Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BJ4665

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-07-2009
Datum publicatie
05-08-2009
Zaaknummer
06-6938 WWB
Rechtsgebieden
Civiel recht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag bijzondere bijstand in de kosten van een contactlens (met een dioptrie van -10) en de (slechts deels door het Ziekenfonds vergoede) kosten van homeopathische geneesmiddelen. De Raad is, anders dan het College en de rechtbank, van oordeel dat de aanvraag om bijzondere bijstand, is gedaan door de vader van appellant namens zijn zoon. De Raad leidt uit de gedingstukken af dat de vader zich, gelet op de slechte gezondheidstoestand van appellant, zowel in bezwaar als in beroep heeft opgeworpen als gemachtigde van appellant en in ieder geval niet op persoonlijke titel heeft geprocedeerd. Geen medische noodzaak, niet noodzakelijk kosten. Instandlating rechtsgevolgen.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 2:1
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2009/291
JWWB 2009, 206

Uitspraak

06/6938 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 3 november 2006, 05/3107 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[vader van appellant] (lees: appellant)

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: College)

Datum uitspraak: 21 juli 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft zijn vader, [vader van appellant], hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 februari 2009. Appellant noch zijn gemachtigde zijn verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. I. van Kesteren, werkzaam bij de gemeente Amsterdam.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Bij besluiten van 4 januari 2005 heeft het College de op 30 december 2004 ingediende aanvraag om bijzondere bijstand voor appellant in de kosten van een contactlens (met een dioptrie van -10) en de (slechts deels door het Ziekenfonds vergoede) kosten van homeopathische geneesmiddelen afgewezen.

1.2. Bij besluit van 26 mei 2005 heeft het College het bezwaar tegen de besluiten van 4 januari 2005 ongegrond verklaard. Het College heeft overwogen dat [vader van appellant] de bijzondere bijstand heeft aangevraagd ten behoeve van zijn zoon. Nu appellant de aanvraag had moeten indienen, en [vader van appellant] geen belanghebbende is in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), is het College van oordeel dat de aanvragen terecht zijn afgewezen.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 26 mei 2005 met bepalingen inzake proceskosten en griffierecht gegrond verklaard, het besluit van 26 mei 2005 vernietigd en - zelf in de zaak voorziend - het bezwaar van [vader van appellant] tegen de besluiten van 4 januari 2005 alsnog niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank heeft vastgesteld dat de aanvraag om bijzondere bijstand van 30 december 2004 door [vader van appellant] is gedaan ten behoeve van appellant, maar dat niet is gebleken dat hij daarbij als gemachtigde van appellant is opgetreden. De rechtbank is van oordeel dat [vader van appellant] geen belanghebbende is in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb, omdat [vader van appellant] geen rechtstreeks belang heeft bij een besluit over het al dan niet toekennen van bijzondere bijstand aan appellant. Nu [vader van appellant] geen belanghebbende is, is geen sprake van een aanvraag als bedoeld in artikel 1:3, derde lid, van de Awb, met als gevolg dat de besluiten van 4 januari 2005 geen besluiten zijn in de zin van de Awb.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd. Appellant heeft betoogd dat, gelet op zijn slechte gezondheidstoestand, [vader van appellant] als zijn gemachtigde mocht optreden.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De Raad is, anders dan het College en de rechtbank, van oordeel dat de aanvraag om bijzondere bijstand, is gedaan door [vader van appellant] namens zijn zoon. De Raad leidt uit de gedingstukken af dat [vader van appellant] zich, gelet op de slechte gezondheidstoestand van appellant, zowel in bezwaar als in beroep heeft opgeworpen als gemachtigde van appellant en in ieder geval niet op persoonlijke titel heeft geprocedeerd. Bovendien blijkt, en dit in tegenstelling tot hetgeen de rechtbank heeft geconcludeerd, uit het proces-verbaal van de zitting van 19 oktober 2006 niet dat de (toenmalige) gemachtigde eenduidig heeft verklaard over de persoon van de aanvrager.

4.2. Nu de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat [vader van appellant] de aanvraag voor de bijzondere bijstand niet namens appellant heeft gedaan, op grond waarvan de rechtbank uiteindelijk heeft geconcludeerd dat de besluiten van 4 januari 2005 geen besluiten zijn in de zin van de Awb, komt de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep gegrond verklaren en het besluit van 26 mei 2005 vernietigen wegens strijd met het in artikel 7:12, eerste lid, van de Awb neergelegde vereiste van een deugdelijke motivering.

4.3. Gelet op het onder 4.1 en 4.2 overwogene heeft de Raad daarom in de aanhef van zijn uitspraak de door de rechtbank gehanteerde partijstelling verbeterd.

4.4. Ten aanzien van de vervolgens aan de orde zijnde vraag of de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit van 26 mei 2005 in stand kunnen blijven overweegt de Raad als volgt.

4.5. Op grond van artikel 15, eerste lid, eerste volzin, van de Wet werk en bijstand (WWB) bestaat geen recht op bijstand voor zover een beroep kan worden gedaan op een voorliggende voorziening die, gezien haar aard en doel, wordt geacht voor de belanghebbende toereikend en passend te zijn. Voorts heeft ingevolge artikel 15, eerste lid, tweede volzin van de WWB, die wet geen functie indien binnen de voorliggende voorziening een bewuste beslissing is genomen over de noodzaak van bepaalde kostensoorten in het algemeen of in een specifieke situatie. Indien binnen de voorliggende voorziening het gevraagde in het algemeen of in een specifieke situatie niet noodzakelijk is geacht dient voor de toepassing van de WWB daarbij te worden aangesloten.

4.6. Kosten contactlens

4.6.1. Gelet op de vaste rechtspraak van de Raad waren ten tijde in geding de Ziekenfondswet (ZFW) en de Regeling Hulpmiddelen 1996 voor de hier aan de orde zijnde kosten aan te merken als aan de WWB voorliggende, toereikende en passende voorzieningen.

4.6.2. Op grond van artikel 12 van de Regeling Hulpmiddelen 1996 bestaat aanspraak op contactlenzen als daarvoor een indicatie bestaat. Op grond van Bijlage 2 behorende bij artikel 12, tweede lid, van de Regeling Hulpmiddelen 1996, is bij contactlenzen sprake van een medische indicatie bij sterke graden van brekingsafwijkingen als regel van meer dan 10 dioptrieën. De Raad is van oordeel dat hiermee een bewuste keuze is gemaakt over de noodzaak van het vergoeden van de kosten van contactlenzen in een specifieke situatie, zodat (aanvullende) bijzondere bijstandsverlening niet aan de orde is.

4.6.3. Gelet op het feit dat bij appellant sprake is van een dioptrie van -10 (en niet van meer dan -10) staat artikel 15, eerste lid, tweede volzin, van de WWB aan toekenning van bijzondere bijstand in de gevraagde kosten in de weg.

4.6.4. Het eerste lid van artikel 16 van de WWB biedt de mogelijkheid om, in afwijking van artikel 15, eerste lid, van de WWB, in bedoelde kosten bijstand te verlenen indien zeer dringende redenen daartoe noodzaken. Blijkens de Memorie van Toelichting op artikel 16 van de WWB dient in een dergelijk geval vast te staan dat sprake is van een acute noodsituatie en dat de behoeftige omstandigheden waarin de belanghebbende verkeert op geen enkele andere wijze zijn te verhelpen, zodat het verlenen van bijstand volstrekt onvermijdelijk is. De Raad ziet geen aanknopingspunten om te oordelen dat in dit geval sprake is van zeer dringende redenen als bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de WWB.

4.6.5. Hetgeen de Raad overwogen heeft onder 4.6.1 tot en met 4.6.4 leidt tot de conclusie dat het College de aanvraag om bijzondere bijstand in de kosten van een contactlens terecht heeft afgewezen.

4.7. Kosten homeopathische geneesmiddelen

4.7.1. De ZFW en de Algemene wet bijzondere ziektekosten (AWBZ) zijn ten tijde in geding voor de kosten van medicijnen aan te merken als aan de WWB voorliggende, toereikende en passende voorzieningen.

4.7.2. Naar het oordeel van de Raad staat vast dat de door appellant gebruikte medicijnen in het kader van de ZFW en AWBZ niet als noodzakelijk zijn aangemerkt. Hierbij doet niet ter zake dat appellant wel aanspraak kan maken op een gedeeltelijke vergoeding van kosten op het terrein van de alternatieve geneeswijzen op basis van een aanvullende ziekenfondsverzekering. Voor de kosten van de medicijnen bestaat dan ook op grond van artikel 15, eerste lid, tweede volzin, van de WWB geen recht op bijstand.

4.7.3. Van zeer dringende redenen als bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de WWB is de Raad niet gebleken.

4.7.4. Hetgeen de Raad overwogen heeft onder 4.7.1 tot en met 4.7.3 leidt tot de conclusie dat het College de aanvraag om bijzondere bijstand in de kosten van homeopathische geneesmiddelen terecht heeft afgewezen.

4.8. Hetgeen de Raad hierboven heeft overwogen leidt tot de conclusie dat de rechtsgevolgen van het besluit van 26 mei 2005 in stand kunnen blijven.

5. Van in hoger beroep gemaakte proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen is niet gebleken.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt het besluit van 26 mei 2005;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het besluit van 26 mei 2005 geheel in stand blijven;

Bepaalt dat het College aan appellant het in beroep betaalde griffierecht van € 37,-- en het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 105,-- vergoedt, zijnde in totaal € 142,--.

Deze uitspraak is gedaan door R.C. Schoemaker als voorzitter en R. Kooper en R.H.M. Roelofs als leden, in tegenwoordigheid van C. de Blaeij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 juli 2009.

(get.) R.C. Schoemaker.

(get.) C. de Blaeij.

DW