Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BJ4524

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-07-2009
Datum publicatie
04-08-2009
Zaaknummer
08/5682 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzoek om herziening van (bruto) terugvordering. Geen nieuwe feiten of omstandigheden. De grief dat het bruteringsbedrag wegens evidente onjuistheid niet kan worden gehandhaafd treft, wat daarvan zij, evenmin doel. Zoals de Raad reeds meermalen heeft overwogen (zie onder meer de uitspraak van 4 december 2003, LJN AN9805), speelt de (kennelijke) onjuistheid van het oorspronkelijke besluit als zodanig geen beslissende rol en brengt dit niet mee dat het bestuursorgaan niet in redelijkheid gebruik kan maken van zijn bevoegdheid om toepassing te geven aan artikel 4:6, tweede lid, van de Awb.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

08/5682 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam van 17 september 2008, 08/3193 en 08/3195 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: College)

Datum uitspraak: 28 juli 2009

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 juni 2009. Appellant is verschenen. Het College heeft zich niet laten vertegenwoordigen.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.

1.1. Bij besluit van 14 juli 2006 is de bijstand van appellant ingetrokken met ingang van 22 juni 2006. Bij besluit van 12 oktober 2006 zijn de over de periode 22 tot en met 30 juni 2006 gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 211,05 netto van hem teruggevorderd. Daarbij is tevens aangegeven dat, als genoemd bedrag aan het eind van het kalenderjaar niet geheel is terugbetaald, het restant van de vordering met toepassing van artikel 58, vierde lid, van de Wet werk en bijstand wordt gebruteerd. Het tegen dit besluit gemaakte bezwaar is bij besluit van 12 december 2006 ongegrond verklaard. Tegen dat besluit is geen rechtsmiddel aangewend. Bij brief van 2 februari 2007 is vervolgens aan appellant meegedeeld dat de vordering gebruteerd € 331,68 bedraagt.

1.2. Bij brief van 9 maart 2008 heeft appellant verzocht terug te komen van het besluit van 12 oktober 2006 en de daarop gevolgde bruteringsbrief van 2 februari 2007. Bij brief van 11 april 2008 heeft het College - voor zover hier van belang - dat verzoek afgewezen op de grond dat geen nieuwe feiten of veranderende omstandigheden zijn aangevoerd. Het daartegen gerichte bezwaar is bij besluit van 7 augustus 2008 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het tegen het besluit van 7 augustus 2008 ingestelde beroep ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellant zich tegen de uitspraak van de rechtbank gekeerd. Appellant heeft onder meer aangevoerd dat hij zich de mogelijke brutering bij niet tijdige voldoening van de vordering onvoldoende heeft gerealiseerd en dat het bruteringsgbedrag evident onjuist is.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Overeenkomstig hetgeen voor herhaalde aanvragen is bepaald in artikel 4:6, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), mag van degene die een bestuursorgaan verzoekt van een eerder genomen besluit (en de uitvoering daarvan) terug te komen, worden verlangd dat hij bij dit verzoek nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden vermeldt die zulk een terugkomen kunnen rechtvaardigen.

4.2. De Raad volgt evenals de rechtbank het standpunt van het College dat hetgeen door appellant is aangevoerd niet kan worden aangemerkt als nieuw feit of veranderde omstandigheid. De Raad voegt hieraan nog toe dat de stelling van appellant dat hij zich aanvankelijk een en ander niet voldoende heeft gerealiseerd en dat hij had ingeschat dat het brutodeel lager zou zijn dan hem nadien door de gemeente is meegedeeld, evenmin een feit of omstandigheid betreft als bedoeld in artikel 4:6, eerste lid, van de Awb.

4.3. Naar het oordeel van de Raad was het College dan ook bevoegd om met overeenkomstige toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb het verzoek af te wijzen. De Raad ziet in hetgeen appellant heeft aangevoerd geen grond om te oordelen dat het College na afweging van de daarbij rechtstreeks betrokken belangen daartoe niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten.

4.4. De grief dat het bruteringsbedrag wegens evidente onjuistheid niet kan worden gehandhaafd treft, wat daarvan zij, evenmin doel. Zoals de Raad reeds meermalen heeft overwogen (zie onder meer de uitspraak van 4 december 2003, LJN AN9805), speelt de (kennelijke) onjuistheid van het oorspronkelijke besluit als zodanig geen beslissende rol en brengt dit niet mee dat het bestuursorgaan niet in redelijkheid gebruik kan maken van zijn bevoegdheid om toepassing te geven aan artikel 4:6, tweede lid, van de Awb.

4.5. Uit het voorgaande vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, dient daarom te worden bevestigd.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs, in tegenwoordigheid van A. Badermann als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 juli 2009.

(get.) R.H.M. Roelofs.

(get.) A. Badermann.

E.L.S.