Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BJ4479

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
31-07-2009
Datum publicatie
07-08-2009
Zaaknummer
08-2952 WIA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). De Raad is van oordeel dat het door de deskundige verrichte medisch onderzoek volledig en zorgvuldig is. Juiste FML.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/2952 WIA

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 10 april 2008, 06/1697 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 31 juli 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A. Reitsma, werkzaam bij CNV Hout en Bouw te Drachten, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Van de zijde van appellant zijn nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 juni 2009. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Reitsma. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door W.R. Bos.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Aan de aangevallen uitspraak ontleent de Raad de volgende feiten en omstandigheden.

1.2. Appellant was laatstelijk van 1 januari 1995 tot 23 april 2004 werkzaam als timmerman. Aansluitend ontving hij een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet. Ingaande 4 mei 2004 heeft hij zich arbeidsongeschikt gemeld wegens knie-, rug- en nekklachten en hoofdpijn.

1.3. Bij besluit van 26 april 2006 is geweigerd hem per einde wachttijd, 2 mei 2006, in aanmerking te brengen voor een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). Appellant is in staat geacht algemeen geaccepteerde arbeid te verrichten op grond waarvan sprake is van een loonverlies van minder dan 35%.

1.4. Bij besluit van 14 november 2006 is het bezwaar tegen het besluit van 26 april 2006 ongegrond verklaard.

2.1. Bij de aangevallen uitspraak is het beroep ongegrond verklaard.

2.2. De rechtbank heeft ten aanzien van de medische grondslag van het bestreden besluit psychiater prof. dr. R.J. van den Bosch ingeschakeld als onafhankelijk deskundige. Deze heeft zich goed kunnen vinden in de vaststelling van appellants belastbaarheid, zoals die blijkt uit de door de (bezwaar)verzekeringsartsen van het Uwv opgestelde Functionele Mogelijkheden Lijst (FML). Alleen op het onderdeel “samenwerken” acht hij appellant wel enigszins beperkt vanwege diens persoonlijkheidstrekken.

2.3. Bezwaararbeidsdeskundige L.H.L. Stiekema heeft vervolgens, rekening houdende met een beperking op het onderdeel “samenwerken”, een tweetal functies laten vervallen, maar er resteerden voldoende functies. Het Uwv heeft zijn standpunt gehandhaafd dat appellant geen recht heeft op een WIA-uitkering, nu daarop pas recht bestaat vanaf een arbeidsongeschiktheid van tenminste 35%.

2.4. Op grond van de beschikbare gegevens, en met name die in het rapport van de onafhankelijke deskundige, heeft de rechtbank als haar oordeel gegeven dat appellant op de datum in geding niet meer of anders medisch beperkt was dan waarvan het Uwv bij het bestreden besluit is uitgegaan.

2.5. Ten aanzien van de verklaring van de behandelend psychiater M.M. Klaver dat hij tot een andere schatting betreffende appellants beperkingen komt, heeft de rechtbank geoordeeld dat dit standpunt niet nader gemotiveerd is en dat evenmin aangegeven is wat de daaruit voortvloeiende beperkingen ten aanzien van het verrichten van loonvormende arbeid voor appellant zijn.

2.6. De rechtbank is voorts niet gebleken dat de in geding zijnde beoordeling van de arbeidsongeschiktheid van appellant wat het arbeidskundig aspect betreft niet op goede gronden zou berusten.

3.1. Appellant is van die uitspraak in hoger beroep gekomen. Hij heeft daartoe zijn standpunt herhaald dat hij vanwege zijn psychische klachten in combinatie met zijn lichamelijke klachten in het geheel niet kan deelnemen aan het arbeidsproces.

3.2. Ter ondersteuning van zijn standpunt heeft appellant de resultaten van een in opdracht van hem in Duitsland verricht MRI-onderzoek ingebracht, alsmede de reactie van neurochirurg D.L.M. Oterdoom op de resultaten van dit onderzoek. Diens conclusie is dat de klachten van appellant niet samen hangen met een cervicale wervelstenose, dan wel radiculopathie. Neurochirurgische interventie is door deze neurochirurg niet geïndiceerd geacht.

4.1. De Raad overweegt als volgt.

4.2. In vaste rechtspraak van de Raad ligt besloten dat de Raad het oordeel van een onafhankelijke door de bestuursrechter ingeschakelde deskundige in beginsel pleegt te volgen. Van feiten of omstandigheden op grond waarvan het aangewezen voorkomt in dit geval van dat uitgangspunt af te wijken is de Raad niet gebleken.

4.3. De Raad is van oordeel dat het door de deskundige verrichte onderzoek volledig en zorgvuldig is. De door appellant in hoger beroep ingebrachte medische informatie biedt geen aanknopingspunten voor het oordeel dat zijn medische situatie onjuist is ingeschat en dat appellant geheel niet in staat is arbeid te verrichten. De (bezwaar)verzekeringsartsen van het Uwv hebben in alle rubrieken van de FML voor appellant beperkingen aangenomen en hem niet geschikt geacht voor het verrichten van fysiek zwaar werk, zoals onder meer de werkzaamheden die hij verrichtte in zijn oude functie van timmerman. De verzekeringsartsen hebben echter wel mogelijkheden gezien, rekening houdende met zijn medische situatie, voor licht werk met enige afwisseling in houdingen.

4.4. Het hoger beroep slaagt niet.

4.5. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos, in tegenwoordigheid van A.E. van Rooij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 31 juli 2009.

(get.) D.J. van der Vos.

(get.) A.E. van Rooij.

EV