Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BJ4669

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-07-2009
Datum publicatie
05-08-2009
Zaaknummer
06-6939 WWB
Rechtsgebieden
Civiel recht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag bijzondere bijstand voor de door appellant gemaakte kosten van verblijf in het Ronald McDonald Huis gedurende de periode van 30 april 2004 tot en met 14 mei 2004. De Raad moet dan ook vaststellen dat de kosten door appellant voor de datum van aanvraag zijn gemaakt én voldaan, zonder dat van een (reële) schuld ter zake is gebleken, zodat appellant reeds hierom geen recht had op bijzondere bijstand voor de onderhavige kosten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

06/6939 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 3 november 2006, 05/3108 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: College)

Datum uitspraak: 21 juli 2009

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 februari 2009. Appellant noch zijn gemachtigde zijn verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. I. van Kesteren, werkzaam bij de gemeente Amsterdam.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.

1.1. Bij besluit van 4 januari 2005 heeft het College de op 30 december 2004 ingediende aanvraag om bijzondere bijstand voor de door appellant gemaakte kosten van verblijf in het Ronald McDonald Huis gedurende de periode van 30 april 2004 tot en met 14 mei 2004 afgewezen. Bij besluit van 26 mei 2005 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 4 januari 2005 ongegrond verklaard. Daarbij heeft het College, onder verwijzing naar artikel 43, eerste lid, van de Wet werk en bijstand (WWB), overwogen dat in beginsel geen bijstand wordt verleend over een periode voorafgaand aan de datum van de aanvraag en dat niet is gebleken van bijzondere omstandigheden om van dat uitgangspunt af te wijken.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 26 mei 2005 ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd. Appellant heeft betoogd dat zijn zoon met spoed werd opgenomen in het Erasmus Ziekenhuis in Rotterdam, zodat het onmogelijk was om vooraf toestemming te vragen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Ingevolge artikel 11, eerste lid, van de WWB, zoals dit artikel ten tijde in geding luidde, heeft iedere Nederlander die hier te lande in zodanige omstandigheden verkeert of dreigt te geraken dat hij niet over de middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien, recht op bijstand van overheidswege.

4.2. Artikel 35, eerste lid, van de WWB bepaalt - voor zover van belang - dat, onverminderd paragraaf 2.2, de alleenstaande of het gezin recht heeft op bijzondere bijstand voor zover de alleenstaande of het gezin niet beschikt over de middelen om te voorzien in de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan en deze kosten naar het oordeel van het college van burgemeester en wethouders niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de langdurigheidstoeslag, het vermogen en het inkomen voor zover dat meer bedraagt dan de bijstandsnorm.

4.3. Uit de stukken blijkt dat appellant van 31 maart 2004 tot en met 15 april 2004 heeft verbleven in het Ronald McDonald Huis te Rotterdam, welk verblijf dus dateert van ruim vóór de indiening van de aanvraag om bijzondere bijstand. Bovendien staat vast dat het verschuldigde bedrag van € 187,50 op 29 april 2004 per pinpas is betaald. De Raad moet dan ook vaststellen dat de kosten door appellant voor de datum van aanvraag zijn gemaakt én voldaan, zonder dat van een (reële) schuld ter zake is gebleken, zodat appellant gelet op artikel 35, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 11, eerste lid, van de WWB, reeds hierom geen recht had op bijzondere bijstand voor de onderhavige kosten.

4.4. Het voorgaande betekent dat de aangevallen uitspraak, met verbetering van gronden, dient te worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de Raad geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door R.C. Schoemaker als voorzitter en R. Kooper en R.H.M. Roelofs als leden, in tegenwoordigheid van C. de Blaeij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 juli 2009.

(get.) R.C. Schoemaker.

(get.) C. de Blaeij.

DW