Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BJ4676

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
17-07-2009
Datum publicatie
07-08-2009
Zaaknummer
07-5079 WAZ
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening WAZ-uitkering. De Raad heeft geen aanknopingspunten gevonden om aan te nemen dat appellant op de datum in geding medisch meer beperkt was dan is aangenomen. Er is geen reden om aan te nemen dat de aan appellant voorgehouden functies zijn belastbaarheid overschrijden en niet aan de schatting ten grondslag hadden mogen worden gelegd. De Raad stelt vast dat de totale overschrijding van de redelijke termijn voor rekening van het Uwv komt. Schadevergoeding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2009, 307

Uitspraak

07/5079 WAZ

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 19 juli 2007, 06/2108 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 17 juli 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant is hoger beroep ingesteld door mr. D. Grégoire, advocaat te Sittard.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 februari 2009. Voor appellant is verschenen mr. Grégoire. Het Uwv was vertegenwoordigd door A.M. Crombach.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Bij besluit van 30 juni 2004 is de aan appellant toegekende WAZ-uitkering, laatstelijk berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80% of meer, per 24 augustus 2004 ingetrokken vanwege een mate van arbeidsongeschiktheid van minder dan 25%.

1.2. Het door appellant tegen dit besluit gemaakte bezwaar is bij besluit van 16 november 2004 gegrond verklaard met dien verstande dat het besluit van 30 juni 2004 is ingetrokken en de WAZ-uitkering van appellant per 24 augustus 2004 is herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65%.

1.3. De rechtbank heeft bij uitspraak van 28 juni 2005 het beroep van appellant tegen het besluit op bezwaar van 16 november 2004 gegrond verklaard, het besluit op bezwaar vernietigd, het Uwv opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van de uitspraak en het griffierecht aan appellant te vergoeden. Daartoe heeft de rechtbank – samengevat – het volgende overwogen. Gelet op de Verzekeringsgeneeskundige standaard ‘Communicatie met behandelaars’ hadden de röntgenfoto’s van appellant bij zijn behandelend reumatoloog H. van der Tempel moeten worden opgevraagd nu appellant hier nadrukkelijk op had aangedrongen, hij met de verzekeringsarts van mening verschilt over de ernst van de problematiek en eerder bij herhaling is aangenomen dat appellant niet beschikte over duurzaam benutbare mogelijkheden. Verder is overwogen dat de niet-matchende punten niet zijn toegelicht waardoor niet inzichtelijk is of de aan appellant voorgehouden functies zijn belastbaarheid overschrijden.

2.1. Bij besluit van 10 oktober 2005, gecorrigeerd bij brief van 14 oktober 2005, is het bezwaar van appellant ongegrond verklaard.

2.2. De rechtbank heeft bij uitspraak van 31 mei 2006 ook het beroep van appellant tegen het besluit op bezwaar van 10 oktober 2005 gegrond verklaard, het besluit op bezwaar vernietigd en het Uwv opgedragen het griffierecht aan appellant te vergoeden. Daartoe heeft de rechtbank – samengevat – het volgende overwogen. Het Uwv heeft geen juiste uitvoering gegeven aan de opdracht van de rechtbank om nadere informatie, met name de röntgenfoto’s, op te vragen bij de behandelend reumatoloog. De enkele verwijzing naar diens brief van 20 juli 2004 is onvoldoende. Deze brief is immers al betrokken bij de totstandkoming van het door de rechtbank reeds vernietigde besluit op bezwaar van 16 november 2004.

3.1. Bij besluit van 4 december 2006 is het bezwaar van appellant wederom ongegrond verklaard.

3.2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het besluit op bezwaar van 4 december 2006 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, de rechtsgevolgen ervan in stand gelaten en beslissingen gegeven over proceskosten en griffierecht. Daartoe heeft de rechtbank – samengevat en voor zover voor de beoordeling van het hoger beroep van belang – het volgende overwogen. Het verzekeringsgeneeskundig onderzoek heeft bestaan uit onderzoek van appellant, dossieronderzoek en het inwinnen en bestuderen van informatie van de behandelend reumatoloog. De hierop gebaseerde verzekeringsgeneeskundige advisering die ten grondslag ligt aan het besluit op bezwaar van 4 december 2006 is in overeenstemming met de eisen van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten en de overigens daaraan te stellen zorgvuldigheidseisen. Er zijn gelet op de voorhanden zijnde medische gegevens onvoldoende aanknopingspunten gevonden om de eindconclusies van het verzekeringsgeneeskundig onderzoek in twijfel te trekken. De informatie van de behandelend sector is thans uitdrukkelijk en in voldoende mate in de beoordeling meegenomen. Niet is gebleken dat de klachten van appellant zijn onderschat dan wel onjuist zijn geïnterpreteerd en evenmin dat de informatie van de behandelend sector in de omschrijving van de medische beperkingen en mogelijkheden onjuist zou zijn uitgelegd. Appellant heeft geen gegevens overgelegd waaruit medische beperkingen zijn te herleiden die ernstiger zijn dan door het Uwv is aangenomen. Gelet hierop is afdoende gemotiveerd waarom tot de in de ‘Functionele Mogelijkheden Lijst’ (FML) opgenomen beperkingen is geconcludeerd. Van enige vooringenomenheid of persoonlijk belang bij de bezwaarverzekeringsarts is niet gebleken. De arbeidskundige grondslag is pas in de beroepsfase afdoende toegelicht, hetgeen tot gevolg heeft dat het besluit op bezwaar vanwege een motiveringsgebrek moet worden vernietigd. Nu dit gebrek is hersteld, worden de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand gelaten. Het beroep van appellant op artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) ziet alleen op overschrijding van de redelijke termijn door het bestuursorgaan. Het Uwv heeft drie keer een besluit op bezwaar moeten nemen en alleen de derde keer heeft met 27 weken te lang geduurd. Al met al heeft de besluitvorming in de bezwaarfase onnodig lang geduurd, maar niet dusdanig lang dat sprake is van schending van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM. Daarbij is betrokken dat appellant tegen de lange duur van de procedure geen bezwaar heeft gemaakt en niet heeft verzocht om een voorlopige voorziening.

4. In hoger beroep heeft appellant – evenals in bezwaar en beroep – aangevoerd dat de verzekeringsgeneeskundige bevindingen onvolledig zijn en dat zijn medische beperkingen zijn onderschat. Daartoe heeft appellant gesteld dat zijn gezondheidstoestand is verslechterd en dat zijn medische beperkingen daarom niet kunnen zijn afgenomen. Ter zitting heeft appellant aangevoerd dat de aan hem voorgehouden functies zijn belastbaarheid op een aantal punten overschrijden en dat ze daarom niet aan de schatting ten grondslag gelegd hadden mogen worden. Ten slotte heeft appellant betwist dat van schending van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM geen sprake is. Appellant heeft gesteld dat de duur van de gehele bezwaar- en beroepsfase moet worden beoordeeld en dat de aard van de zaak en de opstelling van appellant de lange behandelingsduur niet rechtvaardigen.

5. De Raad overweegt als volgt.

6.1. In hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, heeft de Raad geen aanknopingspunten gevonden om aan te nemen dat appellant op de datum in geding medisch meer beperkt was dan is aangenomen. Naar het oordeel van de Raad heeft de rechtbank de beroepsgronden van appellant ter zake afdoende besproken en genoegzaam gemotiveerd waarom ze niet slagen. De Raad onderschrijft de desbetreffende overwegingen van de rechtbank volledig en maakt die tot de zijne.

6.2. Uitgaande van de op 30 maart 2004 opgestelde FML is er geen reden om aan te nemen dat de aan appellant voorgehouden functies zijn belastbaarheid overschrijden en niet aan de schatting ten grondslag hadden mogen worden gelegd. De Raad verwijst in dit verband naar de rapporten van de bezwaararbeidsdeskundige J.J. van der Naald van 5 oktober 2005 en 13 februari 2007.

6.3. Het voorgaande betekent dat ook de Raad geen aanleiding ziet om tot een ander oordeel over de mate van de arbeidsongeschiktheid van appellant te komen dan waartoe de rechtbank is gekomen. De grieven van appellant ter zake falen derhalve.

7.1. De vraag of de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM is overschreden, moet worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. Daarbij zijn van betekenis de complexiteit van de zaak, de wijze waarop de zaak door het bestuursorgaan en de rechter is behandeld, het processuele gedrag van appellant gedurende de gehele procesgang en de aard van de maatregel en het daardoor getroffen belang van appellant, zoals ook uit de jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens naar voren komt.

7.2. Zoals de Raad heeft overwogen in zijn uitspraak van 26 januari 2009 (LJN BH1009) is in zaken zoals deze in beginsel een totale lengte van de procedure van ten hoogste vier jaar redelijk. Daarbij mag, zoals de Raad in die uitspraak verder heeft overwogen, de behandeling van het bezwaar ten hoogste een half jaar, de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar duren, terwijl doorgaans geen sprake zal zijn van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase in haar geheel als deze niet meer dan drie en een half jaar heeft geduurd. De in overweging 7.1 vermelde criteria kunnen onder omstandigheden aanleiding geven overschrijding van deze behandelingsduren gerechtvaardigd te achten.

7.3. De Raad acht in het algemeen een vergoeding gepast van € 500,- per half jaar of gedeelte daarvan waarmee de redelijke termijn in de procedure als geheel is overschreden.

7.4. De Raad is mede gelet op zijn uitspraak van 15 april 2009 (LJN BI2044), anders dan de rechtbank, van oordeel dat in een geval, waarin een vernietiging door de rechtbank van een besluit op bezwaar leidt tot een tweede, hernieuwde behandeling van het bezwaar, een tweede, herhaalde behandeling door de rechter en na een vernietiging door de rechtbank van het tweede besluit op bezwaar tot een derde, hernieuwde behandeling van het bezwaar en een derde, herhaalde behandeling door de rechter, de overschrijding van de redelijke termijn in beginsel volledig aan het bestuursorgaan moet worden toegerekend. Indien echter in de eerste rechterlijke ronde en/of in een volgende rechterlijke ronde sprake is van een langere behandelingsduur door een rechterlijke instantie, onderscheidenlijk van de rechterlijke fase als geheel, dan in overweging 7.. genoemd, komt de periode waarmee de behandelingsduur is overschreden niet voor rekening van het bestuursorgaan maar voor rekening van de Staat.

7.5. De Raad overweegt verder dat in een geval als dit, waarin een vernietiging door de rechtbank van een besluit op bezwaar leidt tot een tweede, hernieuwde behandeling van het bezwaar, een tweede, herhaalde behandeling door de rechter en na een vernietiging door de rechtbank van het tweede besluit op bezwaar tot een derde, hernieuwde behandeling van het bezwaar en een derde, herhaalde behandeling door de rechter, en waarin tijdens die derde rechtbankprocedure een verzoek om schadevergoeding in verband met overschrijding van de redelijke termijn is gedaan, de rechtbank moet uitgaan van een redelijke termijn van twee jaar voor de procedure als geheel. Indien tegen de – derde – uitspraak van de rechtbank hoger beroep wordt ingesteld, moet de Raad daarvan uitgaande beoordelen of de rechtbank ter zake een juiste beslissing heeft gegeven. Vervolgens zal de Raad de overschrijding van de redelijke termijn ten tijde van zijn eigen uitspraak moeten beoordelen. Daarbij geldt dat indien sedert de uitspraak van de rechtbank niet meer dan twee jaar zijn verstreken, deze beoordeling hoe dan ook niet tot een ander resultaat kan leiden, zodat aanvullende schadevergoeding ten laste van de Staat dan niet aan de orde is.

7.6. Voor het voorliggende geval betekent dit het volgende. Blijkens de gedingstukken is het bezwaarschrift, gericht tegen het eerste besluit van het Uwv van 30 juni 2004, door het Uwv ontvangen op 28 juli 2004. Ten tijde van de aangevallen uitspraak, gedaan op

19 juli 2007, waren bijna drie jaar verstreken. Uit overweging 7.5 volgt dat ten tijde van de aangevallen uitspraak een termijn van twee jaar nog als redelijk is aan te merken. De Raad heeft noch in de zaak zelf, die niet als complex is aan te merken, noch in de opstelling van appellant, aanknopingspunten kunnen vinden voor het oordeel dat de lengte van de procedure ten tijde van de aangevallen uitspraak meer dan twee jaar zou mogen bedragen. De redelijke termijn was derhalve op het moment van de aangevallen uitspraak met bijna een jaar overschreden. De procedures bij de rechtbank hebben elk minder dan anderhalf jaar geduurd, zodat de Raad vaststelt dat de totale overschrijding van de redelijke termijn voor rekening van het Uwv komt. De Raad acht een vergoeding van twee maal € 500,-, dit is € 1.000,-, gepast.

7.7. Uit het voorgaande volgt dat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd voor zover het de afwijzing van het verzoek om schadevergoeding betreft.

7.8. Vanaf de datum van de aangevallen uitspraak tot de datum van deze uitspraak zijn nog geen twee jaar verstreken, zodat aanvullende schadevergoeding ten laste van de Staat hoe dan ook niet aan de orde is. De Raad zal het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen daarom veroordelen tot betaling van een bedrag van € 1.000,- wegens immateriële schadevergoeding.

8. De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht het Uwv te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 644,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover daarbij het verzoek om schadevergoeding is afgewezen;

Veroordeelt het Uwv tot betaling aan appellant van een schadevergoeding ten bedrage van € 1.000,-;

Veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant in hoger beroep tot een bedrag van in totaal € 644,-;

Bepaalt dat het Uwv aan appellant het door hem in hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 106,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door G. van der Wiel als voorzitter en J. Brand en P.J. Stolk als leden, in tegenwoordigheid van A.C. Palmboom als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 juli 2009.

(get.) G. van der Wiel.

(get.) A.C. Palmboom.

DK