Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BJ4563

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-07-2009
Datum publicatie
07-08-2009
Zaaknummer
08-6940 WIA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WGA-uitkering toe te kennen. Voldoende medische grondslag. Naar het oordeel van de Raad kan niet worden gesteld dat de beperkingen die in de FML zijn opgenomen ten aanzien van conflicthantering, samenwerking en klantencontact onvoldoende zijn. Inzake de geduide functies overweegt de Raad dat, ook indien de functie controleur (SBC-code 267060) in verband met de (kenmerkende) belasting ten aanzien van het duwen en trekken van een volle rolcontainer van ongeveer 200 kilogram zou komen te vervallen, voldoende functies overblijven zonder dat het verlies aan verdienvermogen in relevante mate zou wijzigen. De gestelde strijd van de onderhavige beoordeling met artikel 6 EVRM volgt de Raad niet. Vernietiging besluit. Rechtsgevolgen blijven in stand.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 7:7
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/6940 WIA

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 24 oktober 2008, 07/3074 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 23 juli 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. D.S.C. Hes, advocaat te ’s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en heeft bij brief van 27 april 2009 een vraag van de Raad beantwoord.

De gemachtigde van appellant heeft bij brief van 19 mei 2009 een medisch stuk ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 juni 2009. Appellant is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door M. de Bluts.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellant was werkzaam als taxichauffeur toen hij zich met ingang van 6 juli 2004 ziek meldde vanwege psychische klachten. Tijdens de op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) voor appellant geldende wachttijd meldde appellant tevens (toegenomen) enkel- en rugklachten.

1.2. De verzekeringsarts N.L. van Luntesburg heeft appellant, naar aanleiding van zijn aanvraag om een uitkering ingevolge de Wet WIA, op 18 april 2006 onderzocht. Blijkens het rapport van dit onderzoek van eveneens 18 april 2006 beschikte de verzekeringsarts over informatie van het Psycho-medisch centrum Parnassia van 9 september 2005 en 22 februari 2006. Hieruit komt naar voren dat de werkdiagnose was een (geagiteerde) depressie, eenmalige episode en matig van ernst, en een periodieke explosieve stoornis, welke in 2005 leidde tot verregaande agressie in de thuissituatie. In de brief van 22 februari 2006 is voorts vermeld dat appellant de module impulsbeheersing bijna had afgerond. Mede gelet op deze informatie en op grond van zijn eigen onderzoek formuleerde de verzekeringsarts in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 20 april 2006 een aantal beperkingen in de rubrieken 1 (persoonlijk functioneren) en 2 (sociaal functioneren). Vanwege de rugklachten was volgens de verzekeringsarts frequent hoge piekbelasting (zwaar tillen en dragen) niet aan te raden. Wat betreft de enkelklachten gold hetzelfde voor langdurig hurkende werkzaamheden. In een vervolgonderzoek op 30 mei 2006 kwam naar voren dat de module impulsbeheersing inmiddels was afgerond en dat appellant toegenomen rug- en enkelklachten had na een recente val bij het afstappen van zijn fiets. Volgens appellant had de huisarts hem daarvoor verwezen naar de neuroloog, bij wie hij een afspraak had op 23 juni 2006. Na lichamelijk onderzoek zag de verzekeringsarts geen aanleiding de FML aan te passen.

1.3. Vervolgens vond arbeidskundig onderzoek plaats, waarbij na functieduiding werd vastgesteld dat geen sprake was van verlies van verdienvermogen. Hierna weigerde het Uwv bij besluit van 29 juni 2006 aan appellant met ingang van 4 juli 2006 een zogenoemde WGA-uitkering omdat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant minder dan 35% bedroeg.

2.1. In de bezwaarprocedure kwam andermaal informatie van Parnassia, ditmaal van 31 augustus 2006, beschikbaar. Voorts vroeg de bezwaarverzekeringsarts F.L. van Duijn op 2 november 2006 aan de psychiater E.F. van Ittersum een expertise uit te brengen.

Van Ittersum concludeerde in een rapport van 2 maart 2007 dat appellant uit het psychiatrisch onderzoek naar voren kwam als een bovengemiddeld intelligente, cognitief intacte, niet psychotische, wisselend gestemde man tussen nauwelijks ingehouden boosheid en verdriet. Als diagnose conform DSM IV vermeldde Van Ittersum op As I een aanpassingsstoornis met gemengde emotionele kenmerken en een depressieve stemming en op As II een lichte persoonlijkheidsstoornis NAO met afhankelijke en vermijdende trekken. Volgens Van Ittersum leek er op de datum van zijn onderzoek sprake te zijn van beperkingen door impulscontroleverlies.

2.2 In een rapport van 12 maart 2007, waarin ook een verslag van het medisch gedeelte van de hoorzitting op 26 september 2006 en van het spreekuuronderzoek op diezelfde dag was opgenomen, concludeerde Van Duijn op basis van de beschikbare medische gegevens dat de belastbaarheid van appellant in de FML niet was overschat. Vervolgens verklaarde het Uwv bij besluit van 21 maart 2007 het bezwaar van appellant tegen het besluit 29 juni 2006 ongegrond.

3.1. In beroep legde de gemachtigde van appellant een rapport van de psychiater E.M. Pluijms van 9 juli 2007 over. Zij vermeldde onder andere bij de anamnese dat appellant, hoewel hij van de hem voorgeschreven medicatie wat rustiger werd en zich wat beter kon beheersen, nooit meer op zijn oude niveau van functioneren was teruggekomen en dat appellant, hoewel hij door de agressieregulatietraining zichzelf beter onder controle wist te houden, nog regelmatig woede in zich voelde opkomen. Volgens Pluijms was op As I sprake van een dysthyme stoornis en stelde zij de diagnose op As II uit. Een uitspraak over arbeidsongeschiktheid deed zij, ondanks de vraag daarnaar van appellant, niet omdat haar onderzoek daar niet op was gericht.

3.2. De rechtbank verklaarde bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het besluit van 21 maart 2007 (hierna: het bestreden besluit) gegrond, vernietigde het bestreden besluit en bepaalde dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand blijven. Tevens gaf de rechtbank beslissingen over vergoeding aan appellant van griffierecht en proceskosten.

3.3. De rechtbank zag geen aanknopingspunten het medisch onderzoek van het Uwv onzorgvuldig en het oordeel van de verzekeringsartsen onjuist te achten. Volgens de rechtbank was in de FML voldoende rekening gehouden met de beperkingen van appellant in verband met zijn gebrekkige impulscontrole en de gestelde rug- en enkelklachten. Om reden dat het Uwv eerst in beroep door overlegging van een arbeidskundig rapport van 16 mei 2008 afdoende heeft gemotiveerd waarom de aan de schatting ten grondslag gelegde functies geen overschrijdingen opleverden van de belastbaarheid van appellant op de datum in geding, oordeelde de rechtbank dat het bestreden besluit was genomen in strijd met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Zij bepaalde echter tevens dat in verband met dit rapport de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand konden worden gelaten. Ten aanzien van het beroep van appellant op artikel 9, onder e, van het aangepaste Schattingsbesluit overwoog de rechtbank onder verwijzing naar de door haar aangehaalde jurisprudentie van de Raad dat dit artikel ziet op andere aspecten dan die welke in aanmerking zijn genomen bij de vraag naar de passendheid van de geduide functies in medisch en arbeidskundig opzicht en dat de gestelde agressie van appellant al is meegewogen bij de vaststelling van de FML.

4. In hoger beroep is namens appellant betoogd dat de medische grondslag van het bestreden besluit door de rechtbank onvoldoende is getoetst en dat die toetsing niet heeft voldaan aan artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) omdat de bezwaarverzekeringsarts onafhankelijk noch onpartijdig is. Voorts had het advies van een onpartijdig deskundige moeten worden ingewonnen nu de oordelende rechter geen medisch deskundige is. Verder is aangevoerd dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit ten onrechte in stand zijn gelaten omdat onvoldoende is gemotiveerd waarom appellant, gezien de beschikbare medische adviezen, niet aangewezen geoordeeld is op solistische functies. Ter zitting is van de zijde van appellant nog gesteld dat in het dossier het verslag van de hoorzitting ontbreekt.

5.1.1. De Raad overweegt dat hij evenals de rechtbank geen aanknopingspunten heeft het onderzoek van de verzekeringsartsen van het Uwv onzorgvuldig en het oordeel van die artsen over de belastbaarheid van appellant op de datum in geding onjuist te achten. De Raad wijst erop dat uit de expertise van Van Ittersum en het rapport van Pluijms niet naar voren komt dat voor appellant op de datum in geding zwaardere beperkingen in verband met zijn impulscontrole aangewezen moeten worden geoordeeld dan in de FML zijn opgenomen. Van Ittersum heeft zijn conclusie dat in verband met impulscontroleverlies sprake lijkt van beperkingen niet uitgewerkt in het benoemen van specifieke beperkingen. Op grond van deze conclusie kan naar het oordeel van de Raad dan ook niet worden gesteld dat de beperkingen, die in de FML in de rubriek 2 zijn opgenomen ten aanzien van conflicthantering (item 2.8.1), samenwerking (item 2.9.1) en klantencontact (item 2.12.1) onvoldoende zijn. Dit spreekt te meer, nu in het rapport van Pluijms bij de anamnese onder andere is vermeld hetgeen in overweging 3.1 is weergegeven. In dit licht bezien kan dan ook niet worden staande gehouden dat de geduide functies, welke de evenvermelde items niet overschrijden, voor appellant niet geschikt zouden zijn.

5.1.2. Wat betreft de rug- en enkelklachten merkt de Raad nog op dat de in hoger beroep overgelegde informatie van de radioloog aan de huisarts van appellant van 4 mei 2009 niet ziet op de rug of enkels maar op de cervikale wervelkolom. Aan deze informatie komt, bij gebreke van melding aan de verzekeringsartsen van de nek betreffende klachten op de datum in geding, bij de beoordeling van het bestreden besluit geen betekenis toe. Voorts zijn van de zijde van appellant geen gegevens overgelegd over het resultaat van de in overweging 1.2 vermelde afspraak met de neuroloog en kon van die zijde ter zitting ook niet worden aangegeven tot welke voor de belastbaarheid van de rug relevante bevindingen de neuroloog was gekomen.

5.1.3. Inzake de geduide functies overweegt de Raad dat, ook indien de functie controleur (SBC-code 267060) in verband met de (kenmerkende) belasting ten aanzien van het duwen en trekken van een volle rolcontainer van ongeveer 200 kilogram zou komen te vervallen, voldoende functies overblijven zonder dat het verlies aan verdienvermogen in relevante mate zou wijzigen. Voorts is het de Raad weliswaar niet ontgaan dat de FML, ondanks de in overweging 1.2 vermelde conclusie van de verzekeringsarts ten aanzien van zwaar tillen en dragen, op deze onderdelen geen beperkingen bevat, maar kan er naar het oordeel van de Raad niet aan worden voorbijgezien dat de belasting in de overblijvende functies op deze onderdelen ruim beneden de normaalwaarde ligt. Aan dit gebrek in de FML verbindt de Raad in dit geval dan ook geen gevolgen.

5.1.4. Wat betreft de grief ten aanzien van artikel 9, onder e, van het ten tijde van de datum in geding geldende Schattingsbesluit onderschrijft de Raad geheel hetgeen de rechtbank ter zake heeft overwogen.

5.2. De grief van appellant ten aanzien van de gestelde strijd van de onderhavige beoordeling met artikel 6 EVRM volgt de Raad niet. De Raad wijst op zijn uitspraak van 5 oktober 2001 (LJN AD5247), welke de Raad ook heeft vermeld in zijn uitspraak van 24 december 2008 (LJN BG9468). Ook aan de uitspraak van de Raad van 18 oktober 2005 (LJN AU5076) vallen geen aanknopingspunten te ontlenen voor het standpunt van appellant, waarvoor de gemachtigde van appellant desgevraagd ter zitting ook geen steun kon aanwijzen in een concrete uitspraak van het Europese Hof voor de rechten van de mens.

5.3 Wat de grief inzake het ontbreken in het dossier van het verslag van de hoorzitting op 26 september 2006 betreft stelt de Raad in de eerste plaats vast dat het Uwv desgevraagd op 27 april 2009 heeft meegedeeld dat, behoudens het rapport van Van Duijn van 12 maart 2007, van de hoorzitting geen verslag is opgemaakt. De Raad overweegt dat artikel 7:7 van de Awb, dat verplicht tot het opmaken van een verslag, niet aangeeft in welke vorm dat moet geschieden. Voorts bevat evenvermeld rapport, zoals ook in overweging 2.2 naar voren komt, een verslag van de hoorzitting. Van de zijde van appellant is in het kader van deze grief en ook overigens ter zitting niet gesteld dat het in dit rapport opgenomen verslag een onjuiste weergave van het verhandelde op die hoorzitting is.

5.4. Hetgeen is overwogen in 5.1.1 tot en met 5.3 brengt de Raad tot de slotsom dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, dient te worden bevestigd.

6. Voor een veroordeling van een partij in de proceskosten van een andere partij ziet de Raad ten slotte geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor als voorzitter en J.P.M. Zeijen en R. Kruisdijk als leden, in tegenwoordigheid van R. Benza als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 juli 2009.

(get.) C.W.J. Schoor.

(get.) R. Benza.

EV