft het Uwv bij besluit van 22 augustus 2006 die uitkering met ingang van 23 oktober 2006 ingetrokken op de grond dat de mate van appellantes arbeidsongeschiktheid met ingang van deze datum op minder dan 15% moet worden gesteld Dit besluit berust op een verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek. Het bezwaar van appellante tegen dit besluit is bij besluit van 12 februari 2007 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Dit besluit is genomen na een verzekeringsgeneeskundig onderzoek, dat is verricht door de bezwaarverzekeringsarts O.C. van Oostrum en een arbeidskundig onderzoek, verricht door een bezwaararbeidsdeskundige.

3. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.1. De rechtbank heeft de medische grondslag van het bestreden besluit niet voor onjuist gehouden. Zij is van oordeel dat aan dat besluit een voldoende zorgvuldig en diepgaand medisch onderzoek ten grondslag ligt en dat de door het Uwv uit dat onderzoek getrokken conclusies op overtuigende wijze zijn onderbouwd. Daarbij heeft de rechtbank aangetekend dat de door bezwaarverzekeringsarts Van Oostrom geraadpleegde psychiater dr. F.B. van der Wurff, in zijn rapport van 8 januari 2007 heeft vermeld dat appellante bekend is met een dysthyme stoornis, een paniekstoornis met agorafobie op As 1 van het DSM-systeem en een persoonlijkheidsstoornis NAO met afhankelijke, ontwijkende en obsessieve- compulsieve trekken op As 2 van het DSM-systeem. Door deze problemen zijn er volgens die psychiater duurzame beperkingen op verschillende gebieden. Appellante kan buiten de gezinssituatie onvoldoende beroep doen op gezonde copingvaardigheden. Haar concentratievermogen is beperkt, waardoor zij niet leest en gesprekken niet goed kan volgen. Haar vermogen sociale interacties aan te gaan is beperkt, door haar angsten en onzekerheid. Appellante heeft grote moeite zelfstandig beslissingen te nemen en te handelen, gevoed door haar onzekerheid en afhankelijke en ontwijkende copingstijlen. Ze is daardoor niet zo goed in staat conflicten te hanteren en samen te werken. Zij is niet goed in staat conflictueuze situaties die emoties bij haar oproepen te hanteren. Deze beperkingen komen volgens de psychiater deels voort uit stoornissen samengevat als dysthyme stoornis en paniekstoornis, maar zijn vooral een uiting van haar persoonlijkheidsstoornis. De rechtbank trekt uit het rapport niet de conclusie dat appellante in het geheel niet beschikt over duurzaam benutbare mogelijkheden om arbeid te verrichten. De rechtbank is voorts van oordeel dat het Uwv in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 6 februari 2006 de beperkingen van appellante niet heeft onderschat en voldoende rekening heeft gehouden met het rapport van Van der Wurff door daarin een groot aantal beperkingen op te nemen op het gebied van het persoonlijk en sociaal functioneren. Gelet hierop heeft de rechtbank geen aanleiding gezien een medische deskundige in te schakelen.

3.2. Ook de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit kon de toetsing van de rechtbank doorstaan. In het bijzonder heeft de rechtbank geen grond gevonden de ten aanzien van appellante geselecteerde voorbeeldfuncties in medisch opzicht niet geschikt voor haar te achten.

4. In hoger beroep blijft appellante zich op het standpunt stellen dat zij geen duurzaam benutbare mogelijkheden heeft om arbeid te verrichten, althans dat er zodanige medische beperkingen voor haar gelden dat haar op zijn minst een gedeeltelijke WAO-uitkering toekomt. Zij wijst daarbij op het rapport van de psychiater Van der Wurff waaruit dit naar haar oordeel blijkt. Voorts wijst zij in hoger beroep op een aantal door haar in het geding gebrachte stukken van medische aard, die haar standpunt volgens haar ondersteunen. Het Uwv heeft bevestiging bepleit van de aangevallen uitspraak.

5. De Raad is van oordeel dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5.1. De Raad onderschrijft de in 3.1 en 3.2 bedoelde overwegingen van de rechtbank en maakt die tot de zijne.

5.2. Bij de door appellante in hoger beroep in het geding gebrachte stukken is een brief van 27 mei 2009, met als bijlage een behandelingsplan, afkomstig van de sociaal psychiatrisch verpleegkundige R.F.H. Pasker, werkzaam bij de Symforagroep. De Raad kan aan die brief niet de betekenis toekennen die appellante daaraan gehecht wenst te zien. Die brief doet verslag van de behandeling van appellante in het jaar vanaf mei 2008. Die periode ligt na de datum die in dit geding van belang is, 23 oktober 2006, en dat verslag werpt geen nieuw of ander licht op de beperkingen van appellante op die datum. Verder is een brief van 30 oktober 2008 overgelegd van de oogarts dr. M.J.H. Ronday. Deze brief vermeldt de resultaten van een onderzoek, kennelijk gehouden naar aanleiding van appellantes klachten bij het dragen van contactlenzen. De conclusie luidt dat appellante droge ogen heeft bij het dragen van zachte contactlenzen, hypermetroop astigmatisme en strabismus. Ook uit deze brief kan de Raad niet afleiden dat er gerede aanleiding is voor twijfel aan de juistheid van de FML. Verder is overgelegd een brief van 24 oktober 2008 van de fysiotherapeut D.R. van de Bovenkamp, die vermeldt dat appellante sinds het begin van 2008 bij hem onder behandeling is geweest voor bekkenbodemtherapie bij verzakkingsklachten en na een achterwandcorrectie. Appellante was naar die fysiotherapie verwezen door de gynaecoloog drs. I.M.C. Ruhe, wiens brieven van 27 december 2007, 28 januari 2008, 17 maart 2008, 1 september 2008 en 28 oktober 2008, ook in hoger beroep zijn overgelegd, evenals de brief van 12 oktober 2007 van de gynaecoloog dr. G. Kleiverda. Uit deze brieven, die alle betrekking hebben op appellantes klachten van gynaecologische aard, blijkt op geen enkele wijze dat deze behandelaars mogelijk een ander oordeel hebben over appellantes beperkingen op de datum die in dit geding van belang is.

5.3. De Raad komt tot de slotsom dat de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit terecht ongegrond heeft verklaard.

6. De Raad heeft geen aanleiding een der partijen te veroordelen tot betaling van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom als voorzitter en J. Riphagen en H. Bedee als leden, in tegenwoordigheid van E.M. de Bree als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 juli 2009.

(get.) T. Hoogenboom.

(get.) E.M. de Bree.

TM